Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/7.2.2
7.2.2 Hervormingen in het Duitse ondernemingsrecht voor beursvennootschappen (1998-)
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS384589:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hierover W. Streeck, ‘German Capitalism: does it exist, can it survive?, Kellogg Institute for International Studies working paper nr. 218, 1996, te raadplegen via <http://www.ssrn. com>, p. 1-4.
Albert 1993, p. 100-124.
Streeck 1996, p. 5.
Ibid.
Omgekeerd waren en zijn er ook nog steeds Duitse beursgenoteerde ondernemingen die niet in de rechtsvorm van een AG, maar in plaats daarvan bijvoorbeeld in de vorm van een Kommanditgesellschaft auf Aktien (KGaA) worden gedreven. Voorbeelden zijn Merck KGaA en Henkel KGaA. Ook meer exotische vormen zoals de SE & Co. KGaA komen tegenwoordig voor, bijvoorbeeld bij Bertelsmann en Fresenius. De hiernavolgende analyse is omwille van de overzichtelijkheid van de te maken rechtsvergelijking evenwel beperkt tot beursgenoteerde AG’s.
Een studie van Becht en Boehmer uit 1999 vermeldt op een totaal van 430 beursvennootschappen 27 substantiële minderheidsbelangen van Deutsche Bank, 25 van Allianz en voor Dresdner Bank, Munich Re en VIAG elk 14. Zie M. Becht & E. Boehmer, ‘Transparency and Ownership and Control in Germany’, ECGN Working Paper ULB /Humboldt 1999, te raadplegen op
Zo kwamen Baums en Fraune in een onderzoek uit 1995 op basis van gegevens over aandeelhoudersvergaderingen in 1992 tot de conclusie dat Duitse banken bij de 24 grootste beursvennootschappen waarvan meer dan 50% van de aandelen verspreid werd gehouden gemiddeld 84% van de stemrechten op de ter vergadering aanwezige of vertegenwoordigde aandelen konden uitoefenen terwijl hun eigen kapitaalbelang in deze vennootschappen gemiddeld slechts 7% bedroeg. Zie Th. Baums & C. Fraune, ‘Institutionelle Anleger und Publikumsgesellschaft: Eine empirische Untersuchung’, AG 1995, p. 97-112.
Ter illustratie, in 1996 bezetten vertegenwoordigers van de drie grootste Duitse banken 37 van de 231 beschikbare zetels voor aandeelhoudersvertegenwoordigers in de Aufsichtsräte van de DAX 30 grootste Duitse beursondernemingen (exclusief beursgenoteerde financiële instellingen). Zie Th. Baums, ‘Corporate Governance in Germany: system and recent developments’, Working Paper Universität Osnabrück 1999, te raadplegen via <http://www.ssrn. com>, p. 10.
Zie over de strekking en ontstaansgeschiedenis van dit begrip de inleiding van Streeck en Höpner in W. Streeck & M. Höppner (reds.), Alle Macht dem Markt? Fallstudien zur Abwicklung der Deutschland AG, Max Planck Institut für Gesellschaftsforschung Köln reeks nr. 47, Frankfurt: Campus Verlag 2003, p. 15-17.
Franks/Mayer 2000, p. 6 en 46. Bij 57% van de onderzochte beursondernemingen hield de blockholder zelfs de meerderheid van de stemrechten, terwijl in 22% van de gevallen de blockholder weliswaar niet de meerderheid van de stemrechten hield, maar wel een dusdanig groot belang had dat hij kon voorkomen dat een minderheid van aandeelhouders besluitvorming in de Hauptversammlung zou kunnen blokkeren.
Illustratief is het voorbeeld van DEPFA zoals beschreven door Becht/Boehmer 1999, p. 83. DEPFA stond in de Duitse registers vermeld als 40% aandeelhouder in Deutsche Pfandbrief und Hypothekenbank AG. Achter DEPFA ging evenwel een holdingstructuur schuil waarvan het versimpeld weergegeven organigram een hele pagina besloeg. Zie ook Franks/ Mayer 2000, p. 47 voor een beschrijving van de aandelenstructuur van het toenmalige Daimler-Benz AG.
E. Boehmer, ‘Corporate Governance in Germany: institutional background and empirical results’, Working Paper december 1999, te raadplegen via
Hierover in kort bestek Streeck 1996, p. 15-17.
Zie bijvoorbeeld M. Lutter, ‘Professionalisierung der Aufsichtsräte’, NJW 1995, p. 1133- 1134 en G. Fey, ‘Corporate Governance: Unternehmensüberwachung bei deutscheAktiengesellschaften’, DStR 1995, p. 1320-1327.
Zie voor een overzicht van de belangrijkste elementen van het oorspronkelijk regeringsvoorstel B. Keller, ‘Änderungen der Überwachung in Kapitalgesellschaften – Der Entwurf eines Gesetzes zur Kontrolle und Transparenz im Unternehmensbereich’, DStR 1997, p. 1986-1992. Het Duitse Ministerie van Justitie had reeds in november 1996 een ‘Referentenentwurf’ van het KonTraG gepubliceerd.
Hierover specifiek Th. Kless, ‘Beherrschung der Unternehmensrisiken: Aufgaben und Prozesse eines Risikomanagements’, DStR 1998, p. 93-96.
Hierover MünchKomm AG, §12 nrs. 37-38 en 41-42 (Heider).
Hierover Baums 1999, p. 17-19.
O. Kersting, ‘Der Neuer Markt der Deutsche Börse AG’, AG 1997, p. 222-228.
Ter illustratie, in de periode tussen 1987 en 1993 vonden in Duitsland 146 beursintroducties plaats (tegen 1292 beursgangen aan de NYSE en 1106 beursgangen aan de LSE in dezelde periode) waarbij de gemiddelde leeftijd van de ondernemingen die in Duitsland naar de beurs werden gebracht afhankelijk van de gemeten periode varieerde van 41 tot 49 jaar. Zie H.P. Burghof & A.Hunger, ‘Access to stock markets for small and medium growth firms: the temporary success and ultimate failure of Germany’s Neuer Markt, Working Paper oktober 2003, te raadplegen via
Ibid, p. 1-2.
Ibid, p. 9-10.
Zie ‘Thyssen kämpft gegen Fusion mit Krupp’, Die Welt 19 maart 1997.
Zie het verslag van een grootschalige demonstratie van vakbond IG Metall voor het kantoor van Deutsche Bank in ‘Krupp smeedt overname om tot samenwerking’, Volkskrant 25 maart 1997.
M. Müller & O. Schumacher, ‘Krupp/Thyssen: erstmals waren die Banken offen auf Seiten des Angreifers’, Die Zeit 28 maart 1997.
