De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.4.2.3:3.4.2.3 De betekenis van de Benelux-Overeenkomst in het licht van het EU-recht
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.4.2.3
3.4.2.3 De betekenis van de Benelux-Overeenkomst in het licht van het EU-recht
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS397190:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Amtenbrink & Vedder, IV-15, alsmede het daar genoemde Simmenthal-arrest: HvJ EG 9 maart1978, nr. 106/77 (Amministrazione delle finanze dello Stato/Simmenthal), Jur. 1978, p. 629.
Of dat woordelijk overnemen van richtlijnbepalingen vanuit oogpunt van kwaliteit van wetgeving is toe te juichen, valt te betwijfelen. In dit boek zal een aantal voorbeelden van onduidelijke formuleringen uit de richtlijnen de revue passeren.
Zie par. 4.5.5 en 4.6.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot slot van deze paragraaf over de Benelux-overeenkomst moet kort worden stil gestaan bij haar betekenis in het licht van de Richtlijn. Daarbij moet in de eerste plaats worden bedacht dat nationaal recht dat strijdig is met EU-recht, daarvoor heeft te wijken.1Anderzijds laten zowel de Richtlijn als de overeenkomst ruimte aan de nationale wetgever om een hoger beschermingsniveau aan de benadeelde te bieden. In een aantal opzichten biedt de Richtlijn een hoger beschermingsniveau dan de Gemeenschappelijke bepalingen.
Een aantal voorbeelden van bepalingen uit de overeenkomst en de Gemeenschappelijke bepalingen, die zich moeilijk laten rijmen met de Richtlijn:
– De overeenkomst verplicht alleen tot dekking in de Benelux. De Richtlijn verplicht tot dekking in de EER.
– De overeenkomst laat de vaststelling van de verzekerde sommen over aan de lidstaten. Zie art. 1, § 1 onder 4 van de overeenkomst. De 2e en de 5e Richtlijn regelen dit onderwerp inmiddels en beperken daarbij de keuze voor de modaliteiten. Zie paragraaf 5.2.5.
– Voertuigen die bestemd zijn om op korte termijn het land te verlaten en die van een tijdelijke plaat worden voorzien, kunnen door de wetgever worden aangemerkt als gewoonlijk in het buitenland gestald. Zie art 1, §1 onder 9 van de overeenkomst. Dat is in strijd met art. 1, punt 4 onder a) van de Richtlijn.
– Voertuigen die in het ene land zijn vrijgesteld van de verzekeringsplicht op grond van de omstandigheid dat zij nauwelijks gevaar opleveren, moeten op grond van art. 1, § 2 van de overeenkomst toch zijn verzekerd als zij het grondgebied van een der andere verdragstaten binnengaan. Afwijkingen van de overeenkomst en de Gemeenschappelijke bepalingen die door art. 1 worden toegestaan, gelden immers slechts voor het grondgebied van die staat. Dat is – voor wat betreft voertuigen die weinig gevaar opleveren – in strijd met art. 5 lid 2 van de Richtlijn. Zie paragraaf 3.3.5.5 onder b.
– Art. 4, § 1 van de Gemeenschappelijke bepalingen staat nog toe dat andere benadeelden dan de bestuurder van het recht op uitkering kunnen worden uitgesloten. Dat is voor zover het personenschade betreft en voor zover de uitsluiting betrekking heeft op hun verwantschap met de verzekeringnemer, de bestuurder of enige andere aansprakelijke, strijdig met art. 12 lid 1 en 2 van de Richtlijn.
– De Gemeenschappelijke bepalingen stellen in art. 1 alleen ‘hetgeen aan het rij- of voertuig is gekoppeld’ gelijk met een motorrijtuig. De Richtlijn kent deze beperking niet.
Het aantal artikelen in de Wam dat nog – letterlijk – overeenstemt met de Gemeenschappelijke bepalingen is in de loop der jaren steeds verder afgenomen. De arm van ‘Brussel’ is steeds krachtiger geworden en het aantal bepalingen in de Wam dat woordelijk uit de richtlijnen is overgenomen, neemt toe.2 Het beeld dat ontstaat, is dat van een nationale wet die naar de letter nog wel voldoet aan de bepalingen van de Overeenkomst en de Gemeenschappelijke bepalingen, maar op twee gedachten hinkt: die van de Benelux en die van de EU. De wetgever zou het zichzelf eenvoudiger maken door de Benelux-overeenkomst op te zeggen. Dat houdt geen pleidooi in om dan ook maar de verworvenheden die de Benelux-Overeenkomst heeft gebracht, zoals – bijvoorbeeld – het eigen recht van de benadeelde (dat verder gaat dan de door de Richtlijn voorgeschreven action directe) of de rol van het waarborgfonds in geval van insolventie van een motorrijtuigverzekeraar, terzijde te schuiven.3 Er is geen enkele reden om de Wam ‘uit te kleden’, maar de doorontwikkeling van de wet wordt door het opzeggen van de overeenkomst wel eenvoudiger. Het bespaart de wetgever in elk geval bij de onderhandelingen in EUverband over voorstellen tot nieuwe regelgeving, de noodzaak om deze af te wegen tegen de Benelux-Overeenkomst en de Gemeenschappelijke bepalingen.