Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/3.3.3
3.3.3 Tekortkoming en opeisbaarheid
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS373934:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 6, p. 170-171.
Vgl. Van Opstall 1976, p. 136.
Vgl. Asser/Hartkamp 2004 (4-I), nr. 639.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 895; Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-1*), nr. 166; en De Vries 1997a, p. 25.
De Vries 1997a, p. 25; en Van Opstall 1976, p. 125. Ook een ingebrekestelling kan bij voorbaat worden uitgebracht, dat wil zeggen voordat de schuld opeisbaar is en is effectief mits de schuldeiser geen voldoening vordert vóór de vervaldag, zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-1*), nr. 391.
Van Nispen 2003, nr. 12.
Op grond van de Parl. Gesch. Boek 3, p. 915, blijkt dat in het algemeen voldoende belang voor de schuldeiser mag worden verondersteld en dat de schuldeiser slechts bij uitzondering zal moeten bewijzen dat hij voldoende belang heeft. Het instellen van een rechtsvordering tot nakoming op het moment vóór het moment van opeisbaarheid (art. 3:296 lid 2), valt mijns inziens in de uitzonderingscategorie waarbij een stelplicht ten aanzien van voldoende belang gerechtvaardigd is. De rechter dient in dat geval ambtshalve te toetsen of de schuldeiser voldoende belang heeft. Zo ook Jongbloed (Vermogensrecht) art. 3:303, aant. 6. Zie ook Stuik 1983, p. 704, die van mening is dat een schuldeiser die nakoming vordert van een nog niet-opeisbare verbintenis dient aan te tonen dat hij bij de prestatie een belang heeft dat niet even goed gediend kan worden wanneer hij zich elders zou 'indekken'.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-I*), nr. 410.
De uitzondering is vertragingsschade die de schuldenaar pas verschuldigd is op het tijdstip van de oorspronkelijke opeisbaarheid (art. 6:80 lid 2).
Broekema-Engelen (Verbintenissenrecht), art. 6:80, aant. 14; Olthof 2007, art. 6:80, aant. 3.
Van Opstall 1976, p. 125.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 280.
Opgemerkt dient te worden dat het niet voldoen aan de stelplicht ten aanzien van de opeisbaarheid leidt tot afwijzing van de vordering, terwijl het niet voldoen aan de stelplicht ten aanzien van voldoende belang bij een veroordeling tot nakoming vóór opeisbaarheid in beginsel leidt tot niet-ontvankelijkheid. Indien de schuldeiser nalaat te stellen welk belang hij heeft bij een veroordeling tot nakoming van een nog niet-opeisbare verbintenis, kan de rechter onder omstandigheden de vordering van de schuldeiser echter toewijzen met tevens een veroordeling in de kosten van het geding op de grond dat deze nodeloos zijn gemaakt. Zie de noot van H.E. Ras bij HR 17 december 1993, NJ 1994, 118(Severin/Detam) m.nt. HER. Zie ook Schoordijk 1986, p. 408-409, die bij het ontbreken van voldoende belang van de schuldeiser bij een veroordeling tot nakoming vóór de opeisbaarheid zowel de niet-ontvankelijkheid als de toewijsbaarheid van de vordering met een veroordeling in de proceskosten mogelijk acht.
Het eerste subcriterium dat onder het tekortkomingbegrip valt, is het opeisbaarheidsvereiste. Zonder opeisbaarheid in beginsel geen tekortkoming. Op een schuldeiser die stelt dat zijn wederpartij is tekortgeschoten rusten eveneens de stelplichten en bewijslasten inzake de opeisbaarheid van de schuld.
Een verrichting van de schuldenaar blijft pas achter bij wat de verbintenis vergt, vanaf het moment dat de verbintenis iets vergt. Indien bij een koopovereenkomst is bepaald dat de verkoper een zaak op 31 december levert, kan de koper deze zaak niet vóór die datum opeisen (art. 6:39). Er is dus geen sprake van een tekortkoming als de schuldenaar niet voor de afgesproken datum nakomt. Indien geen datum is vastgesteld waarop de schuldenaar de verbintenis moet nakomen, bepaalt art. 6:38 dat de verbintenis 'terstond' opeisbaar is. Deze bepaling moet niet naar de letter worden genomen. Bedoeld wordt, dat aan de debiteur zoveel tijd dient te worden gelaten als hij redelijkerwijze voor het verrichten van de prestatie nodig heeft.1 Voor het geval aan de verbintenis een opschortende voorwaarde is verbonden, is de prestatie eerst opeisbaar indien deze voorwaarde wordt vervuld (6:22).