Feiten en citaat ontleend aan M. Priem, ‘Finanzkrise der Philipp Holzmann AG’, Krisennavigator juli 2001, bron:
Regierungskommission Corporate Governance, Unternehmensführung – Unternehmenskontrolle – Modernisierung des Aktienrechts, Köln: Otto Schmidt Verlag 2001, Deutscher Bundestag Drucksache 14/7515 (14 augustus 2001). Zie voor een bespreking W.J. Slagter, ‘Prof.dr. H.c. Theodor Baums (Hrsg.), Bericht der Regierungskommission Corporate Governance. Unternehmensführung, Unternehmenskontrolle, Modernisierung des Aktienrechts’, Ondernemingsrecht 2003, p. 164-166.
Voorafgaand aan de instelling van de Regierungskommission Corporate Governance was een deel van haar leden al betrokken bij een initiatief op het gebied van corporate governance dat Baums vanuit zijn leerstoel aan de Goethe-Universität te Frankfurt was begonnen. In dezelfde periode was in Berlijn een soortgelijk gezelschap rond Von Werder (hoogleraar TU Berlin) actief geworden. Uiteindelijk is het werk van de Frankfurt-groep van Baums voortgezet via de Regierungskommission Corporate Governance. Zie over deze voorgeschiedenis G. Volk, ‘Deutsche Corporate Governance-Konzepte’, DStR 2001, p. 412-416.
Regierungskommission Corporate Governance 2001, p. 3.
Ibid.
In deze zin ook Slagter 2003, p. 164.
‘The sick man of the euro’, Economist 3 juni 1999.
Schröder vatte zelf de situatie als volgt samen in een concept-toespraak ten behoeve van een begrotingsdebat in de Bundestag in september 1999: “Klar haben alle gesündigt. Auch wir, (...) weil wir zu lange an die Lösbarkeit der Probleme im nationalen Maûstab geglaubt haben. Keine Chancen des Ausweichens mehr, weil die Zahlen klar sind. 1,5 Bio. Schulden, 82 Mrd. Mark Zinsen, 150.000 DM jede Minute. Deshalb [ist] Handeln unumgänglich. Für jede Regierung. Es geht um die Politikfähigkeit unseres Gemeinwesens, um Rückgewinnung nationaler und internationaler Handlungsfähigkeit.” Opgetekend in G. Schöllgen, Gerhard Schröder, die Biografie, München: Deutsche Verlags-Anstalt 2015, p. 423.
Dit was voor een deel terug te voeren op de in overleg met het Bundeskanzleramt gemaakte afspraak dat de Regierungskommission zich niet zou bezighouden met het systeem van werknemersmedezeggenschap. Zie Regierungskommission Corporate Governance 2001, p. 5.
Ibid, p. 51-53. Overigens behelsde dit voorstel weliswaar een nieuw recht voor aandeelhouders, maar in zekere zin bouwde de Regierungskommission Corporate Governance ook hier voort op reeds bestaande wettelijke regels. Op grond van het toenmalige §147 lid 1 AktG kon de Hauptversammlung bij meerderheidsbesluit de AG dwingen om stappen te nemen tot het incasseren van vorderingen van de AG op de leden van haar organen. Het KonTraG had met §147 lid 2 AktG al een regeling geïntroduceerd op grond waarvan een gekwalificeerde minderheid van aandeelhouders kon aansturen op het aanstellen van een bijzondere vertegenwoordiger (‘besondere Vertreter’) om de desbetreffende vorderingen van de AG te innen. Deze regeling had als doel een oplossing te bieden voor de tegenstrijdig belangproblematiek die binnen de Vorstand en Aufsichtsrat zou kunnen spelen. Het voorstel van de Regierungskommission om een gekwalificeerde minderheid van aandeelhouders zelf het recht te geven om vorderingen van de AG op de leden van haar organen te incasseren was zo gezien de logische volgende stap in deze ontwikkeling.
Ibid, p. 85-90.
Ibid, p. 85. Hierover Burghof/Hunger 2003, p. 18-19.
Regierungskommission Corporate Governance 2001, p. 76-81.
Ibid, p. 55-57.
Regierungskommission Corporate Governance 2001, p. 27-32. Dat de Regieringskommission Corporate Governance met een voorstel tot het opstellen van een Duitse code kwam, was overigens weinig verrassend aangezien de Frankfurter Grundsatzkommission Corporate Governance rond Baums reeds voorafgaand aan het instellen van de Regierungskommission een concept voor een Duitse code had gepubliceerd. Zie Handbuch börsennotierte AG 2014, §2 nr. 31 (Marsch-Barner).
Regierungskommission Corporate Governance 2001, p. 28: “Zunächst einmal bietet ein solcher Kodex die Möglichkeit, die geltende Unternehmensverfassung für deutsche Aktiengesellschaften und die diesbezüglichen, im Wesentlichen im zwingenden Gesetzesrecht verankerten Verhaltensmaûstäbe für Unternehmensleitung und Unternehmensüberwachung in einer gerade auch für ausländische Investoren geeigneten Form darzustellen und die Besonderheiten und Vorzüge der dualistischen Unternehmensverfassung zu verdeutlichen.”
Ibid, p. 29.
De tekst van de eerste DCGK is gepubliceerd in G. Cromme, ‘Endfassung Deutscher Corporate Governance Kodex’, NZG 2002, p. 273-277.
Hierover U. Seibert, ‘Das “TransPuG” – Gesetz zur weiteren Reform des Aktien- und Bilanzrechts, zu Transparenz und Publizität (Transparenz- und Publizitätsgesetz) – Diskussion im Gesetzgebungsverfahren und endgültige Fassung’, NZG 2002, p. 608-613. Het proces tussen de publicatie van het eerste wetsontwerp (‘Referentenentwurf’) en het vaststellen van de definitieve wet duurde slechts zeven maanden.
Schöllgen 2015, p. 681-691.
Kenbaar uit ‘Deutsche Börse chief Carsten Kengeter plans German ‘Aim’ market’, Financial Times 20 maart 2016.
Burghof/Hunger 2003, p. 20.
Over deze affaires Schöllgen 2015, p. 626-629.
Zie bijvoorbeeld G. Spindler, ‘Neuregelungen des Kapitalmarkt- und Börsenrechts zum Anlegerschutz? – Zur gesellschafts- und wirtschaftsrechtlichen Abteilung des 64. Deutschen Juristentages’, DStR 2002, p. 1576-1587 met een beschouwing naar aanleiding van de bijeenkomst van de Deutsche Juristentag van 18 september 2002 over het onderwerp beleggersbescherming en een bespreking van de preadviezen van Fleischer en Merkt.
Inhoud te raadplegen in het nieuwsbericht ‘Zypries und Eichel stellen 10-Punkte- Programm für besseren Anlegerschutz vor’, Beck-Online bericht van 25 februari 2003 (Becklink nr. 87731), bron:
Maûnahmenkatalog 2003, p. 1: “Zentraler Ansatz der heute vorgestellten Maûnahmen ist der Schutz der Anleger vor Manipulationen der Märkte und falschen Informationen über die Kapitalmarktprodukte.”
