Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.2
9.2 Het godsbegrip van de wetgever van 1932
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455199:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Soeharno 2013, p. 14.
De Vries, TvRRB 2012-1, p. 13.
HR 25 mei 1910, W. 9000; HR 29 december 1913, W. 9574.
Annotatie ’t Hart bij HR 19 april 1988, NJ 1989, 140
NRC Handelsblad 14 juni 1968; De Volkskrant 17 juni 1968.
Het opsteken van de twee vingers zou de twee naturen (God en mens) van Christus uitbeelden. Zie Van Oven 2009; Soeharno 2013.
Bijlage Handelingen II 1910/1911, 138, 8, p. 16.
HR 23 mei 1921, NJ 1921, p. 595 e.v., m.nt. Taverne.
HR 19 april 1988, NJ 1989, 140.
Vgl. Wiersinga, AA 2003, p. 40-41.
HR 29 november 2002, NJ 2003, 61.
EHRM 18 februari 1999, nr. 24645/94 (Buscarini and Others v San Marino). Zie ook EHRM 3 juni 2010, nr. 42837/06, 3269/07, 35793/07 en 6099/08 (Dimitras and others v Greece), par. 76-78. Het EHRM bepaalde hierin dat de Griekse standaardprocedure voor het afleggen van de eed in een strafzaak (bijvoorbeeld bij het afleggen van een getuigenis) in strijd was met art. 9 EVRM. Een getuige diende in deze procedure namelijk de eed af te leggen met de hand op de Bijbel. Wel kon een getuige op een andere wijze de eed afleggen wanneer hij zich beriep op een uitzonderingsbepaling. Deze bepaalde echter dat de betrokkene tot in detail beschreef op welke religie of overtuiging hij dan zijn eed ging afleggen. Dit vereiste vormde een inbreuk op het forum internum van de justitiabele, aldus het EHRM.
Art. 3 lid 2 Advocatenwet. Zie Driessen & Lems, RM Themis 2011, p. 3.
ABRvS 16 januari 2002, ECLI:NL:RVS:2001:AD8743, r.o. 2.1. Zie ook: Versteden, Gst. 2002, p. 92-94; Versteden, Gst. 2001, p. 25-35.
ABRvS 16 januari 2002, ECLI:NL:RVS:2001:AD8743, r.o. 2.4.1.
ABRvS 16 januari 2002, ECLI:NL:RVS:2001:AD8743, r.o. 2.4.1.
Zie ook Van Oven 2009.
De Vries, TvRRB 2012-1, p. 6.
Stcrt. 1998, nr. 92, p. 7.
Zie Gemeente Amsterdam 2006; Kamerstukken II 2011/12, 29 614, nr. 29, p. 4.
In deze paragraaf behandel ik de betekenis die de wetgever van 1932 heeft gegeven aan de religieuze termen zoals die terugkomen in het godslasteringsverbod. Zoals gesteld komen we in de artikelen 147 lid 1 Sr, 147a en 429 bis Sr twee religieuze termen tegen, namelijk ‘godslastering’ en ‘godsdienstige gevoelens’. Zo luidde artikel 147 lid 1 Sr:
‘Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat (…).’
De termen ‘godslastering’ en ‘godsdienstige gevoelens’ staan met elkaar in betrekking in die zin dat de gevoelens van gelovigen van een bepaalde godsdienst worden gekwetst indien de God van hun godsdienst op smalende wijze wordt belasterd. In de Memorie van Toelichting stelt toenmalig minister Donner (grootvader van) dat godslastering een ‘… bijzondere vorm [is, JV] van het zich op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uiten’.1 Ten aanzien van de kwalificatievraag kunnen we dus stellen dat de rechter bij de toepassing van godslasteringsverbod dient vast te stellen of datgene wat wordt gelasterd gekwalificeerd kan worden als ‘God’ en of de gevoelens die hierdoor worden gekwetst als godsdienstig kunnen worden gekwalificeerd.
Uit de wettekst van artikel 147 lid 1 Sr kunnen we niet direct opmaken of de betekenis van ‘godsdienstige gevoelens’ subjectief of objectief dient te worden opgevat. Dit wordt wel duidelijk aan de hand van de wetsgeschiedenis. Minister Donner stelde:
‘En dat nu wordt volstaan hiermede, dat de uiting naar haar aard kan krenken, gevaar schept van krenken, en niet bovendien ook in het concrete geval feitelijk gekrenkt heeft, dat doet allerminst te kort aan het feit, dat de rechtsgrond in de krenking … is gelegen.’
