Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.9.3.2
2.9.3.2 LAB en VAB: kwijtschelding door directeur of inspecteur
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS462068:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal strafrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Kort daarvoor had de minister echter nog te kennen gegeven dat de kwijtscheldingsbevoegdheid, welke gezien de bijzondere omstandigheden tijdelijk aan de inspecteurs was toegekend, aan de directeurs moest toekomen ter bevordering van de eenheid van beleid. Hierop werd slechts één uitzondering gemaakt, nl. de kwijtschelding van de verhoging tot op 25 procent naar aanleiding van een vrijwillige verbetering (zie Resolutie van 4 mei 1953, no. 175, V-N 1953, blz. 291- 292).
Van Oosterom, WFR 1962/250.
Van Oosterom haalt vervolgens een voorbeeld van een moeilijk te beoordelen verzachtende omstandigheid aan: (het gebrek aan) medewerking van de zijde van belastingplichtige. Volgens hem staat dit nl. op gespannen voet met het feit dat de belastingplichtige niet hoeft mee te werken aan zijn eigen ‘veroordeling’.
Zie Bijl, WFR 1972/88.
Aanvankelijk was de wetgever voornemens de kwijtscheldingsbevoegdheid bij de inspecteur te leggen.1 In het LAB 1961 is de kwijtscheldingsbevoegdheid echter aan de directeur voorbehouden (paragraaf 10). Van Oosterom2 is van mening dat dit de rechtsgelijkheid kan bevorderen, omdat de directeur op een grotere afstand staat dan de aanslagregelend ambtenaar; deze laatste heeft vaak een te subjectief oordeel vanwege zijn nauwe betrokkenheid bij de zaak. Volgens Van Oosterom kan het bij de beoordeling van verzachtende omstandigheden voorkomen dat de inspecteur of aanslagregelend ambtenaar zijn zicht laat vertroebelen door omstandigheden die voor een juiste straftoemeting niet ter zake doende zijn.3
Overigens was van een reëel kwijtscheldingsbeleid door de directeur vermoedelijk geen sprake. In paragraaf 10 van het LAB 1961 staat direct na de kwijtscheldingsbevoegdheid ten aanzien van verzachtende omstandigheden dat bij ‘het verlenen van kwijtschelding […] bij voorkeur de hand wordt gehouden aan de in de richtlijnen genoemde percentages en bedragen’. Aangezien zowel de directeur als de inspecteur aan dezelfde richtlijnen waren gehouden, kwam het veelal niet tot kwijtschelding. Dit heeft geleid tot een gewijzigde redactie van de kwijtscheldingsbepaling in de LAB 1971.4
Ook is in het LAB 1971 een bepaling opgenomen (paragraaf 20, lid 4) die de directeur de mogelijkheid biedt om zaken aan het ministerie voor te leggen wanneer er zijns inziens geen sprake is van verzachtende omstandigheden, maar er toch een wanverhouding is tussen de ernst van het feit en de hoogte van de boete dan wel bijzondere omstandigheden aanwezig worden geacht die kwijtschelding van de boete rechtvaardigen. Deze bepaling is naar mijn mening te beschouwen als een begin van de erkenning van de noodzaak tot individuele straftoemeting door het bestuursorgaan. Daarbij plaats ik wel de kanttekening dat de staatssecretaris deze verdergaande kwijtscheldingsbevoegdheid (nog) niet bij de inspecteur zelf neer wilde leggen, maar bij het ministerie.
Overigens was het volgens paragraaf 20 LAB 1971 nog steeds de regel dat de directeur pas van zijn kwijtscheldingsbevoegdheid gebruik maakte wanneer de aanslag met verhoging reeds onherroepelijk vaststond.
Uiteindelijk is in het VAB 1993 de kwijtscheldingsbevoegdheid aan de inspecteur toebedeeld, met dien verstande dat hij nog steeds niet zelfstandig mocht beslissen over de nadere kwijtschelding op grond van een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de hoogte van de boete of verzachtende, bijzondere of financiële omstandigheden. Hiervoor diende hij namelijk (eerst) overleg te plegen met de coördinator-AWR of de contactambtenaar AWR (paragraaf 26 VAB 1993). Pas met de komst van het BBBB per 1 januari 1998 kan de inspecteur zelf beslissen over de mate van de (nadere) kwijtschelding of strafvermindering, die hij dan ook direct bij het opleggen van de boete kan toepassen.