Zie over dit voorstel C. Schütz, ‘UMAG Reloaded: Der Regierungsentwurf einesGesetzes zur Unternehmensintegrität und Modernisierung des Anfechtungsrechts (UMAG) vom 17. 11. 2004’, NZG 2005, p. 5-11 en T. Holzborn & J. Bunnemann, ‘Änderungen im AktG durch den Regierungsentwurf für das UMAG’, BKR 2005, p. 51- 58. Een eerste ontwerp van het wetsvoorstel (Referentenentwurf) was reeds in januari 2004 gepubliceerd.
Over deze onderdelen K. Schmidt, ‘Verfolgungspflichten, Verfolgungsrechte undAktionärsklagen: Ist die Quadratur des Zirkels näher gerückt? – Gedanken zur Reform der §§ 147-149 AktG vor dem Hintergrund der Juristentagsdiskussion des Jahres 2000’, NZG 2005, p. 796-801 en G. Spindler, ‘Haftung und Aktionärsklage nach dem neuen UMAG’, NZG 2005, p. 865-872. Zie voor beschouwingen vanuit Nederlands perspectief B.F. Assink, ‘Enige beschouwingen over Duitse ontwerpwetgeving, de Amerikaanse ‘business judgment rule’ en ontwikkelingen in het Nederlandse vennootschapsrecht’, Ondernemingsrecht 2005, 131 (over §93 AktG) en F.G.K. Overkleeft, ‘De afgeleide actie: lessen uit Duitsland en Amerika’, Ondernemingsrecht 2008, 2 (over §148 AktG).
Hierover F. Reuschle, ‘Das Kapitalanleger-Musterverfahrensgesetz’, NZG 2004, p. 590-593 en T.M.J. Möllers & T. Weichert, ‘Das Kapitalanleger-Musterverfahrensgesetz’, NJW 2005, p. 2737-2741.
Zie bijvoorbeeld T. Holzborn & M.E. Foelsch, ‘Schadensersatzpflichten von Aktiengesellschaften und deren Management bei Anlegerverlusten – Ein Überblick’, NJW 2003, p. 932-940.
M. Weber, ‘Die Entwicklung des Kapitalmarktrechts im Jahre 2005’, NJW 2005, p. 3682- 3691, in het bijzonder p. 3691.
Zie ‘Managerhaftung wird wohl nicht kommen’, Handelsblatt 26 mei 2005. De oppositie van de FDP was in de politieke verhoudingen van dat moment een belangrijk gegeven. Weliswaar had de FDP geen zitting in de regering, maar de verwachting was op dat moment wel dat de FDP deel zou uitmaken van de volgende regering in een coalitie met CDU/CSU.
Handbuch börsennotierte AG 2014, §1 nr. 10 (Marsch-Barner).
Een overzicht van de belangrijkste wetswijzigingen is weergegeven in Handbuch börsennotierte AG 2014, §1 nrs. 11-48 (Marsch-Barner).
U. Noack, ‘ARUG: das nächste Stück der Aktienrechtsreform in Permanenz’, NZG 2008, p. 441-447, in het bijzonder p. 445-446.
In deze zin D. Poelzig, ‘Der Referentenentwurf eines Gesetzes zur Umsetzung der Aktionärsrechterichtlinie im Kampf gegen „räuberische Aktionäre”’, DStR 2008, p. 1538- 1541.
Zie voor een reconstructie F. Dohmen & D. Hawranek, ‘Die Löwen-Nummer’, Der Spiegel 2015, nr. 43 p. 70-80.
In het geval van Porsche/Volkswagen en het verwante geval van Schaeffler/Continental ging het om een variant van ‘hidden ownership’. Zie H. Fleischer & K.U. Schmolke, ‘Das Anschleichen an eine börsennotierte Aktiengesellschaft- Überlegungen zur Beteiligungstransparenz de lege lata und de lege ferenda’, NZG 2009, p. 401-409.
Over dit discussiestuk U. Brandt, ‘Meldepflichten für aktienbasierte Instrumente:Anmerkungen zum Diskussionsentwurf des Bundesfinanzministeriums (AnlegerStärkungsG)’, BKR 2010, p. 270-275.
Zie T.M.J. Möllers & T.G. Wenninger, ‘Das Anlegerschutz- und Funktionsverbesserungsgesetz’, NJW 2011, p. 1697-1702 en H. Renz & J.C. Rippel, ‘Änderungen der Transparenzvorschriften gem. §§ 21ff. WpHG (Mitteilungspflichten von Stimmrechten) durch das Gesetz zur Stärkung des Anlegerschutzes und der Verbesserung der Funktionsfähigkeit des Kapitalmarktes’, BKR 2011, p. 235-238.
Zie H. Eidenmüller, ‘Regulierung von Finanzinvestoren’, DStR 2007, p. 2116-2121.
In de periode vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog tot begin jaren ’90 was de West-Duitse economie internationaal gezien zeer succesvol. West-Duitse industriële ondernemingen hadden wereldwijd een vooraanstaande positie als exporteurs van hoogwaardige producten terwijl de loonstandaard voor werknemers van Duitse ondernemingen internationaal gezien op een relatief hoog niveau lag.1 In dezelfde periode ontstond in West-Duitsland een sociale markteconomie (‘Soziale Marktwirtschaft’ naar het model van Erhard) met eigen typische kenmerken.2 Een van de institutionele kenmerken van deze typische Duitse vorm van kapitalisme was de inrichting van Duitse ondernemingen.
