Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.1.4:9.3.1.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.1.4
9.3.1.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS607838:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Loonbelasting / Artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen
Loonbelasting / Inhoudingsplichtige
Loonbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
G.T.K. Meussen, a.w.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 6 heb ik uitgewerkt dat voor de omschrijving van het begrip ‘aanmerkelijk belang’ zou kunnen worden uitgegaan van een ‘belang van ten minste een derde gedeelte’. Dit sluit aan bij een suggestie van Meussen om de ondergrens voor de toepassing van de gebruikelijkloonregeling te stellen op ‘ten minste een derde gedeelte belang’ in het geplaatste kapitaal van een vennootschap.1 De huidige grens van het aanmerkelijkbelangcriterium is volgens hem te laag. Bij een bezit van 5% zal een aandeelhouder normaliter niet afzien van loon, omdat dit vooral de andere aandeelhouders ten goede zal komen in de vorm van een waardestijging van de aandelen.
Voorts heb ik mij in hoofdstuk 6 voorstander getoond van een meer materiële invulling van het begrip ‘aanmerkelijk belang’. Omdat de omschrijving van de dga in art. 4 onderdeel d Wet LB 1964 en art. 2h Uitv.besl. LB 1965 is gekoppeld aan een aanmerkelijkbelangpositie, zou een dergelijke materiële invulling ook leiden tot een ruimere invulling van dit begrip.
Zoals eerder is opgemerkt, ben ik van mening dat de begrippen ‘partner’ en ‘verbonden persoon’ voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting kunnen worden geüniformeerd. In dit verband vind ik dat ongehuwde samenwoners ook als ‘partner’ zouden moeten worden beschouwd. Dit zou naar mijn mening in elk geval moeten gelden voor de toepassing van de fictieve dienstbetrekking in de zin van art. 4 onderdeel d Wet LB 1964 en art. 2h Uitv.besl. LB 1965 en voor de gebruikelijkloonregeling van art. 12a Wet LB 1964. Deze regelingen zouden dan van toepassing zijn op zowel de gehuwde, de geregistreerde als de ongehuwde en niet-geregistreerde partner. In dit verband heb ik in hoofdstuk 6 de contouren van het begrip ‘verbonden persoon’ geschetst:
Er geldt een sociaal-maatschappelijke benadering, waarbij de echtgenoot, de geregistreerde partner en iedere andere ‘levensgezel’ als ‘verbonden persoon’ worden beschouwd.
Voor ongehuwde samenwoners geldt in dit verband een weerlegbaar vermoeden van ‘verbondenheid’.
Voorts wordt een minderjarig ‘kind’ van de betrokken persoon of van zijn ‘levensgezel’ tot de kring van verbonden personen gerekend. In situaties waarin een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke transactie wordt gepleegd met een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of een dergelijk familielid van zijn ‘levensgezel’, wordt deze eveneens als ‘verbonden persoon’ aangemerkt.
Indien de betrokken persoon minderjarig is, wordt ook een bloed- of aanverwant in de opgaande lijn, en diens echtgenoot, geregistreerde partner of ‘levensgezel’ als een ‘verbonden persoon’ beschouwd.
In afwijking van art. 1:3 lid 3 BW worden de duurzaam gescheiden levende echtgenoot en de ex-schoonfamilie voor de toepassing van de Wet IB 2001 niet tot de kring van verbonden personen gerekend.