Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/3.3.1
3.3.1 Inleiding
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254031:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht 2017/66 en 461.
Zie voor een geschiedenis van het prioriteitsbeginsel De Hoog 2018.
Of een botsing zich voordoet hangt af van het antwoord op de vraag of de rechten dusdanig overlappen dat gelijktijdige uitoefening niet mogelijk is. Zie Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht 2017/461. Beperkte rechten op hetzelfde goed hoeven dus niet met elkaar in botsing te komen. Zie voor voorbeelden Bartels e.a., in: Boek 5 BW van de toekomst 2016, p. 327-328 en Van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed 2018/2.4.2.
Art. 3:273 BW. Het is overigens mogelijk af te wijken van de gevolgen van zuivering. Zie Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 838 (MvA II). Zie nader over die mogelijkheid Heilbron, in: Tenietgaan van beperkte rechten 2017, par. 3.3, tevens met verdere verwijzingen naar literatuur. Als de executant een later gevestigd beperkt recht respecteert, zou dat gezien kunnen worden als een rangwijziging.
Zie bijv. Steneker, Pandrecht (Mon. BW nr. B12a) 2012/1 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2019/81 en 747.
Bartels e.a., in: Boek 5 BW van de toekomst 2016, p. 326.
Zie bijv. Vermunt, in: Onderneming en 10 jaar nieuw Burgerlijk Recht 2002, p. 325; Faber & Vermunt, in: Bancaire zekerheid 2010, p. 165; Abendroth, WPNR 2014/7029, p. 756; Bartels e.a., in: Boek 5 BW van de toekomst 2016, p. 328; Schuijling 2016/249 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2019/781.
Zie Kleijn, JBN 1998/61; Vermunt, in: Onderneming en 10 jaar nieuw Burgerlijk Recht 2002, p. 325 e.v.; Faber & Vermunt, in: Bancaire zekerheid 2010, p. 168; Schuijling, JOR 2012/61, nr. 21; Steneker, Pandrecht (Mon. BW nr. B12a) 2012/16 en 25; Beekhoven van den Boezem, WPNR 2015/7072; Krzemiński, WPNR 2016/7092, p. 75; Quist, TOP 2016/568, par. 6; Schuijling 2016/249; Faber & Vermunt, in: Financiering van de productieketen 2019, par. 3.1; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2019/781 en 822; Groot Rouwen, MvV 2019/5, par. 2; Van der Linden van Sprankhuizen, JOR 2019/203, nr. 4 en Verdaas, WPNR 2020/7276, par. 4. Zie ook Conclusie A-G Rank-Berenschot 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:884, nr. 2.64. Het arrest van de Hoge Raad is op het moment van drukproef gereed maken van dit proefschrift nog niet verschenen. Anders: Gräler, JBN 1993/98; Kuhlmann, JBN 1998/34; Veldkamp, TOP 2009/6 en De Hoog 2018/8.3.4.
Volgens Groot Rouwen, MvV 2019/5, p. 183 is de rang van een beperkt recht niet zonder meer inhoud van een beperkt recht, omdat de rang van een beperkt recht geen bevoegdheid, maar een eigenschap is waaruit bevoegdheden voortvloeien. Zie ook Conclusie A-G Rank-Berenschot 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:884, nr. 2.58: “(…) nu de rang van een pandrecht niet tot de op de voet van art. 3:98 jo. 3:84 te wijzigen inhoud ervan behoort.” Het arrest van de Hoge Raad is op het moment van drukproef gereed maken van dit proefschrift nog niet verschenen.
Zie ook par. 1.5.2.
Steneker, Pandrecht (Mon. BW nr. B12a) 2012/1 en Groot Rouwen, MvV 2019/5, p. 183.
Kohler, in: Münchener Kommentar BGB, §879 2020, aant. 2.
S. Heinze, in: Staudingers Kommentar BGB, §879 2018, aant. 3 en Kohler, in: Münchener Kommentar BGB, §879 2020, aant. 2.
Faber & Vermunt, in: Bancaire zekerheid 2010, p. 168-169 zien (kennelijk) ook geen reden om de regels die gelden voor een wijziging van de inhoud van een beperkt recht niet toe te passen op de wijziging van de rangorde van beperkte rechten. Anders: Conclusie A-G Rank-Berenschot 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:884, nr. 2.58. Het arrest van de Hoge Raad is op het moment van drukproef gereed maken van dit proefschrift nog niet verschenen.
Bartels e.a., in: Boek 5 BW van de toekomst 2016, par. 5.3.
S. Heinze, in: Staudingers Kommentar BGB, §879 2018, aant. 3 en Kohler, in: Münchener Kommentar BGB, §879 2020, aant. 2.
Baur/Baur & Stürner, Sachenrecht 2009, §17, aant. 12.
