Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/21.4.2.3:21.4.2.3 De rol van het vennootschappelijk belang bij onttrekkingen
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/21.4.2.3
21.4.2.3 De rol van het vennootschappelijk belang bij onttrekkingen
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS409118:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 17.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het is denkbaar dat een uitkering niet op afzienbare termijn zal leiden tot continuïteitsproblemen, maar wel degelijk in strijd is met het belang van de vennootschap.1 Bij de eenpersoons-BV zal deze situatie zich niet snel voordoen, maar indien de vennootschap een meer geïnstitutionaliseerde onderneming drijft, waarbij meer belangen betrokken zijn dan die van de aandeelhouders en van de crediteuren met een opeisbare vordering, is dit goed mogelijk. In dat geval zullen de stakeholders van de vennootschap niet uitsluitend een belang hebben bij de voldoening van hun opeisbare vorderingen, maar ook bij voortduring van hun relatie met de vennootschap. Deze belangen komen tot uitdrukking in het belang van de vennootschap. De formulering van de goedkeuringsbevoegdheid in art. 2:216 lid 2 BW en de toelichting daarbij wekken de suggestie dat bestuurders en aandeelhouders geen rekening hoeven te houden met het vennootschappelijk belang bij uitkeringen, zolang niet voorzienbaar is dat de vennootschap op afzienbare termijn in betalingsproblemen zal komen. Ik meen echter dat een aandeelhouder bij een vermogensonttrekking niet altijd voorbij mag gaan aan het zelfstandige belang van de vennootschap. Indien sprake is van een grote, geïnstitutionaliseerde onderneming, volgt uit art. 2:8 BW dat de aandeelhouder zich zal moeten onthouden van vermogensonttrekkingen die ernstig in strijd zijn met de strategie van de vennootschap. Dit uitgangspunt lees ik ook in de eindbeschikking van de OK in de PCM-procedure.