Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.5.6
8.5.6 Gebruikmaking van het onderzoeksverslag en enquêtebeschikkingen in de lagere jurisprudentie
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652467:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Rb. Utrecht 15 februari 2012 (r.o. 2.1), JOR 2012/243, m.nt. J.H.M. Willems (Fortis); Rb. Midden-Nederland 19 juni 2013, JOR 2013/237, m.nt. U.B. Verboom (Landis); Rb. Amsterdam 28 oktober 2015 (r.o. 4.3.1), JOR 2015/330, m.nt. U.B. Verboom (Landis); Rb. Midden-Nederland 9 december 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:8681 (Tana Netting); Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juni 2018 (r.o. 5.28), JOR 2018/207, m.nt. P.H.M. Broere (Leaderland), bevestigd in Hof Arnhem-Leeuwarden 27 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7208 (Leaderland); Rb. Rotterdam 15 december 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:12637 (L’Étoile).
Zie bijv. Rb. Leeuwarden 5 maart 2003 (r.o. 19), ECLI:NL:RBLEE:2003:AF5925 (Spiegelenburg), overigens niet in overeenstemming met de later gewezen Laurus-beschikking; Rb. Amsterdam 18 november 2009 (r.o. 4.3-4.4), JOR 2011/248 (Van Doorn); Rb. Arnhem 22 juni 2011, JOR 2011/358, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Pondac); Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2014 (r.o. 3.15), JOR 2015/32, m.nt. M. Holtzer (Meepo); Rb. Midden-Nederland 18 juni 2020, JOR 2021/34, m.nt. P.D. Olden (De Leege Landen); Hof Amsterdam 23 juni 2020 (r.o. 3.12.4-3.12.5; 3.19), ECLI:NL:GHAMS:2020:1790 (Cancun). Vgl. ook Van Calker 2017, p. 541.
Zie bijv. Rb. Amsterdam 28 maart 2001 (r.o. 8), JOR 2001/110 (Hoffmann).
Zie bijv. OK 18 december 2018, JOR 2019/104, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Xeikon), waarover ook par. 8.8.3.
Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juni 2018 (r.o. 6.11), JOR 2018/207, m.nt. P.H.M. Broere (Leaderland), bevestigd in Hof Arnhem-Leeuwarden 27 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7208 (Leaderland).
Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juni 2018 (r.o. 6.12 e.v.), JOR 2018/207, m.nt. P.H.M. Broere (Leaderland), bevestigd in Hof Arnhem-Leeuwarden 27 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7208 (Leaderland).
Zie mijn annotatie (onder 3-4) bij Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juni 2018, JOR 2018/207 (Leaderland). Vgl. ook Olden (onder 5) in zijn annotatie bij Rb. Midden-Nederland 18 juni 2020, JOR 2021/34 (De Leege Landen); Borrius e.a. 2021, p. 53.
Rb. Midden-Nederland 18 juni 2020 (r.o. 2.4), JOR 2021/34, m.nt. P.D. Olden (De Leege Landen).
Rb. Zwolle-Lelystad 4 februari 2009 (r.o. 7.3), JOR 2009/216, m.nt. P.J. van der Korst (Meepo).