Volgens de Duitse socioloog Streeck moesten Duitse ondernemingen als sociale instituties worden beschouwd waarbij de inrichting van deze instituties als een zaak van publiek belang werd gezien.3 Deze oriëntatie was niet alleen zichtbaar in het arrangement tussen het bedrijfsleven en werknemers (dat naast de hiervoor beschreven rechtstreekse vertegenwoordiging van werknemers in de Aufsichtsräte van grote ondernemingen ook werd gekenmerkt door een sterke positie van vakbonden en een dynamiek van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers- en werknemersorganisaties), maar ook in de wijze waarop Duitse ondernemingen waren gefinancierd. De belangrijkste bron van financiering voor veel grote Duitse ondernemingen was niet eigen vermogen dat via kapitaalmarkten werd aangetrokken, maar vreemd vermogen in de vorm van langlopende bancaire financieringen.4 Een gevolg hiervan was dat het Duitse bedrijfsleven en het Duitse (groot)bankwezen in een wederzijdse afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van elkaar verkeerden (zie ook hierna). Een ander gevolg was dat de ‘open’ beursgenoteerde AG niet de standaard-rechtsvorm voor Duitse ondernemingen van enige omvang was. Veel grote ondernemingen werden – en worden nog steeds – in besloten of semi-besloten verhoudingen gedreven.5
Ook bij Duitse beursgenoteerde AG’s was sprake van een zekere beslotenheid in de kring van aandeelhouders. Dit kwam in het bijzonder tot uiting in de substantiële minderheidsbelangen die de Duitse grote banken (Deutsche Bank, Dresdner Bank, Commerzbank) en verzekeraars (Allianz, Munich Re) historisch gezien in de grote Duitse beursgenoteerde ondernemingen hielden.6 Als het op stemmen in de aandeelhoudersvergadering aankwam, hadden de grote Duitse banken een nog sterkere positie. In aanvulling op hun eigen kapitaalbelangen konden banken ook stemmen uitbrengen op aandelen die werden gehouden door aan de bank gelieerde beleggingsfondsen en op aandelen die door aandeelhouders bij de bank in depot waren gegeven en waarvoor geen steminstructie was afgegeven. Hierdoor konden banken een disproportionele mate van zeggenschap uitoefenen in de aandeelhoudersvergaderingen van beursvennootschappen met een relatief verspreid aandelenbezit.7 Deze banken waren vaak de belangrijkste crediteuren van de betreffende ondernemingen en hadden ook vaak vertegenwoordigers benoemd in de Aufsichtsräte van deze ondernemingen.8 Naast financiële instellingen hielden ook families en industriële ondernemingen substantiële minderheidsbelangen in Duitse beursvennootschappen, waarbij ook sprake was van een netwerk van ‘Kreuzbeteiligungen’. Als zodanig was het Duitse grote bedrijfsleven in aanzienlijke mate onderling verweven, een situatie die ook wel werd aangeduid als ‘Deutschland AG’.9
Niet alleen was de controlerend minderheidsaandeelhouder, in de Engelstalige literatuur ook wel aangeduid als ‘blockholder’, een veelvoorkomend verschijnsel in Duitse beursvennootschappen, ook de gemiddelde omvang van het door een blockholder gehouden aandelenbelang was aanzienlijk. In een studie op basis van gegevens uit 1990 bleek dat 85% van de 171 onderzochte Duitse industriële beursondernemingen een blockholder met tenminste 25% van de stemrechten in het aandeelhoudersbestand had.10 Met het gebruik van variabele stemrechtarrangementen en ondoorzichtige holdingstructuren11 kon de positie van een blockholder in een Duitse beursvennootschap nog verder worden versterkt. Waar het Duitse ondernemingsrecht voorzag in een op papier sterke positie van de Vorstand ten opzichte van de Hauptversammlung werd de Hauptversammlung zelf in de praktijk doorgaans ook nog eens gedomineerd door een of meer blockholders. De veelvoorkomende aanwezigheid van blockholders en de verwevenheid de Duitse beursgenoteerde ondernemingen enerzijds en de grote Duitse banken anderzijds waren ook van invloed op de Duitse overnamemarkt. Vijandige overnames waren weliswaar juridisch gezien mogelijk, maar een overnamebod dat niet de steun had van de blockholders van de betreffende doelwitvennootschap en van de betrokken Duitse banken had praktisch gezien geen kans van slagen.12
Tot het begin van de jaren ’90 functioneerden Duitse beursgenoteerde ondernemingen grotendeels naar behoren, zowel op nationaal niveau wat betreft werkverschaffing en loonpeil als op internationaal niveau wat betreft concurrentiekracht en afzetmarkten voor de export. Vanwege de economische prestaties van Duitse beursgenoteerde ondernemingen was er in deze periode ook geen aanleiding om aan te sturen op een wijziging van het hierboven beschreven krachtenveld binnen deze ondernemingen. Begin jaren ’90 begon dit beeld te kantelen. Op macroniveau kreeg de (West-)Duitse economie de kosten van de Duitse eenwording te verwerken terwijl op microniveau Duitse industriële ondernemingen duidelijk aan concurrentiekracht begonnen te verliezen ten opzichte van met name hun Amerikaanse en Japanse concurrenten.13 Mede vanwege de relatief hoge loonkosten kwamen Duitse (beurs)ondernemingen in deze jaren financieel onder druk te staan. In de jaren erna volgde een aantal dÉconfitures van toonaangevende Duitse ondernemingen zoals Metallgesellschaft, Balsam en Schneider. Door deze voorvallen kwam in ondernemingsrechtelijke kringen in toenemende mate aandacht voor de kwaliteit van bestuur en toezicht binnen (grote) AG’s.14 Hiermee kwam voor het eerst sinds lange tijd een mogelijke herziening van het Duitse ondernemingsrecht voor AG’s op de agenda.
De Duitse wetgever zag in de hiervoor genoemde voorvallen een aanleiding tot ingrijpen. In 1997 diende de Bondsregering onder bondskanselier Kohl een wetsvoorstel in dat een jaar later zou uitmonden in het ‘Gesetz zur Kontrolle und Transparenz im Unternehmensbereich’ (KonTraG).15 Het KonTraG was niet bedoeld als een integrale herziening van het Duitse ondernemingsrecht, maar beoogde in plaats daarvan een wijziging op deelonderwerpen in het AktG aan te brengen. Het zwaartepunt van de wetswijzigingen uit het KonTraG lag op (i) de versterking van de positie van de Aufsichtsrat, (ii) het opleggen van aanvullende verplichtingen aan de Vorstand op het gebied van risicomanagement;16 en (iii) aanvullende regels ten aanzien van openbaarmakingsverplichtingen en de accountantscontrole. De positie van aandeelhouders kwam in het KonTraG minder prominent aan bod, zij het dat met het KonTraG wel een wettelijk verbod op meervoudig stemrecht (‘Mehrstimmrechte’) en stemrechtplafonds (‘Höchststimmrechte’) werd ingevoerd (§12 lid 2 AktG)17 terwijl ook het proces van het stemmen door banken en andere ‘Kreditinstitute’ op de door hen voor klanten gehouden aandelen aan banden werd gelegd (§135 AktG).18 Het KonTraG hield evenwel geen geprononceerde versterking van de positie van aandeelhouders in.
