Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.1
9.1 Inleiding
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455198:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Minister Donner stelde in 2009 dat de Eedswet van 1911 enkel geldt voor de gerechtelijke procedure. Zie Kamerstukken II 2011/12, 29 164, nr. 29, noot 1. Dit lijkt in tegenspraak met de heldere en algemene bewoordingen van de wet: ‘Hij, die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift mondeling een eed, belofte of bevestiging moet afleggen …’. Ook De Vries betwijfelt de zienswijze van de minister. Zie De Vries, TvRRB 2012-1, p. 7.
Zonder uitputtend te willen zijn: de Koning (art. 32 Grondwet), de ministers en de staatssecretarissen (art. 49 Grondwet en art. 1 en 2 van de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal) het lid van de Staten Generaal (art. 60 Grondwet en art. 1 en 2 van de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal), rechterlijke ambtenaren (bijlage bij art. 5g Wet rechtspositie rechtelijke ambtenaren), leden van de Raad van State (art. 6 Wet op de Raad van State), leden van de gemeentelijke rekenkamer (art. 81g Gemeentewet), de advocaat (art. 3 lid 2 Advocatenwet), de notaris (art. 3 Wet op het notarisambt), het lid van de gedeputeerde staten (art. 40a Provinciewet), het staten-lid (art. 14 Provinciewet), de burgemeester (art. 65 Gemeentewet), de wethouder (art. 41a Gemeentewet), het raadslid (art. 14 Gemeentewet), ambtenaar van de burgerlijke stand (art. 1:16 BW), de rijksambtenaar (art. 125 quinquies lid 1 Ambtenarenwet, Formulier eed/belofte rijksambtenaren van 1998, art. 51, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement), de militair (art. 126a Algemeen militair ambtenarenreglement), de politieambtenaar (art. 9 Besluit algemene rechtspositie politie) en de gedecentraliseerde ambtenaar. Daarnaast gelden er nog eedsafleggingen voor de leerplichtambtenaar, inspecteur van de belasting, bestuur van een waterschap, Commissaris van de Koning(in), lid rekenkamer van de Provinciale Staten.
Elzinga 2004, p. 107.
Tot 2014 gold in Nederland een verbod op godslastering. Inmiddels is het geschrapt.
De reden dat ik dit inmiddels afgeschafte verbod (uitgebreid) bespreek is dat de vraag naar de reikwijdte van het rechtsobject van dit religieuze recht een belangrijke rol heeft gespeeld in de schrapping daarvan in 2014.
De aanleiding voor het schrappen van het verbod was de hernieuwde aandacht die het kreeg na de moord op Theo van Gogh in 2004 door een radicale moslim. Deze had Theo van Gogh ter dood gebracht vanwege zijn uitlatingen over Mohammed en Allah.1 Kort na de moord legde toenmalig Minister Donner de Tweede Kamer de mogelijkheid voor om het godslasteringsverbod weer actiever in te zetten tegen agressief getinte kwalificaties van andermans religie.2 De Kamer reageerde afwijzend. Er werd in plaats daarvan juist voor afschaffing gepleit. Toen in 2007 de toenmalige Minister van Justitie Hirsch Ballin te kennen gaf de strafbaarheid toch te willen handhaven vormde dit de aanleiding voor het initiatiefwetsvoorstel dat uiteindelijk in 2014 leidde tot de afschaffing van het verbod op de godslastering.3
Het verbod op godslastering was in verschillende vormen strafbaar gesteld:
in art 147 sub 1 Sr de smalende ‘godslastering’ die voor ‘godsdienstige gevoelens’ op krenkende wijze is gedaan;
in artikel 147a Sr de verspreiding van geschriften of afbeeldingen met smalende ‘godslasterlijke’ uitlatingen die voor ‘godsdienstige gevoelens’ krenkend zijn;4
in artikel 429bis Sr het op een vanaf de openbare weg zichtbare plaats stellen of gesteld houden van afbeeldingen met smalende ‘godslasteringen’ die voor ‘godsdienstige gevoelens’ krenkend zijn.
De redactie van bovengenoemde artikelen vergde dat het Openbaar Ministerie aantoonde dat er sprake was van een openbare ‘godslastering’ die op voor ‘godsdienstige gevoelens’ krenkende wijze is gedaan en die de bedoeling heeft te smalen. Voor dit proefschrift is vooral relevant wat de wetgever heeft bedoeld met de termen ‘godslastering’ en ‘godsdienstige gevoelens’. In de volgende paragraaf (9.2) ga ik allereerst in op de betekenis van deze termen in de zienswijze van de wetgever die in 1932 het godslasteringsverbod heeft ingevoerd. Vervolgens bespreek ik in paragraaf 9.3 de motieven voor de wijze waarop de wetgever van 1932 deze termen uitlegde. Die zijn interessant in het licht van de parlementaire geschiedenis die leidde tot de schrapping van het blasfemieverbod in 2014. Deze parlementaire geschiedenis komt aan de orde in paragraaf 9.4. De ‘oude’ en de ‘nieuwe’ wetgever lijken niet helemaal dezelfde betekenis aan bovengenoemde termen toe te kennen (9.5) De paragraaf 9.6 behandelt de kwalificatie naar aanleiding van bovengenoemde termen door de nationale rechter. In 9.7 sluit ik het hoofdstuk af met een conclusie.