Of de uiting daadwerkelijk iemand krenkt is voor de strafbaarstelling niet relevant.2 De krenking zag dus niet op de gevoelens van een concrete gelovige. In theorie zou er ook sprake kunnen zijn geweest van een delict wanneer dergelijke krenkende uitingen zouden zijn gedaan ten overstaan van een niet-gelovig publiek. Met andere woorden, het doel van de verbodsbepaling was niet de bescherming van de subjectieve godsdienstige gevoelens van de enkeling.3 Het verbod was in zijn algemeenheid gesteld. Dit betekent dat de terminologie ‘godsdienstige gevoelens’ een objectieve betekenis had. Welke was deze objectieve betekenis?
De wetsgeschiedenis maakt duidelijk dat de betekenis van godsdienstige gevoelens betrekking had op de ‘concrete vormen, waarin de Godsidee leeft’.4 De definiëring van de wettelijke termen ‘godslastering’ en ‘godsdienstige gevoelens’ wordt geobjectiveerd door een objectief Godsbegrip. Minister Donner had met het Godsbegrip de concrete voorstellingen van God in de samenleving op het oog:
‘De Staat erkent in velerlei uitingen God, en doet dat ook weder in deze bepaling, maar dit is, […] niet in concrete bepaaldheid, maar in deze algemeenheid, dat er is een hoogste Opperwezen, die is de Zijnde. Maar ik erken tevens – en in een ander verband merkte ik dit reeds op –, dat die omschrijving niet voldoende is voor de nadere ontleding dezer strafbepaling, doch dat deze het oog heeft – juist omdat het hier staat onder het licht van de krenking van gevoelens – op de concrete realiseeringen van dit Godsbesef in ons volk, zooals die in de onderscheidene geloofsopvattingen, geloofsbelijdenissen zijn te aanschouwen.’5
Donner wilde geen concrete definitie van het begrip God formuleren. Hij wilde juist dat de rechter zich zou baseren op de tijd en plaatsgebonden in de samenleving levende voorstellingen van God. Hij beschouwde de te beschermen godsdienstige gevoelens in de samenleving als een uit de samenleving op te maken feitelijk gegeven:
‘(…) het godsbegrip komt hier slechts in zijn algemeenheid in het geding, maar de concrete bepaling daarvan is, in verband met het feit, dat de strafbaarstelling geschiedt als kwetsing van gevoelens, naar de concrete opvattingen, zooals die in ons volk leven, te bepalen’.6
De godsdienstige opvattingen die in Nederland leven bepalen wat als godsbegrip geldt en wanneer van krenking van zo’n godsbegrip gesproken kan worden. Aldus ging de minister niet alleen uit van een objectief maar ook van een actueel begrip van God. Bepalend is de betekenis van God zoals die geldt ten tijde van een beroep op het verbod. In die zin heeft het godsbegrip een dynamisch aspect, de betekenis kan wijzigen naar gelang de tijd en de omstandigheden.7 Toch gaf de minister wel een zeker kader waarbinnen het godsbegrip moest worden geduid. Zo beschreef hij God als ‘aanduiding voor de geloofsvoorstelling van het, in menschelijke taal uitgedrukt, Zichzelf bewuste Hoogste Opperwezen’. Hieronder schaarde hij niet Maria of Mohammed, omdat in de feitelijke constellatie van Nederland in die tijd, die figuren – in algemene zin – niet als Hoogste Opperwezen(s) werden begrepen. Daarentegen rekende hij Jezus en de Heilige Geest wel tot de Godsidee vanwege de toen, en overigens nog steeds, binnen het christendom,8 heersende triniteitsleer.9