Parallel aan deze eerste hervormingsinitiatieven was in twee opzichten een toename van de invloed van kapitaalmarkten op Duitse beursgenoteerde ondernemingen waarneembaar. De eerste relevante ontwikkeling was de oprichting van de zogenoemde ‘Neuer Markt’ door de Deutsche Börse in 1997.19 De Neuer Markt was bedoeld als alternatief voor de ‘officiële’ aandelenbeurs (‘Amtlicher Handel’) van de Frankfurter Wertpapierbörse. Met de beduidend soepelere noteringsvereisten van de Neuer Markt probeerde de Deutsche Börse tegemoet te komen aan het in de praktijk gesignaleerde probleem dat jonge ondernemingen niet in staat waren om via een notering op de officiële markt risicodragend kapitaal aan te trekken.20 Dit werd wenselijk geacht vanwege het in de neergaande conjunctuur gebleken gebrek aan eigen vermogen (‘Eigenkapitallücke’) van Duitse ondernemingen die zoals hiervoor opgemerkt in de regel hoofdzakelijk met vreemd vermogen uit bancaire kredieten waren gefinancierd.21 In de jaren na de introductie van de Neuer Markt nam het aantal beursgangen in Duitsland – overigens ook aan de Amtlicher Markt en andere markten – explosief toe.22
De tweede relevante ontwikkeling betrof de publieke overnamemarkt. In maart 1997 werd bekend dat het Duitse staalconcern Krupp-Hoesch AG voornemens was een vijandig overnamebod te doen op haar concurrent Thyssen AG. Krupp- Hoesch, zelf het product van een niet geheel vriendelijk verlopen fusie tussen Krupp en Hoesch in 1991, trad onder leiding van bestuursvoorzitter Cromme voor Duitse begrippen agressief op. De bestuursvoorzitter van Thyssen, Dieter Vogel, sprak van “Wildwest-Manieren”.23 Wat met name opviel, was de rol van Duitse banken. Deutsche Bank en Dresdner Bank hadden voorafgaand aan de bekendmaking van de vijandige overnamepoging een krediet van in totaal DEM 18 miljard aan Krupp-Hoesch toegezegd ter financiering van de overname en hun investment banks, Deutsche Morgan Grenfell en Dresdner Kleinwort Benson, traden op als financieel adviseur van Krupp-Hoesch. Het plan was dat Krupp-Hoesch de kosten van de vijandige overname deels terug zou verdienen via de verkoop van bepaalde deelnemingen van Thyssen tot een bedrag van DEM 9 miljard. Twee bestuursleden van Deutsche Bank en Dresdner Bank waren evenwel ook lid van de Aufsichtsrat van Thyssen. De bekendmaking van de voornemens van Krupp-Hoesch leidde tot felle reacties vanuit de werknemers en politiek. Opvallend genoeg waren deze reacties in belangrijke mate niet tegen Krupp-Hoesch, maar tegen de banken gericht.24 Uiteindelijk zag Krupp- Hoesch onder druk af van haar voornemen tot het doen van een vijandig overnamebod, waarna gesprekken tussen Krupp-Hoesch en Thyssen in het najaar van 1997 alsnog leidden tot een wederzijds ondersteund fusieakkoord. In de publieke opinie markeerde het optreden van Deutsche Bank en Dresdner Bank rond de vijandige overnamepoging een waterscheiding in de perceptie van de overnamemarkt. Waren de Duitse grootbanken van oudsher de partijen die optraden om een ongewenste overname van een Duitse onderneming te verhinderen, nu waren zij juist de partijen die actief en voor eigen gewin meehielpen aan een vijandige overname die tot een groot verlies van banen zou hebben geleid. Commentatoren van Die Zeit constateerden in een beschouwing naar aanleiding van de Krupp-Thyssen casus dat het idee van ‘Deutschland AG’ in toenemende mate onder druk was komen te staan.25
De politieke en beleidsmatige beweging om tot hervormingen in het Duitse ondernemingsrecht voor beursvennootschappen te komen kreeg eind 1999 een nieuwe impuls door de dreigende deconfiture van Philipp Holzmann AG. Holzmann, een beursgenoteerde AG, was met wereldwijd 60.000 werknemers de grootste bouwonderneming van Duitsland en speelde ook internationaal gezien een rol van betekenis in de bouwbranche. Sinds eind jaren ’80 had Holzmann een agressieve strategie van nationale en internationale expansie nagestreefd. Hierdoor was in de loop van de jaren een schuldpositie van DEM 3,2 miljard ontstaan. Begin november 1999 maakt Holzmann bekend dat haar schuldpositie nog eens DEM 2,4 miljard hoger zou uitvallen vanwege de ontdekking van tot dan toe onbekende verplichtingen. Deze extra verplichtingen leidden onmiddellijk tot een situatie van ‘Überschuldung’. In de dagen erna werd tussen de betrokken banken onderhandeld over een noodkrediet van DEM 3,5 miljard, maar uiteindelijk konden de banken het over de laatste DEM 600 miljoen van het benodigde pakket niet eens worden. Holzmann werd uiteindelijk op initiatief van bondskanselier Gerhard Schröder gered van een faillissement. Schröder bracht eind november 1999 vertegenwoordigers van alle betrokken banken terug aan de onderhandelingstafel en wist de onderhandelingen met een toezegging van DEM 250 miljoen aan kredieten en garanties vanuit de Duitse staat vlot te trekken. Op 26 november 1999 sprak Schröder op het hoofdkantoor van Holzmann de beroemde zin uit: “Lieber Freunde, wir haben es geschafft.”26
De Holzmann-casus maakte duidelijk dat de met het KonTraG doorgevoerde wetswijzigingen niet afdoende waren. In mei 2000 besloot de Duitse regering tot het instellen van een ‘Regierungskommission ‘Corporate Governance – Unternehmensführung – Unternehmenskontrolle -Modernisierung des Aktienrechts’, ook wel verkort aangeduid als de ‘Regierungskommission Corporate Governance’. Op 10 juli 2001 publiceerde de Regierungskommission Corporate Governance een lijvig rapport met maar liefst 329 concrete voorstellen.27 De commissie stond onder voorzitterschap van hoogleraar ondernemingsrecht Baums. Zij bestond uit 23 leden en was breed samengesteld uit vertegenwoordigers vanuit de overheid, het bedrijfsleven, de beurs en de wetenschap.28 Daarnaast hadden ook de voorzitters van de grootste Duitse vakbond IG Metall en de Duitse belangenvereniging voor particuliere aandeelhouders (‘Deutsche Schützvereinigung für Wertpapierbesitz’ ofwel DSW) zitting in de commissie.
