Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/3.3.5
3.3.5 De wezenlijke tekortkoming
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS376340:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hartlief 1994, p. 204-214.
Hartlief 1994, p. 212. Het voorstel van Hartlief is moeilijk te volgen op het punt van de bewijslast. Aan de ene kant wil Hartlief op de schuldeiser de stelplicht leggen ten aanzien van de ernst van de tekortkoming, terwijl hij (in een poging zijn voorstel vorm te geven binnen het huidige art. 6:265) aan de andere kant de schuldenaar wil belasten met de bewijslast en het bewijsrisico. De schuldenaar dient volgens Hartlief aan te tonen waarom er geen sprake is van een wezenlijke tekortkoming, Hartlief 1994, p. 219. Alhoewel Hartlief verwijst naar de flexibiliteit van de bewijsregels die uitzonderingen toestaan, vergroot deze tournure de slagkracht van zijn voorstel niet. Stelplicht en bewijslast gaan in de regel immers hand in hand (art. 150 Rv). Vgl. Asser 2004, nr. 21. In zijn dissertatie heeft Bakels voorgesteld dat een schuldeiser in beginsel niet kan ontbinden indien hem andere, minder ingrijpende, rechtsmiddelen ten dienste staan, de zogenaamde leer van het redelijk alternatief. In een recente publicatie licht Bakels toe dat hij in zijn voorstel geen wijziging wil aanbrengen in de stelplichten zoals die gelden onder het huidige art. 6:265 lid 1, zie Bakels 2007, p. 14. Onder de leer van het redelijk alternatief kan de schuldeiser volgens Bakels volstaan met het stellen van de wettelijke vereisten voor ontbinding (een tekortkoming in de nakoming van een wederkerige overeenkomst) en dient de schuldenaar als verweer gemotiveerd te stellen dat hij door algehele ontbinding onnodig of anders zins onredelijk nadeel lijdt. De schuldeiser dient dit vervolgens te ontkrachten en dient daarbij voorts aannemelijk te maken dat voor hem redelijkerwijs geen andere juridische wegen openstaan dan (de gekozen vorm van) ontbinding. Ook Bakels trekt op deze wijze de stelplicht en bewijslasten c.q. bewijsrisico m.i. onnodig uit elkaar, vermoedelijk eveneens om de door hem voorgestane systeemwijziging in te bouwen in het bestaande art. 6:265 lid 1. Een logischer verdeling van stelplichten en bewijslasten is m.i. de schuldeiser te belasten met de stelplicht en bewijslast ten aan- zien van het bestaan van de tekortkoming, alsmede het ontbreken van een redelijk alternatief (hetgeen natuurlijk door de schuldenaar betwist kan worden), en de schuldenaar te belasten met de stelplicht en bewijslast inzake het verweer dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Valk houdt evenmin vast aan de koppeling die in beginsel bestaat tussen stelplicht en bewijslast. Hij reduceert in het kader van ontbinding de stelplichten tot `argumentatielasten' en legt de bewijsleveringsverdeling vervolgens (praktisch) geheel bij de rechter. Hierbij gaat ook Valk m.i. voorbij aan de hoofdregel van art. 150 Rv, zie Valk 2003, p. 136. M.i. terecht gaat Asser er dan ook van uit dat ook bij ontbinding de bewijslast volgens de hoofdregel van art. 150 Rv voortvloeit uit de stelplicht, zie Asser 2004, nr. 247.
Hartlief 1994, p. 204-207.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 7, p. 136.
De consumentkoper wordt beschermd door het bewijsvermoeden van art. 7:18 lid 2. Indien de non-conformiteit optreedt binnen 6 maanden na ontvangst van de zaak, wordt vermoed dat de zaak ook op het moment van de bezitsverschaffing niet aan de overeenkomst beantwoordde.
Vgl. Ferrari, Flechtner & Brand 2004, art. 46, nr. 11.
