Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/4.8.4
4.8.4 Aankondiging verzoeken CIR
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708367:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk Schimmelpenninck 2012, p. 235-236.
Gelet op artikel 176 lid 1 Fw ligt het voor de hand dat het bekendmaken van een voorgenomen handeling niet nodig is als de waarde van de te verkopen goederen niet meer bedraagt dan EUR 2.000. Vergelijk ook Verstijlen, TvI 2008/4, waar hij terecht stelt dat het overtrokken is dat de curator de verkoop van elke nietmachine vooraf kenbaar zou moeten maken. Mijn bezwaar tegen zijn gedachte om alleen ‘majeure zaken’ zoals ‘de overdracht van een onderneming’ vooraf kenbaar te maken is dat dit in de praktijk tot de discussie kan leiden wat kan worden gekwalificeerd als majeure zaak of overdacht van een onderneming.
In de regel verstrekt de curator pas informatie over een bepaalde handeling, nadat de rechter-commissaris de handeling heeft goedgekeurd en de handeling door de curator is uitgevoerd. Hoewel het CIR Besluit de informatievoorziening aanzienlijk verbetert, blijft het gaan om informatie die achteraf wordt verstrekt. Voor schuldeisers en andere belanghebbenden is het daardoor lastig invloed uit te oefenen op de afwikkeling van het faillissement. In de inleiding van dit hoofdstuk schreef ik over de wet van de voldongen feiten die dan in werking treedt.
De mogelijkheid voor schuldeisers en andere belanghebbenden om invloed uit te oefenen op het faillissement wordt fors verbeterd wanneer de curator wettelijk wordt verplicht belangrijke handelingen vooraf aan te kondigen via het CIR.1 Dergelijke belangrijke voorgenomen handelingen zijn in ieder geval de handelingen die het Voorontwerp Insolventiewet vermeldt, namelijk de onderhandse verkoop van goederen (art. 176 Fw in verbinding met art. 101 en 175 Fw)2 en het aangaan van vaststellingsovereenkomsten of schikkingen (art. 104 Fw). Andere belangrijke voorgenomen handelingen die de curator volgens mij vooraf zou moeten aankondigen zijn het voortzetten van het bedrijf tijdens de beheerfase (art. 98 Fw) en het optreden in rechte (art. 68 lid 3 en 78 lid 1 Fw). Een aantal andere handelingen waarvoor goedkeuring van de rechter-commissaris of advies van de schuldeiserscommissie nodig is, behoeft niet aangekondigd te worden. Het gaat dan om handelingen als de opzegging van een huurovereenkomst (art. 39 Fw) of een arbeidsovereenkomst (art. 40 Fw). Deze handelingen treffen met name specifieke belanghebbenden, in het geval van artikel 39 Fw de verhuurder en in het geval van artikel 40 Fw de werknemer.
Bij een regeling over de aankondiging van voorgenomen handelingen zou ik deels willen aansluiten bij het Voorontwerp Insolventiewet, maar niet volledig. In het Voorontwerp komt de aankondiging en de mogelijkheid voor schuldeisers om op te komen tegen de genoemde voorgenomen handelingen in plaats van goedkeuring door de rechter-commissaris of het advies door de schuldeiserscommissie. Wat mij betreft is dat niet het geval en is de aankondiging bedoeld om schuldeisers en andere belanghebbenden in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te dienen bij de curator, rechter-commissaris en/of de schuldeiserscommissie.
In het Voorontwerp Insolventiewet moet de curator een termijn van zeven dagen in acht nemen voordat hij de voorgenomen handeling daadwerkelijk uitvoert. Als iedereen met toegang tot het CIR een melding ontvangt zodra een aankondiging is gedaan in het CIR, is een termijn van drie dagen voor het indienen van een zienswijze voldoende. Deze termijn sluit aan bij de opschortingstermijn die de curator in acht moet nemen bij een negatief advies van de schuldeiserscommissie (art. 79 Fw). Pas na die termijn van drie dagen kan de rechter-commissaris een beslissing nemen en/of kan de schuldeiserscommissie een advies uitbrengen. Gebeurt dat op een eerder moment, dan kan de zienswijze geen invloed hebben op de beslissing, het advies en/of de handeling. Mede omdat de termijn aanvullend is op de tijd die het kost om een advies van de schuldeiserscommissie of een beslissing van de rechter-commissaris te krijgen, is een korte termijn noodzakelijk.
In het Voorontwerp Insolventiewet is opgenomen dat de rechter-commissaris in spoedeisende gevallen toestemming kan geven om af te wijken van de regeling over de aankondiging van een voorgenomen handeling. Die mogelijkheid om af te wijken is inderdaad wenselijk, niet alleen in spoedeisende gevallen, maar ook in andere gevallen waarin van de curator niet gevergd kan worden dat hij zich houdt aan de regeling. De rechter-commissaris moet daarom kunnen afwijken van de regeling in die zin dat de curator een voorgenomen handeling in het geheel niet hoeft aan te kondigen, maar ook dat de opschortingstermijn wordt verkort of dat specifieke gegevens in de aankondiging worden weggelaten, bijvoorbeeld in verband met de privacy van betrokkenen of de noodzaak van geheimhouding.