Hoewel de door de Ondernemingskamer vastgestelde feiten in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure niet vaststaan en door partijen kunnen worden bestreden en aangevuld, komt het in de lagere jurisprudentie regelmatig voor dat het onderzoeksverslag en de beschikkingen van de Ondernemingskamer als feitelijke basis dienen voor een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure.1 In andere gevallen grondt de civiele rechter zijn oordeel ten minste deels op de feiten uit het onderzoeksverslag en de beschikkingen van de Ondernemingskamer.2 Overigens kan ook in andere procedures dan aansprakelijkheidsprocedures bij de bewijslevering worden gebruikgemaakt van het enquêtedossier, bijvoorbeeld in een geschillenregelingprocedure3 of uitkoopprocedure.4
De opvolgende aansprakelijkheidsprocedure in Leaderland illustreert op welke wijze de waardering van het bewijs uit de enquêteprocedure kan plaatsvinden. Het stond het Hof Arnhem-Leeuwarden in deze procedure vrij de door de gelaedeerde ingebrachte bewijsmiddelen te waarderen, conform het uitgangspunt van art. 152 lid 2 Rv. Het hof overweegt hiertoe:
‘Dit kan er enerzijds toe leiden dat het hof het enquêtedossier als bewijsmiddel ter zijde schuift, hetgeen betekent dat [gelaedeerde, PB] (…) de door hem gestelde feiten op andere wijze moet bewijzen. Anderzijds kan zich het geval voordoen dat de bewijskracht (lees: de overtuigende kracht) van het enquêtedossier dermate groot is, dat het hof zich (voorshands) laat overtuigen, c.q. dat de overtuigende kracht van dit alles vraagt om een bijzondere, gemotiveerde weerlegging.’5
In dit geval gold het laatste: het hof achtte de inhoud van het onderzoeksverslag en de beschikkingen van de Ondernemingskamer dermate grondig, en daarmee overtuigend, dat aanleiding bestond aan het daartegen gevoerde verweer bijzondere eisen te stellen. De laedens verweerde zich met een beroep op enkele Russische vonnissen, die tegenover de beschikkingen van de Ondernemingskamer zouden staan. Aan deze Russische vonnissen kwam slechts vrije bewijskracht toe, omdat de regeling van art. 985 e.v. Rv hierop niet van toepassing is en erkenning van de Russische vonnissen door een nieuwe behandeling van het geding voor de Nederlandse rechter via art. 431 lid 2 Rv (de verkapte exequaturprocedure) niet had plaatsgevonden. Het hof motiveert zijn oordeel door te overwegen dat gesteld noch gebleken is dat aan de desbetreffende vonnissen eveneens een gedegen feitenonderzoek ten grondslag heeft gelegen, dat de Russische vonnissen zijn gebaseerd op Russisch recht, waarover tussen partijen geen debat heeft plaatsgevonden en over de precieze betekenis waarvan voor de onderhavige procedure het hof niet is geïnformeerd.6
Door aldus te overwegen blijft het hof mijns inziens binnen de door de Laurus-beschikking van de Hoge Raad getrokken grens dat de feiten uit de enquêteprocedure in een aansprakelijkheidsprocedure niet op voorhand vaststaan, zelfs niet behoudens tegenbewijs. Het hiervoor weergegeven citaat moet immers worden gelezen in het licht van de bewijswaardering. Het hof verwijst ook uitdrukkelijk naar art. 152 lid 2 Rv.7
Op vergelijkbare wijze ging de Rechtbank Midden-Nederland in De Leege Landen om met het onderzoeksverslag en de beschikkingen van de Ondernemingskamer. Verschil met Leaderland is wel dat de rechtbank in De Leege Landen bij de bewijswaardering niet alleen de grondigheid van het onderzoeksverslag en de beschikkingen van de Ondernemingskamer betrok, maar ook overwoog dat daaraan ‘een zorgvuldige procedure vooraf is gegaan’, waarbij ‘de betrokken partijen alle gelegenheid [hebben, PB] gehad om hun standpunten naar voren te brengen en op (voorlopige) conclusies van de onderzoeker te reageren’.8 Daarmee toetst de civiele rechter eigenlijk de wijze van bewijsvoering in de enquêteprocedure.
Dat het onderzoeksverslag en de enquêtebeschikkingen van de Ondernemingskamer in een behoefte van de civiele rechter voorzien, illustreert verder de opvolgende aansprakelijkheidsprocedure in Meepo. In deze procedure hield de Rechtbank Zwolle- Lelystad iedere beslissing aan en beval zij op grond van art. 22 Rv partijen het onderzoeksverslag en opvolgende beschikkingen van de Ondernemingskamer over te leggen. De rechtbank achtte het om proceseconomische redenen noodzakelijk het onderzoeksverslag in de enquêteprocedure af te wachten.9 Op zich bestaat tegen die gang van zaken weinig bezwaar, zij het dat de rechtbank vervolgens een eigen afweging heeft te maken ten aanzien van de aansprakelijkheidsvordering.