Held 2005, p. 57. In plaats van het terugvervoeren van de ondeugdelijke zaken kan de verkoper deze natuurlijk ook proberen te verkopen in de omgeving waar zij zich bevinden (bij de koper). Voor een verkoper zonder netwerk op die buitenlandse markt zal ook die optie niet aantrekkelijk zijn, zie Boghossian 2000, p. 20. Vanwege de verplichting van de verkoper om in het kader van vervanging een tweede lading zaken te vervoeren, is vervanging wel eens als een ingrijpender remedie dan ontbinding geduid, zie Koch 1999, p. 311 noot 484; en Enderlein & Maskow 1992, p. 178. Het feit dat bij vervanging de contractsband intact blijft, maakt deze remedie volgens Bakels echter minder ingrijpend dan ontbinding, zie Bakels 1993, p. 261.
Vooral in het kader van art. 49 (ontbinding) jo. 25 CISG. Zie bijv. Ferrari, Flechtner & Brand 2004, art. 25 nr. 1-12; alsmede de online verzamelingen van CISG-rechtspraak op <http://www.cisg-online.ch/cisg/individual_case_search.php>; en <http://www.unilex.info/dynasite.cfm?dssid=2376&dsmid=14315>.
Bijv. Lubbe 2004, p. 444-472; en de online gepubliceerde artikelen op
Ferrari 2006, p. 501-502; en Ferrari, Flechtner & Brand 2004, art. 46, nr. 11-16.
Bijv. Bakels 2007, p. 17-21; en Beenders & Van 't Hullenaar 2005, p. 904-905.
Valk 2003, p. 135.
Zo ook Valk die meent dat een wijziging van de stelplicht geen soelaas zal bieden, omdat de rechter bij verstekzaken nauwelijks inhoudelijk toetst (art. 139 Rv).
Asser/Abas 2007 (Ha), nr. 90, met jurisprudentieverwijzingen. In een aantal recente uitspraken is echter ook in huurzaken de hoofdregel van art. 6:265 lid 1 toegepast, zie bijv. Hof 's-Gravenhage 18 augustus 2006, PRG 2006, nr. 164 overweging 18 en Hof 's-Gravenhage 22 september 2006, PRG 2007, 4 overweging 6. Ook Dozy & Huydecoper 2006, art. 7:231, nr. 2c, gaan uit van een beperkte afwegingsvrijheid voor de rechter als de tekortkoming vaststaat.
Asser/Abas 2007 (Ha), nr. 90.
Schelhaas 2007, p. 80. Zie ook de Conclusie van A-G Huydecoper onder 13 bij HR 29 februari 2008, RvdW 2008, 290, bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de ontbinding moet het gewicht van de tekortkoming worden afgezet tegen het woonbelang van de huurder.
Schelhaas 2007, p. 81.
Zo ook Asser/Hartkamp 2005 (4-II), nr. 516; Valk 2003, p. 133; Den Hoed 2007, p. 254-256; Stolp 2007a, p. 140 en 162-173; en Stolp 2007b, p. 186-192. De tenzij-formule heeft de potentie om zowel de leer van de wezenlijke tekortkoming als de leer van het redelijk alternatief te omvatten, zie Bakels 1993, p. 228-229: `Het is duidelijk dat de wetgever met 'de geringe betekenis van de tekortkoming' bedoelt dat de ernst daarvan moet worden afgewogen tegen de gevolgen van een eventuele ontbinding, mede in het licht van eventuele alternatieven.' Anders Stolp 2007a, p. 136-143, 158-161 en 170-173 zij meent dat de tenzij-formule geen ruimte biedt voor de afweging van een redelijk alternatief, maar slechts voor gedeeltelijke in plaats van alghele ontbinding. Voor een opsomming van de omstandigheden waarbij de rechter in het kader van de uitzonderingsformule van art. 6:265 lid 1 rekening kan houden, zie Hartlief (Verbintenissenrech), art. 6:265, aant. 7. Hijma sluit niet uit dat de uitzonderingsformule in de toekomst (geleidelijk) ruimhartiger zal worden toegepast, zie Asser/Hijma 2007 (5-I), nr. 497.