De oorspronkelijke taakopdracht die bondskanselier Schröder de Regierungskommission Corporate Governance bij haar instelling in mei 2000 had meegegeven, was nog relatief bescheiden geformuleerd: “Die Kommission soll sich aufgrund der Erkenntnisse aus dem Fall Holzmann mit möglichen Defiziten des deutschen Systems der Unternehmensführung und -kontrolle befassen. Darüber hinaus soll sie im Hinblick auf die durch Globalisierung und Internationalisierung der Kapitalmärkte sich vollziehenden Wandels unserer Unternehmens- und Marktstrukturen Vorschläge für eine Modernisierung unseres rechtlichen Regelwerkes unterbreiten.”29 Op 21 juni 2000 publiceerde het Bundeskanzleramt een aanvullende opdracht aan de Regierungskommission Corporate Governance. Deze opdracht was geabstraheerd van de Holzmann-casus en aanzienlijk ambitieuzer geformuleerd: “Die Bundesregierung will mit diesem Schritt den Finanzplatz Deutschland stärken, die Wettbewerbsfähigkeit deutscher Unternehmen weiter verbessern und die Chancen der Internationalisierung der Märkte sowie der rasanten Entwicklung von Informations- und Kommunikationstechnologien nutzen. Das deutsche System der Unternehmensführung und Unternehmenskontrolle soll in seinen Stärken ausgebaut und mögliche Defizite behoben werden, um im Wettbewerb der Corporate Governance Systeme eine führende Rolle zu behaupten. Ziel der Arbeit ist nicht ein Ausbau der Regulierung, sondern deren Anpassung. Es geht dabei um nicht weniger als eine Neujustierung des Verhältnisses von staatlichem Ordnungsrahmen und Instrumenten der Selbstregulierung.”30
In tegenstelling tot de oorspronkelijke doelstelling, die vooral de indruk wekte van een ‘lessons learned’ exercitie ten aanzien van de gebleken tekortkomingen in bestuur en toezicht in het geval van Holzmann, had de herziene doelstelling die nog geen maand later werd gepubliceerd vooral een positieve lading. In zekere zin liep de opdracht aan de Regierungskommission qua thema’s en strekking vooruit op de opdracht die eurocommissaris Bolkestein een jaar later aan de High Level Group of Company Law Experts zou geven (zie §5.2).31 Van de gebruikte formuleringen, bijvoorbeeld het spreken over mogelijke tekortkomingen (“mögliche Defiziten”) in plaats van over gebleken tekortkomingen en het benadrukken van de kansen die de internationale concurrentiestrijd zou bieden, ging op het eerste gezicht ook een zekere kracht uit. Hetzelfde gold voor de bewering dat Duitsland in de internationale concurrentiestrijd op het gebied van corporate governance “eine führende Rolle” zou gaan innemen. De aanzet tot een integrale herbeoordeling van het AG-recht was echter niet vanuit een positie van kracht ingegeven. De Duitse economie verkeerde in de jaren rond de eeuwwisseling in een slechte staat. Vanwege de economische groei die in de jaren vanaf 1995 structureel ÉÉn procent onder het gemiddelde van de andere EMU-landen uitkwam, een structurele werkloosheid van meer dan 10% van de beroepsbevolking en een zeer hoge staatsschuld werd Duitsland in 1999 “the sick man of the euro” genoemd.32 De rood-groene regeringscoalitie van SPD en Die Grünen onder bondskanselier Schröder voerde vanaf 1999 een beleid dat enerzijds op het doorvoeren van bezuinigingsmaatregelen en anderzijds op het implementeren van structurele hervormingen was gericht.33 Een integrale herziening van het kader van wet- en regelgeving met betrekking tot het functioneren van Duitse grote ondernemingen paste goed in deze beleidsagenda.
Zoals hiervoor al is opgemerkt bevatte het rapport van de Regierungskommission een groot aantal aanbevelingen. Veel van deze aanbevelingen waren van technisch-juridische aard. Zij behelsden concrete voorstellen tot het doorvoeren van relatief geringe wijzigingen in specifieke bepalingen van het AktG. De grondtrekken van het Duitse ondernemingsrecht voor beursvennootschappen (zie §7.2.1) werden echter niet ter discussie gesteld.34 De Regierungskommission Corporate Governance liet zich dan ook niet in normatieve termen uit over de verhouding tussen de verschillende organen binnen (beurs-)AG’s in het algemeen of over de positie van aandeelhouders in het bijzonder. De voorstellen van de commissie met betrekking tot de positie van aandeelhouders lagen dan ook grotendeels in een rechtstreeks verlengde van de bestaande rechten en bevoegdheden van aandeelhouders op grond van het AktG. Een uitzondering betrof het voorstel van de Regierungskommisison Corporate Governance om voor minderheidsaandeelhouders een vorm van afgeleide actie open te stellen om in rechte nakoming te vorderen van aanspraken van de AG tegen leden van de Vorstand en/of Aufsichtsrat op schadevergoeding of anderszins.35 Een andere uitzondering werd gevormd door de voorstellen rond de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor het doen van misleidende mededelingen aan de markt en in het verlengde hiervan de voorstellen om een collectieve actie voor beleggers voor het te gelde maken van deze vorderingen mogelijk te maken.36 Deze voorstellen waren ingegeven door de schandalen in 2000 en 2001 rond enkele jonge beursondernemingen die aan de Neuer Markt waren genoteerd.37 Voor het overige waren de voorstellen van de Regierungskommission Corporate Governance met betrekking tot aandeelhouders weinig spectaculair.
De voorstellen van de Regierungskommission Corporate Governance lijken niet door normatieve overwegingen, maar vooral door pragmatische overwegingen te zijn gedreven. De voorstellen met betrekking tot aandeelhouders gingen niet allemaal in de richting van een versterking van hun positie. Zo waren de wijzigingen die de Regierungskommission ten aanzien van de regeling van de ‘Anfechtungsklage’ waarmee aandeelhouders op vernietiging van een besluit van de Hauptversammlung konden aansturen deels erop gericht om de regeling beter bruikbaar te maken, maar voor een belangrijk deel ook om nadere beperkingen aan te brengen teneinde misbruik tegen te gaan.38 Ook besloot de Regierungskommission Corporate Governance om in weerwil van nadrukkelijke verzoeken vanuit de praktijk en de wetenschap geen uitbreiding van §119 AktG met een goedkeuringsrecht van aandeelhouders ten aanzien van majeure transacties in de zin van de Holzmüller-doctrine voor te stellen.39 Met betrekking tot de Vorstand en de Aufsichtsrat deed de Regierungskommission Corporate Governance ook gebalanceerde voorstellen. Zo stond tegenover de voorstellen om minderheidsaandeelhouders de mogelijkheid van een afgeleide actie tegen leden van de Vorstand te geven het voorstel om voor de Vorstand juist een Duitse variant op de ‘business judgment rule’ in §93 AktG op te nemen.40 Alles overziende bleef de Regierungskommission Corporate Governance in haar rapport niet alleen weg van normatieve beschouwingen over de positie van aandeelhouders, maar ook van het doen van voorstellen die tot een materiële verschuiving in de juridische positie van aandeelhouders zouden leiden.
