Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.4
9.4 Het godsbegrip volgens de wetgever van 2014
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455201:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen I 1932/33, 6, p. 44.
Handelingen I 1932/33, 6, p. 49.
Deze dynamische betekenis sluit mijns inziens ook de Religionsschutztheorie (Godsdienst moet worden beschermd vanwege zijn culturele waarde, zie De Roo 1970, p. 35) als motief uit. Het ging Donner er niet om alleen een bepaald type godsdiensten te beschermen, maar hij maakte het object van bescherming ook afhankelijk van de tijd en context.
Handelingen II 1931/32, 88, p. 2632.
De opvatting dat er één God bestaat in drie goddelijke personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Handelingen I 1932/33, 6, p. 48 (Donner).
Om deze reden verklaarde het OM geen reden voor vervolging te zien in het uitkomen van de Satanic Verses van de schrijver Rushdie. Het OM stelde dat het boek mogelijkerwijs Mohammed en de Islamitische cultuur beledigde maar zeker niet kon worden beschouwd als een delict in de zin van artikel 147 lid 1 Sr. Vgl. NRC Handelsblad 13 maart 1989, aangehaald in Janssen & Nieuwenhuis 2011, p. 335.
Janssen & Nieuwenhuis 2011, p. 329.
In deze paragraaf behandel ik het godsbegrip van de wetgever van 2014 zoals dat terugkomt in wetsgeschiedenis die heeft geleid tot schrapping van het godslasteringsverbod. Daarbij ga ik in op de opvattingen van de indieners van het wetsvoorstel tot intrekking, het advies over dit voorstel van de Raad van State en de behandeling ervan in de Kamers. Indieners van het wetsvoorstel tot schrapping brachten drie argumenten naar voren. Ten eerste zou het godslasteringsverbod het belang van de vrijheid van meningsuiting doorkruisen. Ten tweede zou het geen toegevoegde waarde hebben voor de handhaving van de openbare orde aangezien de artikelen 137c t/m 137e Sr hiervoor genoeg mogelijkheden boden. Ten derde benadrukten de indieners dat het godslasteringsverbod leidde tot een ongelijke behandeling van de verschillende godsdiensten en levensovertuigingen.1
Vooral het derde punt van de indieners is relevant in het kader van het begrip van godsdienst. Volgens de indieners beschermt het verbod alleen monotheïsten, en dan met name christenen, en worden overige religieuze en levensbeschouwelijke groeperingen daardoor ongelijk behandeld. Indieners betogen dat alle overtuigingen ongeacht of ze religieus, levensbeschouwelijk of geen van beide zijn, dezelfde juridische bescherming verdienen.2 We kunnen stellen dat de indieners hiermee uitgaan van een subjectiverende uitleg van godsdienst. De indieners staan met andere woorden een uitleg voor waar ruimte is voor de zelfdefinitie van het rechtssubject. Ten aanzien van de vermeende ongelijke behandeling van de verschillende religies en levensbeschouwingen gaf de Raad van State in zijn advies over het wetsvoorstel een aantal interessante overwegingen. Zo stelde hij dat in plaats van het verbod te schrappen dit ook kon worden uitgebreid tot de overige religies en levensbeschouwingen. Bovendien zou de bescherming van monotheïstische religies door het lasterverbod niet per definitie een ongelijke behandeling inhouden voor religies en levensovertuigingen zonder godsbegrip, aangezien de monotheïstische religies beschermd worden in iets wat bij de overige religies en levensbeschouwingen ontbreekt.3 In de parlementaire behandeling wordt ook door de kleine christelijke partijen gesteld dat er geen sprake is van ongelijke behandeling.4 Senator Kuiper van de ChristenUnie uit door middel van een metafoor soortgelijke kritiek als de Raad. Hij stelt dat het gegeven dat er mensen zijn die houden van het schrijven van boeken en om die reden een beroep doen op het grondrecht van de vrijheid van drukpers, niet betekent dat het grondrecht van de vrijheid van drukpers mensen die houden van schrijven en mensen die niet houden van schrijven ongelijk behandelt. Zo geldt dit volgens Kuiper ook voor mensen die vanwege het geloven in een God beschermd worden in hun godsdienstige opvattingen en mensen die overtuigingen hebben zonder Godsgeloof. Kortom: er is geen sprake van ongelijke behandeling indien er sprake is van ongelijke gevallen.5
Ondanks de kritiek van de Raad van State en van de kleine christelijke partijen overheerste in de Tweede en Eerste Kamer de opvatting dat het godslasteringsverbod monotheïsten en dan met name christenen voortrok op andere godsdiensten en levensovertuigingen. Deze conclusie lijkt mij wat te stellig. Uit de wetsgeschiedenis blijkt immers dat de gedachte van het godslasteringsverbod was, de godsdienstige gevoelens te beschermen die leven in de maatschappij. De inhoud van deze godsdienstige gevoelens hebben een dynamisch karakter en kunnen dus mettertijd veranderen. Vanuit deze gedachte is het ruim interpreteren van de wetsbepaling zodat daarmee verschillende monotheïstische en niet-monotheïstische godsdiensten onder het godsbegrip kunnen worden gerekend, niet in strijd met de wetsgeschiedenis.6
Het wetsvoorstel werd uiteindelijk, ondanks de protesten van de kleine christelijke partijen, in de Tweede Kamer vrij gemakkelijk goedgekeurd. In de Eerste Kamer verliep het debat wat stroever en werd uitvoerig stilgestaan bij de mogelijke uitstraling die de afschaffing van het verbod zou kunnen hebben op het gevoel van bescherming van religieuze minderheden. Om die reden werd in de Eerste Kamer de motie-Schrijver c.s. aangenomen. Die verzocht aan de regering om
‘te onderzoeken of een mogelijke aanpassing van artikel 137c t/m 137h Sr dienstig kan zijn om te bewerkstelligen dat dit artikel eveneens genoegzame bescherming biedt tegen de als ernstig ervaren belediging van burgers door belediging van hun geloof en geloofsbeleving, zonder de werking van de vrijheid van meningsuiting onnodig te beperken.’7
De resultaten van dit onderzoek waren voor het kabinet geen reden om de strafwet aan te passen.8