Krachtens art. 6:265 lid 1 heeft een schuldeiser bij iedere tekortkoming van de wederpartij de bevoegdheid de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Hartlief heeft in zijn dissertatie gepleit voor een systeem waarin niet 'iedere tekortkoming', maar alleen een 'wezenlijke tekortkoming' de ontbindingsbevoegdheid doet ontstaan. Een terughoudend gebruik van de ontbindingsremedie is volgens Hartlief op zijn plaats, omdat ontbinding de doorbreking van de contractsband als gevolg heeft.1 De door Hartlief voorgestane systeemwijzing komt tot uitdrukking in een herschikking van de stelplichten. Het geldende recht legt op de schuldeiser de stelplicht dat de schuldenaar tekortschiet. De schuldenaar kan zich tegen de gevorderde ontbinding verweren met de stelling dat de tekortkoming gezien haar aard of geringe betekenis de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Volgens Hartlief zou de schuldeiser niet moeten kunnen volstaan met de stelling dat een tekortkoming voorligt, maar zou hij moeten stellen dat zijn wederpartij een voldoende ernstige tekortkoming heeft gepleegd.2 Hartlief baseert zijn voorstel voor de wijziging van het ontbindingsregime onder meer op het feit dat voor het recht op ontbinding in de ons omringende landen en in internationale regelingen het vereiste van een wezenlijke tekortkoming geldt.3 Het verweermiddel dat een tekortkoming onvoldoende ernstig is om de ingeroepen remedie te rechtvaardigen, is echter niet alleen terug te vinden bij ontbinding, maar ook bij het recht van de (niet-consument)koper op vervanging na aflevering van een non-conforme zaak (art. 7:21 lid 1 onder c).4 Artikel 7: 21 lid 1 onder c luidt:
Beantwoordt het afgeleverde niet aan de overeenkomst, dan kan de koper eisen:
Vervanging van de afgeleverde zaak, tenzij de afwijking van het overeengekomene te gering is om dit te rechtvaardigen.
Het Weens Koopverdrag verbindt het recht van de koper aan het vereiste van een wezenlijke non-conformiteit. Artikel 46par. 2 CISG luidt:
If the goods do not conform with the contract, the buyer may require delivery of substitute goods only if the lack of conformity constitutes a fundamental breach of contract and a request for substitute goods is made either in conjunction with notice given under article 39 or within a reasonable time thereafter.
De parallel met de Nederlandse discussie rond ontbinding is duidelijk. Naar Nederlands recht dient een niet-consumentkoper die zijn recht op vervanging wil uitoefenen slechts te stellen dat de ontvangen prestatie afwijkt van hetgeen hij op grond van de overeenkomst mocht verwachten.5 Zou de koopovereenkomst door het Weens Koopverdrag worden beheerst, dan dient de koper, net als bij ontbinding (art. 49 CISG), te stellen dat een wezenlijke tekortkoming voorligt.6 Voortbordurend op het pleidooi van Hartlief kan men zich ook ten aanzien van vervanging afvragen of de koper die vervanging vordert, zou moeten stellen dat een 'wezenlijke non-conformiteit' voorligt.
De reden dat onder het Weens Koopverdrag een koper die vervanging vordert, dient te stellen dat er sprake is van een wezenlijke tekortkoming, is om onnodig nadeel aan de kant van de verkoper te voorkomen. Zeker bij internationale koopcontracten van bijvoorbeeld grote machines kan het voor de verkoper nadelig zijn gebrekkige machines te vervangen.7 De verkoper draagt immers de kosten van het transport van de vervangende zaken, alsmede de transportkosten voor het terughalen van de ondeugdelijke zaken.8
Een uitvoerige bespreking van de invulling van het begrip wezenlijke tekortkoming in het Weens Koopverdrag valt buiten de kaders van dit onderzoek. Het Weens Koopverdrag heeft op dit punt een rijke collectie uitspraken9 en literatuur10 opgeleverd. (Te) kort gezegd, is van een wezenlijke tekortkoming sprake, indien de koper redelijkerwijs niet in staat is de ondeugdelijke zaken te gebruiken, te verwerken of door te verkopen en het belang van de koper door uitoefening van zijn recht op schadevergoeding, prijsvermindering of reparatie onvoldoende gewaarborgd is.11 In het kader van dit onderzoek is de vraag relevant of op een schuldeiser die vervanging vordert de stelplicht dient te rusten dat zijn wederpartij een wezenlijke tekortkoming heeft gepleegd.