Ook op het punt van deregulering hanteerde de Regierungskommission Corporate Governance een pragmatische insteek. Dit kwam ook duidelijk tot uiting in de voorstellen van de commissie ten aanzien van het opstellen van een Duitse corporate governance code.41 De Regierungskommission Corporate Governance stelde concreet een Duitse code naar Brits voorbeeld op basis van een ‘comply or explain’ mechanisme voor, maar benadrukte daarbij wel dat de Duitse wetgeving al in grote lijnen voldeed aan de eisen die internationale codes zoals de OECD Principles of Corporate Governance 1999 aan de governance van beursgenoteerde ondernemingen stelden. Een Duitse code zou volgens de commissie vooral een meerwaarde hebben als verkorte weergave van de toepasselijke wet- en regelgeving in een vorm waarmee internationale beleggers uit de voeten zouden kunnen.42 Daarnaast zag de Regierungskommission Corporate Governance waarde in een code als levend instrument van zelfregulering voor de ontwikkeling van aanvullende best practices. Niet voor niets deed de commissie bij een deel van haar eigen voorstellen de aanbeveling om de betreffende materie in een code te regelen in plaats van via wetgeving. In algemene zin maakte de Regierungskommission over het dereguleringspotentieel van een Duitse code echter een duidelijk voorbehoud: “Freilich kann sich ein Abbau zwingender Gesetzesvorschriften nach Ansicht der Regierungskommission nur auf solche Vorschriften, etwa Verfahrens- und Verhaltensvorschriften, beziehen, die einer flexiblen Anpassung an besondere Verhältnisse bedürfen, nicht dagegen auf grundlegende Prinzipien der deutschen Unternehmensverfassung, die der Entscheidung und Ordnung durch den Gesetzgeber vorbehalten bleiben müssen. Auch ist vor der Gefahr zu warnen, durch einen Corporate Governance- Kodex ein weiteres Regelwerk zu schaffen, das deutschen Unternehmen zusätzliche entbehrliche Regulierungskosten aufbürdet.”43
Al snel na de publicatie van het rapport van de Regierungskommission Corporate Governance werden de eerste concrete maatregelen naar aanleiding van voorstellen uit het rapport al in gang gezet. Zo werd in september 2001 door het Duitse Ministerie van Justitie de ‘Regierungskommission Deutscher Corporate Governance Kodex’ onder voorzitterschap van Cromme ingesteld die al in februari 2002 met een eerste versie van de Duitse corporate governance code (‘Deutscher Corporate Governance Kodex’, doorgaans afgekort tot ‘DCGK’) naar buiten trad.44 De DCGK bevatte drie typen bepalingen. In de eerste plaats bevatte de DCGK een (verkorte) weergave van het wettelijk kader inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende organen van de AG en de rechten en verplichtingen van elk van die organen. Deze bepalingen waren te herkennen aan het gebruik van de werkwoorden ‘hat’ of ‘muss’ en waren als weergave van het wettelijk kader alleen voor informatiedoeleinden – met name gericht op buitenlandse beleggers – opgenomen. De tweede categorie bepalingen waren de ‘Empfehlungen’ (aanbevelingen). Dit waren de door de DCGK voorgestelde best practices, te herkennen aan het werkwoord ‘soll’. Tot slot bevatte de DCGK nog een zachtere categorie ‘Anregungen’ (aansporingen) die met gebruik van werkwoorden als ‘sollte’ of ‘kann’ werden aangeduid.
Vlak voor de Duitse verkiezingen medio 2002 werd ook nog het ‘Transparenz- und Publizitätsgesetz’ (TransPuG) vastgesteld.45 Met het TransPuG werd de positie van de Aufsichtsrat ten opzichte van de Vorstand versterkt, onder meer door introductie van het voorschrift van §111 lid 2 AktG op grond waarvan de statuten of het reglement van de Aufsichtsrat een regeling dienden te bevatten over besluiten van de Vorstand die ter goedkeuring aan de Aufsichtsrat moeten worden voorgelegd. Daarnaast bevatte het TransPuG onder meer een regeling op basis van het ‘comply or explain’ mechanisme tot wettelijke verankering van de DCGK (§161 AktG). Op grond van dit artikel moesten Vorstand en Aufsichtsrat Duitse beursvennootschappen jaarlijks een verklaring ten aanzien van de DCGK publiceren (de ‘Entsprechenserklärung’) in het jaarverslag of anderszins, waarin zij moesten aangeven of de vennootschap de ‘Empfehlungen’ uit de DCGK toepaste en zo niet, waarom van de betreffende Empfehlung of Empfehlungen werd afgeweken. Over de naleving van de zachtere categorie van Anregungen behoefde op grond van §161 AktG niet te worden gerapporteerd.
Na de verkiezingen, waarbij de rood-groene coalitie van Bondskanselier Schröder de meerderheid in de Bundestag had weten te behouden, zette de Duitse regering de implementatie van haar ambitieuze hervormingsagenda voort. In maart 2003 kondigde Schröder in een toespraak voor de Bundestag de ‘Agenda 2010’ aan, een programma van ingrijpende hervormingen op onder meer het gebied van de sociale zekerheid.46 Ook op het gebied van het ondernemingsrecht werd de vaart erin gehouden. Ter verklaring kan worden gewezen op de aanhoudende stroom van schandalen rond Duitse ondernemingen met een notering aan de Neuer Markt. Eind 2002, op het moment dat de Neuer Markt door de Deutsche Börse werd afgeschaft, was de totale beurswaarde van de Neuer Markt ten opzichte van het historisch hoogtepunt in 2000 met 95% gedaald47 en verkeerden maar liefst 46 ondernemingen die op enig moment aan de Neuer Markt waren genoteerd in staat van faillissement.48 Ook het definitieve faillissement van de beursgenoteerde bouwonderneming Philipp Holzmann AG in maart 2002 – de reddingsoperatie van Schröder eind 1999 ten spijt -, het faillissement van het industriële concern Babcock Borsig AG in juli 2002, de ternauwernood met staatssteun afgewende dÉconfiture van telecombedrijf Mobilcom AG in de zomer van 2002 en de zware verliezen van Deutsche Telecom AG in 2002 en 2003 (op dat moment nog voor 43% een staatsdeelneming) als gevolg van risicovolle acquisities in de Verenigde Staten en hoge lasten uit de UMTS-veilingen zullen naar alle waarschijnlijkheid hebben bijgedragen aan de gevoelde noodzaak om de hervormingen op het terrein van het ondernemingsrecht door te zetten.49 Ook vanuit de wetenschap werd nog altijd aangedrongen op het doorvoeren van nieuwe maatregelen, in het bijzonder op het gebied van beleggersbescherming.50
Op 25 maart 2003 publiceerde de Duitse Bondsregering een ‘Maûnahmenkatalog zur Stärkung der Unternehmensintegrität und des Anlegerschutzes’.51 De Maûnahmenkatalog bevatte tien actiepunten die op korte termijn in gang zouden worden gezet. De centrale doelstelling van de maatregelen was volgens de Duitse Minister van Financiën Eichel om de bescherming van beleggers tegen marktmanipulatie en misleidende informatie met betrekking tot effecten te verbeteren.52 De aangekondigde maatregelen hadden vooral betrekking op wijzigingen in het Duitse financieel toezichtsrecht, maar daarnaast waren ook maatregelen op het gebied van het jaarrekeningenrecht en het AG-recht voorzien. Als eerste punt noemde de Maûnahmenkatalog: “Persönliche Haftung von Vorstands- und Aufsichtsratsmitgliedern gegenüber der Gesellschaft: Verbesserung des Klagerechts der Aktionäre” en als tweede punt “Einführung der persönlichen Haftung von Vorstands- und Aufsichtsratmitgliedern gegenüber Anlegern für vorsätzliche oder grobfahrlässige Falschinformationen des Kapitalmarktes; Verbesserung der kollektiven Durchsetzung von Ansprüchen der Anleger.” Beide punten zijn te herleiden tot voorstellen van de Regierungskommission Corporate Governance. Deze voorstellen zouden in vervolg op de Maûnahmenkatalog versneld worden uitgevoerd.
