Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.2.7.4
5.2.7.4 Weigering getuige om te verklaren
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 10 juli 2012, appl.no. 29353/06 (Vidgen/Nederland), § 42: ‘The respondent Party cannot be criticised for allowing M. to make use of rights which, as a criminal suspect, he enjoyed under Article 6 of the Convention’.
EHRM 23 oktober 2012, appl.no. 38623/03 (Pichugin/Rusland), § 203; EHRM (GC) 3 april 2012, appl.no. 42857/05 (Van der Heijden/Nederland), § 61-62; EHRM 19 juli 2012, appl.no. 29881/07 (Sievert/Duitsland), § 61.
In EHRM 27 januari 2004, appl.no. 54445/00 (dec.) (Verhoek/Nederland), p. 4 hoefden twee medeverdachten geen vragen te beantwoorden met betrekking tot hun contacten met de Amerikaanse Drugs Enforcement Administration en met betrekking tot hun financiële situatie, omdat aangenomen kon worden dat zij hierdoor zichzelf zouden moeten beschuldigen of in gevaar zouden brengen.
Wanneer een getuige is verschenen om te worden ondervraagd, maar vervolgens met een beroep op zijn verschoningsrecht weigert de vragen die de verdediging hem stelt, te beantwoorden, zijn de autoriteiten niet nalatig geweest in het verwezenlijken van een ondervragingsgelegenheid.1 Het ehrm heeft herhaaldelijk benadrukt dat goede redenen kunnen bestaan om een getuige toe te staan te zwijgen.2 De rechter mag de getuige dan ook toestaan om vragen onbeantwoord te laten wanneer aan de getuige een verschoningsrecht toekomt.3
Een getuige kan echter ook weigeren te verklaren zonder zich op een verschoningsrecht te kunnen beroepen. In sommige staten, zoals Nederland, is het – onder bepaalde voorwaarden –mogelijk om een getuige in dat geval te gijzelen, teneinde hem tot spreken te bewegen. Uit de Straatsburgse jurisprudentie blijkt niet dat van de nationale rechter wordt verwacht dat hij van deze bevoegdheid gebruikt maakt. De nationale rechter zal doorgaans erg terughoudend zijn met het toepassen van gijzeling. Vrijheidsbeneming van een getuige is een zware maatregel. Het is ook de vraag of die maatregel het beoogde resultaat zal opleveren. Een getuige kan immers na gijzeling nog steeds weigeren te verklaren. De rechter zal zich ook rekenschap moeten geven van de reden waarom de getuige niet wenst te antwoorden. Het gijzelen van een getuige die uit angst voor de verdachte niet durft te verklaren, ligt bijvoorbeeld niet voor de hand.