Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/6.3.4.1
6.3.4.1 De op- en inrichtingseisen
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702052:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Uit het onderzoek betreffende de werking van het NRGD blijkt dat er over de periode 2015-2018 36 bezwaarzaken zijn aangetekend en 20 beroepszaken. Zie: Nauta, Abraham & Piepers 2020, p. 37.
Zie o.a. ABRvS 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3422; ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1841, AB 2019/351; Rb. Den Haag 3 februari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:249; Rb. Amsterdam 22 juli 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:4738.
Stb. 2009/330.
Zie het ‘zbo-register’ via: https://organisaties.overheid.nl/Zelfstandige_bestuursorganen/.
ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1841, AB 2019/351, m.nt. J.A.F. Peters. Zie ook: C.M. Bitter, annotatie bij ABRvS 15 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4950, AB 2011/110.
Uitgebreid over de systematiek van de zogenaamde a-, en b-organen bijvoorbeeld: Schlössels & Zijlstra 2017 (1), § 3.2; Bröring & De Graaf 2019, § 2.3.
Zie bijvoorbeeld het Besluit register deskundige in strafzaken.
Art. 42 Wet op het accountantsberoep jo. Wet tuchtrechtspraak accountants.
Het eigen tuchtrecht van het register kan (eventueel) een ondergeschikte rol aannemen en als vangnet dienen voor deskundigen die niet krachtens de wet aan tuchtrecht zijn onderworpen.
Zie bijv. CBb 11 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:270. Zie ook: Van Heijst, O&A 2018/3, p. 18-19.
Via: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Gedragscode-voor-gerechtelijk-deskundigen-in-civielrechtelijke-en-bestuursrechtelijke-zaken.pdf
Met betrekking tot de eisen aan de oprichting van het register viel het in de summiere landenvergelijking al op dat een register zowel op een privaatrechtelijke als op een publiekrechtelijke grondslag kan berusten. Het Belgische en Oostenrijkse register berusten op een publiekrechtelijke grondslag. Zij hebben hun grondslag in een wet in formele zin. De formeel wettelijke verankering geeft de registers in België en Oostenrijk een democratische – in de zin van wettelijke – legitimatie. De Duitse, alsmede een gedeelte van de Nederlandse, registers zijn daarentegen privaatrechtelijke initiatieven. Zij berusten niet op een publiekrechtelijke grondslag en zijn niet wettelijk gelegitimeerd.
Verwant – maar niet identiek – aan de vraag naar de grondslag van het register, is de vraag naar de juridische status van het (bestuur van het) register. Het register zou een rechtspersoon naar publiek- of naar privaatrecht kunnen zijn. Indien het register een rechtspersoon is die krachtens het publiekrecht is ingesteld, zijn diens organen a-organen. Met de kwalificatie van een orgaan als ‘a-orgaan’ in de zin art. 1:1 lid 1 onder a Awb, zijn ook de normen uit die wet alsmede allerlei andere publiekrechtelijke normen (zoals bijvoorbeeld de Wet open overheid en de Wet Nationale ombudsman) van toepassing. Deze publiekrechtelijke normen zijn ook van toepassing op personen of colleges – niet zijnde organen van een publiekrechtelijke rechtspersoon, maar bijvoorbeeld van een privaatrechtelijke stichting – die met enig openbaar gezag zijn bekleed, voor zover zij dit openbare gezag uitoefenen. Het betreft de zogenaamde ‘b-organen’ ex art. 1:1 lid 1 onder b Awb. Het (bestuur van het) register zou ook langs deze wijze publiekrechtelijk genormeerd kunnen zijn.
Mijns inziens verdient een formeel wettelijk verankerd en publiekrechtelijk ingekaderd register de voorkeur boven een privaatrechtelijk initiatief (dat niet met openbaar gezag is bekleed). Dat is geen harde eis – privaatrechtelijke organisaties kunnen evenzo doelmatig zijn – maar op grond van een aantal redenen wel aan te raden. Bij de registratie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen gaat het namelijk om de registratie van deskundigen wier advies een aanzienlijke invloed uitoefent op de uitkomst van het juridisch schadedebat. Dat schadedebat vindt bovendien plaats naar aanleiding van een ontneming of regulering van eigendomsrechten. Fundamenteel kan wel worden gezegd dat een register dat de kwaliteit van dergelijke deskundigen tracht te controleren en te borgen idealiter niet volledig aan de private markt is overgelaten. Enige publiekrechtelijke controle in de vorm van wet- en regelgeving die voortvloeit uit de kwalificatie van het register of diens orgaan/organen als a-, of b-orgaan in de zin van de Awb is dan raadzaam. Een meer concreet voordeel dat uit een dergelijke publiekrechtelijke vormgeving voortvloeit, is dat er voor belanghebbenden bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat tegen de besluiten van het register. Een kandidaat wiens inschrijving bijvoorbeeld is geweigerd kan op een laagdrempelige manier in bezwaar en beroep.1 Daarnaast kan de bestuursrechter toetsen of het register zich houdt aan de gestelde (wettelijke) normen en het eigen beleid ter uitwerking van die normen.2 Dat komt de transparantie en controle op het register ten goede. Ten slotte wordt de situatie voorkomen waarin het register enerzijds financieel afhankelijk is van zijn ingeschrevenen, maar anderzijds diezelfde ingeschrevenen moet doorhalen indien zij niet langer aan de toelatingseisen voldoen.