Voor een zodanige stelplicht van de schuldeiser bestaan mijns inziens onvoldoende zwaarwegende argumenten. De uitzonderingsclausule van art. 7:21 lid 1 onder c 'tenzij de afwijking te gering is om vervanging te rechtvaardigen' biedt mijns inziens voldoende mogelijkheden om onredelijke uitkomsten te voorkomen. Met het inroepen van het verweer dat de afwijking te gering is om de vervanging te rechtvaardigen, kan de schuldenaar een voor hem nadelige vervangingsvordering frustreren. Voor een verschuiving van de stelplicht en bewijslast zie ik dan ook geen reden.
Overigens heeft ook de discussie rond de beperking van het recht op ontbinding mijns inziens een principiële, maar ook theoretische inslag nu de pleidooien voor wijziging van het huidige systeem naar een beperkt recht op ontbinding vooral lijken te zijn gebaseerd op rechtsvergelijkende en rechtssystematische argumenten.12 Dat aan de rechtsvergelijking en rechtssystematiek ontleende argumenten grote overtuigingskracht toekomt, staat buiten kijf, maar voorbeelden waarin toepassing van de geldende ontbindingsregels tot onredelijke uitkomsten leiden, had de pleidooien voor een andere kijk op ontbinding meer scherpte gegeven. Het enige sprekende voorbeeld dat mij bekend is, komt van Valk, overigens een tegenstander van een beperking van het recht op ontbinding.13 Een verhuurder vordert ontbinding van de huurovereenkomst betreffende een woning wegens een door de huurder opgebouwde huurachterstand van € 150. Indien de huurder niet in rechte verschijnt om tegen de gevorderde ontbinding verweer te voeren, zal de rechter de vordering in principe bij verstek toewijzen. Op grond van de hoofdregel van art. 6:265 lid 1 is voor ontbinding immers voldoende dat komt vast te staan dat de schuldenaar is tekortgeschoten. De huurachterstand is, hoe beperkt ook, een tekortkoming. Indien een huurder niet ter zitting verschijnt en dus niet het verweer opwerpt dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt, zal de rechter de ontbindingsvordering moeten toewijzen. Het onbevredigende van deze uitkomst schuilt uiteraard in de discrepantie tussen het belang van de verhuurder bij ontbinding tegenover het belang van de huurder bij voortzetting van het huurcontract. Toepassing van de hoofdregel van art. 6:265 lid 1 zou derhalve tot een onredelijke uitkomst leiden. Een wijziging van de stelplicht en bewijslast verhelpt dit echter niet.14 Indien de verhuurder zou moeten stellen dat de € 150 een wezenlijke tekortkoming oplevert, zal de rechter zijn ontbindingsvordering ook moeten toewijzen als deze stelling niet wordt betwist. Overigens gaat volgens Abas de rechter in huurzaken betreffende woonruimte in de praktijk al uit van een verzwaarde stelplicht hoewel een uitdrukkelijke wettelijke basis hiervoor ontbreekt (art. 7:231 lid 1 jo. art. 6:265 lid 1).15 Abas schrijft:16
Voor de toewijsbaarheid van een vordering tot ontbinding is vereist dat de verhuurder aan de rechter een harde zaak voorlegt. Hiermee wordt gedoeld op een feitencomplex waaruit duidelijk blijkt dat de huurder in ernstige mate is tekortgeschoten.
Schelhaas schrijft dat kantonrechters — in ieder geval bij woonruimte — de regel hanteren dat er drie maanden huurachterstand moet zijn opgebouwd voordat ontbinding kan volgen.17 Ten slotte kan worden gedacht aan de 'terme de gráce' die de rechter een huurder van woonruimte kan geven (art. 7:280). Schelhaas concludeert dat ook in huurzaken de tenzij-formule van art. 6:265 lid 1, marginaal aangevuld met de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, voldoende soelaas biedt.18 De tenzij-formule van art. 6:265 lid 1 en art. 7:21 lid 1 onder c bieden ook naar mijn mening een voldoende adequaat vangnet ter voorkoming van onredelijke ontbindings- en vervangingsvorderingen.19