De meest wezenlijke wetswijzigingen in het AG-recht die in het verlengde van de Maûnahmenkatalog in het AG-recht zijn doorgevoerd, lagen besloten in het ‘Gesetz zur Unternehmensintegrität und Modernisierung des Anfechtungsrechts’ (UMAG) waarvan in november 2004 het eerste voorstel werd gepresenteerd.53 De belangrijkste onderdelen van het UMAG waren de regeling met betrekking tot de ‘Aktionärsklage’ (§147-149 AktG) enerzijds en de invoering van de Business Judgment Rule in §93 AktG anderzijds.54 Met de nieuwe regeling voor de Aktionärsklage introduceerde het UMAG een vorm van afgeleide actie voor aandeelhouders in Duitse AG’s, terwijl met de Business Judgment Rule tot uitdrukking werd gebracht dat de Vorstand bij de vervulling van zijn taak een zekere bescherming toekwam tegen aansprakelijkheidsrisico’s in verband met bona fide en zorgvuldig genomen ondernemingsbeslissingen. Daarnaast werd de wettelijke regeling over de Anfechtungsklage (§245 e.v. AktG) waarmee aandeelhouders in rechte op de vernietiging van vennootschappelijke besluiten konden aansturen ingrijpend gewijzigd. Tot slot werd nog een aantal nieuwe regels geïntroduceerd die tot doel hadden de communicatie tussen aandeelhouders te verbeteren (onder meer in de vorm van het ‘Aktionärsforum’ van §127a AktG) en om de gang van zaken tijdens aandeelhoudervergaderingen te stroomlijnen. Het wetgevingsproces verliep wederom snel: het UMAG trad al in november 2005 in werking. Ook het ‘Kapitalanleger-Musterverfahrengesetz’ (KapMuG), waarmee voor beleggers een vorm van collectieve actie werd opengesteld, werd per november 2005 van kracht.55 Op grond van het KapMuG werd het mogelijk om in geval van een veelheid aan vergelijkbare gerechtelijke procedures tot vergoeding van schade ÉÉn van die procedures als representatief proefproces (‘Musterverfahren’) te bestempelen, waarbij de inhoudelijke uitkomst van het proefproces wat betreft de feiten en rechtsvragen vervolgens als bindend zou gelden in de overige individuele procedures. Ondertussen was de uitvoering van de verschillende wetgevingsinitiatieven op het gebied van het financieel toezichtrecht, inclusief de omzetting van Europese richtlijnen zoals de EU Prospectusrichtlijn ook voorspoedig verlopen.56
Uiteindelijk was met al deze wetgevingsinspanningen de uitvoering van het tien-puntenprogramma van de Maûnahmenkatalog eind 2005 zo goed als afgerond. Alleen het wetsvoorstel voor een ‘Kapitalmarktinformationshaftungsgesetz’ (KapInHaG) waarmee de civielrechtelijke aansprakelijkheid van Vorstand en Aufsichtsrat voor misleidende mededelingen aan de markt geregeld had moeten worden, haalde de eindstreep niet.57 Zoals hiervoor opgemerkt was het initiatief uit de Maûnahmenkatalog dat met het KapInHaG verwezenlijkt had moeten worden terug te voeren op de misstanden rond de Neuer Markt. De Bondsregering zag het creëren van een specifieke persoonlijke aansprakelijkheidsgrond voor bestuurders en commissarissen als een adequaat middel om de op de Neuer Markt gebleken voorvallen van marktmanipulatie en misleiding van beleggers tegen te gaan. Hoewel de aansprakelijkheidsdrempel voor individuele bestuurders en commissarissen onder het voorgestelde KapInHaG relatief hoog lag – voor aansprakelijkheid was vereist dat de misleiding aan opzet of grove nalatigheid van de betreffende functionaris te wijten was – stuitte het ontwerp op fel verzet vanuit de Duitse industrie en vanuit de FDP-fractie in de Bundestag.58 Uiteindelijk besloot de regering eind 2004 om de introductie van een definitief wetsvoorstel in de Bundestag voor onbepaalde tijd uit te stellen. Afgezien daarvan heeft de regering van bondskanselier Schröder, aan wiens tweede termijn na verkiezingen in oktober 2005 een einde kwam, in korte tijd vrijwel al haar beleidsvoornemens op het gebied van het ondernemingsrecht en financieel toezichtrecht voor Duitse beursvennootschappen uitgevoerd.
Het proces van herziening van het Duitse ondernemingsrecht voor beursvennootschappen is sindsdien nog altijd gaande, een verschijnsel dat in de literatuur ook wel als “Aktienrechtsreform im Permanenz” wordt aangeduid.59 Op nagenoeg doorlopende basis worden wijzigingen voorbereid in het AG-recht, in het op beursvennootschappen toepasselijk financieel toezichtrecht en in bijzondere wetten.60 Hierbij is sprake van een dynamisch wetgevingsproces dat wordt gekenmerkt door relatief korte doorlooptijden en door een gebleken bereidheid om in opeenvolgende wetgevingstrajecten terug te komen op eerder doorgevoerde wetswijzigingen indien daar aanleiding toe bestaat. Zo werd de uitgebreide regeling inzake het ‘Freigabeverfahren’ van §246a AktG die in 2005 met het UMAG was geïntroduceerd al in 2008 opnieuw beoordeeld in het kader van de implementatiewetgeving van de EU Richtlijn Aandeelhoudersrechten (‘Aktionärsrechte Richtlinie Umsetzungs Gesetz’) en in 2009 gewijzigd.61 De reden hiervoor was dat de met het UMAG geïntroduceerde regeling bij nader inzien toch niet een voldoende efficiënt middel bleek tegen misbruik van het Anfechtungsrecht door ‘räuberische Aktionäre’.62 Ook wordt via wetgeving relatief snel op nieuwe ontwikkelingen ingespeeld. Zo gaf de overnamepoging van Volkswagen AG door Porsche AG eind 2008 waarbij Porsche via contractuele arrangementen de meldingsplichten op grond van het ‘Wertpapierhandelsgesetz’ (WpHG) over een achter de schermen opgebouwd belang in Volkswagen wist te omzeilen63 aanleiding tot een beleidsmatige en maatschappelijke discussie over de vraag of het systeem van wettelijke meldingsplichten nog adequaat was in het licht van het nieuwe verschijnsel van synthetische aandelenbelangen.64 In mei 2010 publiceerde de Bondsregering een discussiestuk voor wetgeving op dit punt65 en de uiteindelijke wettelijke regeling, het ‘Gesetz zur Stärkung des Anlegerschutzes und Verbesserung der Funktionsfähigkeit des Kapitalmarkts’ (verkort aangeduid als het ‘Anlegerschutz- und Funktionsverbesserungesetz’, ofwel AnsFuG) werd in april 2011 van kracht.66 Ook op nieuwe fenomenen zoals hedge funds werd vrij snel via wetgeving gereageerd.67 Naast wetgeving werd ook de DCGK op vrijwel jaarlijkse basis herbeoordeeld en op punten aangepast. Als zodanig is het Duitse ondernemingsrecht voor beursvennootschappen voor alles een dynamisch geheel.