Het al eerdergenoemde Nederlandse strafrechtregister (NRGD) is zo een wettelijk gelegitimeerd en publiekrechtelijk geregeld register. Het NRGD heeft een wettelijke grondslag en legitimatie in art. 51k lid 1 Sv. Het register is opgericht met het Besluit register deskundige in strafzaken (hierna ook: BRDS).3 Het centrale orgaan van het register – het College – is als orgaan van de Staat een a-orgaan (art. 3 BRDS). Staatsrechtelijk is het College een zelfstandig bestuursorgaan en daarmee op afstand van de verantwoordelijke minister geplaatst.4 Het College beslist op aanvragen tot inschrijving, herinschrijving en doorhaling (art. 4 sub a BRDS). Dat zijn besluiten in de zin van art. 1:3 Awb waartegen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat.5 Overigens kwalificeert de wetgever het College – onterecht – als b-orgaan in de zin van art. 1:1 lid 1 onder b Awb. Noch het College, noch het NRGD bezitten immers privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid. Zij kunnen dientengevolge nooit een b-orgaan zijn.6
Wél een harde aan het register te stellen eis is dat het register een duidelijke organisatiestructuur heeft. Daarbij is van belang welke organisatie-eenheden het register kent en hoe hun onderlinge taakverdeling eruitziet. Ook is van belang wie er zitting hebben in de verschillende organisatie-eenheden. Indien het register op een publiekrechtelijke grondslag berust, kan de publiekrechtelijke regeling op basis waarvan het register is opgericht een bepaalde organisatiestructuur voorschrijven.7 Indien er geen, of geen voldoende afgebakende publiekrechtelijke regeling is, kan het register een en ander zelf inzichtelijk maken via een organigram en/of organisatiereglementen, met daarin informatie over de verschillende organisatie-eenheden en hun bezetting. Met het oog op transparantie en controle verdient het aanbeveling dat die informatie openbaar raadpleegbaar is. Daarnaast verdient het aanbeveling dat de bezetting van de organisatie-eenheden bestaat uit vertegenwoordigers van de gehele keten die betrokken is bij de totstandkoming van het deskundigenbericht en afhankelijk is van de kwaliteit daarvan. Rechters, bestuursorganen, advocaten en deskundigen zijn allemaal stakeholders van het deskundigenbericht. Zij zijn gebaat bij een goed proces van kwaliteitsborging en kunnen daar vanuit een verschillende achtergrond aan bijdragen. Voorkomen moet worden dat het register een club ‘van deskundigen, voor deskundigen’ wordt. Het uiteindelijke doel van een deskundigenregister is immers het dienen van de rechtspraktijk.
Een andere aan het deskundigenregister te stellen eis is dat de ingeschrevenen onderworpen zijn aan een gedragscode en tuchtrecht. Niet alle soorten deskundigen zijn op basis van hun beroepsgroep krachtens de wet aan tuchtrecht onderworpen (zoals dat wel het geval is voor bijvoorbeeld advocaten,8 accountants,9 medici10 en notarissen).11 Het verdient daarom aanbeveling dat het register zelf een vorm van tuchtrecht implementeert.12 Bij voorkeur bestaat de tuchtraad/commissie uit onafhankelijke tuchtrechters, die niet op andere wijze bij het deskundigenregister zijn betrokken. De taak van de tuchtraad/commissie is niet om de inhoud en totstandkoming van het deskundigenrapport integraal te onderzoeken, maar om kennis te nemen van klachten ten aanzien van de relevante gedragscode.13 Dat kan een gedragscode zijn die door het register zelf is opgesteld. Ook kan het register aansluiting zoeken bij een reeds bestaande gedragscode zoals de “Gedragscode gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijk zaken”14 of de “Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen bij de Afdeling bestuursrechtspraak”.15 Een eigen – aanvullende – gedragscode komt de uniformiteit van het optreden van de ingeschrevenen ten goede.
De laatste eis betreft de transparantie van het register. Het moet voor procesactoren duidelijk zijn welke deskundigen in het register geregistreerd staan. Dat wil zeggen dat via een overzichtelijke en openbare website op eenvoudige wijze toegang tot het register kan worden verkregen. De deskundigen dienen per vakgebied te staan aangegeven. De naam van de deskundige moet aanklikbaar zijn en meer informatie opleveren over de persoon van de deskundige. Informatie die daarbij minstens naar voren moet komen is de naam, contactgegevens en (eventueel) foto van de deskundige, academische opleiding, cv, werkgerelateerde nevenfuncties, werkervaring en ervaring als (gerechtelijk) deskundige.