Op Donners afbakeningswijze van het godsbegrip kwam de nodige kritiek vanuit het parlement. Zo vroegen Kamerleden zich af waarom alleen het Opperwezen kon rekenen op bescherming en Maria bijvoorbeeld niet.10 Een inhoudelijk verweer op deze kritiek kunnen we niet terug vinden in de parlementaire geschiedenis. Kennelijk hanteerde Donner een monotheïstisch concept van ‘opperwezen’ dat zo buitengewoon ‘verheven’ was dat het niet gelijkgesteld kon worden met de maagd Maria, de profeet Mohammed11 en andere heiligen.12 Ook werd Donner in de Eerste Kamer verweten dat het wetsontwerp teveel uitging van een trinitarisch godsdienstbegrip (Vader, Zoon en Heilige Geest). De minister verklaarde echter dat de triniteit niet exclusief wordt beschermd ‘maar evenzeer andere vormen, waarin geloof in een Hoogste Opperwezen, die is de Zijnde, is uitgedrukt’.13
Wat hij hiermee precies bedoelde wordt niet duidelijk uit de parlementaire geschiedenis. Wel stelt de minister ‘In het kader van de strafbaarstelling als vorm van krenking van godsdienstige gevoelens is ieder godsbegrip dat in ons volk leeft onder de norm begrepen’.14 Daarmee lijkt de minister, zoals De Roo ook opmerkt,15 bewust de godsidee niet af te bakenen met behulp van het onderscheid tussen een trinitaristisch of unitaristisch16 godsbegrip. Ook volgt uit deze opmerking dat de minister het godsbegrip niet heeft willen beperken tot de christelijke God.17 Verder werd de minister gevraagd of het juist was dat het wetsvoorstel geen rekening hield met pantheïstische godsdiensten. De minister had immers in de Memorie van Antwoord verklaard dat ‘allen die een Godsbegrip hebben dat de persoonlijkheid van God niet aanvaardt buiten de bescherming van artikel 147 Sr vallen’. De minister gaat in de parlementaire behandeling niet in op deze vraag.18
In de literatuur wordt algemeen aangenomen dat artikel 147 Sr geen bescherming biedt aan gevoelens van pantheïsten. Waarom de minister het pantheïsme (of polytheïsme) niet onder het Godsbegrip heeft willen scharen is derhalve niet duidelijk. Wellicht dat hij zijn standpunt op meerdere redenen baseerde. Zo had de wet volgens de wetsgeschiedenis het oogmerk ‘de gevoelens der grote meerderheid van de bevolking’19 te beschermen en zal het pantheïsme indertijd, evenmin als tegenwoordig, geen grote religieuze stroming zijn geweest. Daarnaast is het praktisch lastig om de godsdienstige gevoelens van pantheïsten te beschermen aangezien God volgens bepaalde interpretaties van deze leer in ‘alles en iedereen is’ (God is de kosmos)20 en godsdienstige gevoelens derhalve op een breed scala van onderwerpen betrekking kunnen hebben. Ten slotte waren er Kamerleden die de minister bekritiseerden omdat volgens hen ook andere dan godsdienstige gevoelens gekwetst konden worden (zoals levensbeschouwelijke en ideologische), en zich afvroegen waarom het ene ‘gevoelen’ wel extra bescherming diende te verkrijgen, en het andere niet.21 Ook hierover ging de minister het debat niet aan.
De conclusie is dat de wettelijke termen ‘godslastering’ en ‘godsdienstige gevoelens’ opgenomen in het verbod objectief zijn gedefinieerd op basis van een objectief godsbegrip. Niet het beledigde subject bepaalt wat het godsbegrip inhoudt, maar de in de samenleving aanwezige en waarneembare opvattingen hierover. Ook had het godsbegrip voor de wetgever een dynamisch aspect aangezien de betekenis van God aan verandering onderhevig kon zijn. De Roo merkte dan ook terecht op dat veranderingen in het denken over en het geloven in God invloed konden hebben op de reikwijdte van het rechtsobject van het verbod op godslastering. Hij stelt dat indien, wellicht op een incidentele uitzondering na, geheel Nederland extreem unitarisch zou gaan geloven, de beschimping van de twee andere Personen (Jezus en de Heilige Geest) straffeloos zou worden, aangezien er dan niet meer sprake is van een maatschappelijke relevante groep die dit godsbeeld belijdt. De Roo trekt de conclusie nog verder door wanneer hij stelt dat in het geval dat er in Nederland (bijna) niemand meer in God gelooft, het artikel niet meer toegepast zou kunnen worden.22