Dient een schuldeiser die nakoming vordert ook te stellen dat de verbintenis waarvan hij nakoming vordert opeisbaar is?
Op een schuldeiser die nakoming vordert, rust mijns inziens inderdaad een stelplicht ten aanzien van de opeisbaarheid van de verbintenis.2 Hieruit volgt echter niet dat een vordering tot nakoming moet worden afgewezen indien de opeisbaarheid van de verbintenis niet in rechte komt vast te staan.3 Ook indien de verbintenis nog niet opeisbaar is, kan de schuldeiser daarvan nakoming vorderen. Hij dient mijns inziens dan wel te stellen, en bij betwisting te bewijzen, welk belang hij heeft bij toewijzing van zijn op het eerste gezicht premature vordering.4 De veroordeling tot nakoming is echter pas voor tenuitvoerlegging vatbaar op het moment dat de prestatie opeisbaar wordt.5
Van Nispen is van mening dat het bestaan van een verbintenis uit overeenkomst, ongeacht de opeisbaarheid daarvan, voldoende is voor de toewijzing van een vordering tot nakoming. De zekerheid van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling vindt hij te prefereren boven de waarschijnlijkheid dat de gedaagde uit eigen beweging het verschuldigde zal presteren.6 Het onbeperkt kunnen indienen van vorderingen vóór opeisbaarheid draagt mijns inziens echter het risico in zich van een onnodige belasting van het gerechtelijk apparaat. De schuldeiser die nakoming vordert van een nog niet-opeisbare verbintenis zou daarom moeten stellen welk belang hij heeft bij toewijzing van zijn vordering.7 De schuldeiser die nakoming vordert, dient derhalve te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dát de schuld opeisbaar is, en — als de schuld niet opeisbaar is — welk belang hij heeft bij toewijzing van zijn vordering.8 De schuldeiser die een vordering tot nakoming instelt vóór het opeisbaar worden van de verbintenis kan ter adstructie van zijn belang aansluiting zoeken bij art. 6:80 lid 1 (`anticipatory breach').9 Bedacht dient te worden dat het gevolg van een beroep op art. 6:80 lid 1 in het kader van een vordering tot schadevergoeding en ontbinding verstrekkender is dan bij nakoming. In het kader van schadevergoeding en ontbinding leidt een succesvol beroep op art. 6:80 lid 1 tot de bevoegdheid van de schuldeiser deze rechten reeds vóór het moment van opeisbaarheid uit te oefenen.10 Het recht op nakoming kan daarentegen nimmer vóór de opeisbaarheid worden uitgeoefend.11 Vóór de opeisbaarheid kan de schuldeiser slechts een veroordeling verkrijgen die de schuldeiser pas vanaf het moment van opeisbaarheid ten uitvoer kan leggen.12 Dit verschil in rechtsgevolg rechtvaardigt dat een schuldeiser ook buiten de limitatieve gronden13 van art. 6:80 lid 1 voldoende belang (art. 3:303) kan hebben bij een veroordeling tot nakoming van een nog niet opeisbare verbintenis. Bijvoorbeeld als hij goede gronden heeft te vrezen dat de schuldenaar zal gaan tekortschieten, terwijl hij heeft nagelaten zijn wederpartij een schriftelijke aanmaning te sturen met een redelijke termijn waarbinnen de schuldenaar zich bereid dient te verklaren zijn verplichtingen na te komen (art. 6:80 lid 1 onder c).
De schuldeiser die nakoming vordert, dient kortom te stellen dat de verbintenis opeisbaar is, dan wel wat zijn belang is bij een veroordeling tot nakoming van een nog niet-opeisbare verbintenis. Op dit punt verschillen de stelplichten van nakoming niet met de stelplichten van schadevergoeding en ontbinding.14