De kosten van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.5.4:8.5.4 Bewijskracht van enquêtebeschikkingen: het feitencomplex
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.5.4
8.5.4 Bewijskracht van enquêtebeschikkingen: het feitencomplex
Documentgegevens:
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652475:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Daarmee heeft de Hoge Raad niet geoordeeld dat bestuurders en commissarissen geen tegenbewijs kunnen leveren in een aansprakelijkheidsprocedure, zo volgt ook uit de lagere jurisprudentie. Zo ook Timmerman 2008, p. 150; Van Solinge 2017, p. 496. Anders nog Timmerman 2006b, p. 535-536.
Van Wijk 2007, p. 397.
HR 8 april 2005 (r.o. 3.9), NJ 2006/443, m.nt. G. van Solinge; JOR 2005/119, m.nt. M. Brink (Laurus).
Veenstra 2010, p. 252.
Zo ook Veenstra 2010, p. 258.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Laurus overwoog de Hoge Raad dat de door de Ondernemingskamer vastgestelde feiten in een aansprakelijkheidsprocedure niet op voorhand vaststaan, zelfs niet behoudens tegenbewijs.1 Dat geldt zowel in door de rechtspersoon als door derden geëntameerde aansprakelijkheidsprocedures.2 De vastgestelde feiten staan niet vast in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure, maar de civiele rechter mag de feiten in beginsel wel meenemen in zijn beoordeling (art. 152 lid 2 Rv).3 De bewijskracht van enquêtebeschikkingen is vrij.
Hebben de overwegingen van de Hoge Raad in Laurus, inhoudende dat de door de Ondernemingskamer vastgestelde feiten in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure niet op voorhand vaststaan, zelfs niet behoudens tegenbewijs, ook relevantie voor de beslissing van de Ondernemingskamer op een verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek op grond van art. 2:354 BW? De overwegingen van de Hoge Raad in Laurus zien op ‘de tweede procedure van de enquête’.4 Het verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek wordt echter niet noodzakelijkerwijs geïncorporeerd in de tweede fase van de enquêteprocedure, maar kan ook daarna plaatsvinden. Met Veenstra acht ik niet goed voorstelbaar dat de rechtsregel uit Laurus niet van toepassing is op de beslissing van de Ondernemingskamer op verhaal van de kosten van het onderzoek op grond van art. 2:354 BW. De Ondernemingskamer baseert haar oordeel op een verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek doorgaans op hetzelfde feitencomplex als ten grondslag ligt aan in de tweede fase jegens bestuurders en commissarissen getroffen voorzieningen. Zou Laurus niet van toepassing zijn op de beslissing van de Ondernemingskamer op een verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek, dan kan dit ook leiden tot een praktisch probleem, wanneer het verzoek is geïncorporeerd in de tweede fase: welke overwegingen zien dan waarop?5 De rechtsregel uit Laurus, inhoudende dat de door de Ondernemingskamer vastgestelde feiten in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure niet op voorhand vaststaan, geldt hierom naar mijn mening onverkort voor de procedure als bedoeld in art. 2:354 BW. De in deze procedure vastgestelde feiten staan op voorhand niet vast in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure, zelfs niet behoudens tegenbewijs.6