Zie ook Van der Linden van Sprankhuizen, JOR 2019/203, nr. 7: “Rangwijziging van pandrechten laat zich onderscheiden in verschillende typen wijziging. In deze casus gaat het om de “wijziging” van twee pandrechten bij vestiging, waarbij de pandrechten een van de hoofdregel afwijkende rangorde krijgen.”
Veelal zal van een rangwijziging sprake zijn met betrekking tot beperkte rechten die zijn ontstaan door vestiging, maar niet is uitgesloten dat een rangwijziging plaats moet vinden in het kader van beperkte rechten die bijv. zijn ontstaan door verjaring. De term ontstaan is daarom zuiverder dan vestiging. Omwille van de leesbaarheid spreek ik in de tekst van de paragrafen gemakshalve van vestiging.
293. Het prioriteitsbeginsel speelt in het goederenrecht een belangrijke rol. De rangorde van beperkte rechten wordt bepaald door de volgorde van ontstaan.1 Het prioriteitsbeginsel stamt uit het Romeinse recht, waar het beginsel bekend staat onder de zinsnede ‘prior tempore potior iure’.2 De hoofdregel is dat een ouder beperkt recht voor een jonger beperkt recht gaat als de beperkte rechten met elkaar in botsing komen.3 Voor rechten op registergoederen is de prioriteitsregel neergelegd in art. 3:21 BW. Indien op een goed twee hypotheekrechten rusten, zal bij executie eerst de eerste hypotheekhouder uit de netto-opbrengst worden voldaan en daarna (indien de executieopbrengst dat toelaat) de tweede hypotheekhouder. Indien op een goed een erfpachtrecht en een hypotheekrecht rust, zal bij executie het erfpachtrecht alleen tenietgaan als het erfpachtrecht jonger is dan het hypotheekrecht.4 Ook de rangorde van pandrechten wordt bepaald door de prioriteitsregel.5
294. Er zijn situaties waarin de ontstaansvolgorde van beperkte rechten niet doorslaggevend is.6 Dat is bijvoorbeeld het geval als een vrijwillige rangwijziging heeft plaatsgevonden.7Art. 3:262 BW is de grondslag voor een vrijwillige rangwijziging indien bij de rangwijziging een hypotheekrecht is betrokken. Een eerste en tweede hypotheekrecht kunnen van rang worden gewijzigd, zodat de netto-executieopbrengst anders moet worden verdeeld (art. 3:262 lid 1 BW). Een hypotheekrecht kan ook van rang worden gewijzigd met een ander beperkt recht op hetzelfde goed, zodat bij executie het andere beperkte recht bijvoorbeeld niet meer teniet zal gaan (art. 3:262 lid 2 jo. art. 3:273 BW). In de praktijk bestaat soms ook behoefte aan een vrijwillige rangwijziging van Boek 5 BW-rechten of pandrechten.8 Alhoewel een daartoe strekkende regeling ontbreekt, wordt in de literatuur aangenomen dat op een met art. 3:262 BW vergelijkbare wijze een rangwijziging van pandrechten of Boek 5 BW-rechten mogelijk is.9
295. In de Nederlandse literatuur wordt zelden expliciet ingegaan op de vraag of de rang van een beperkt recht ook inhoud van een beperkt recht is.10 Dogmatisch gezien luidt het antwoord op die vraag in beginsel ontkennend, omdat de inhoud van een beperkt recht doorgaans wordt gekwalificeerd als een bundel van bevoegdheden en verplichtingen,11 terwijl de rang van een beperkt recht een eigenschap is waaruit bevoegdheden voortvloeien.12 Ook naar Duits recht is omstreden of de rang van een beperkt recht als inhoud van een beperkt recht kan worden aangemerkt.13 Volgens de Duitse heersende leer moet die vraag bevestigend worden beantwoord, omdat de rangorde een cruciaal onderdeel is en er weinig verschil bestaat tussen een inhoudsachtige werking en daadwerkelijke inhoud.14 Mijns inziens is de rang van een beperkt recht een belangrijke eigenschap en vertoont de rang grote verwantschap met de inhoud van een beperkt recht. Het past in het stelsel van de wet een rangwijziging op gelijke wijze te behandelen als een inhoudswijziging.15 Bartels e.a. laten bijvoorbeeld ook zien dat via een wijziging van de inhoud een met rangwijziging vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt.16 Naar Duits recht wordt het wetsartikel over een wijziging van de inhoud van een beperkt recht (§877 BGB) ook analoog van toepassing geacht als de wetsartikelen over de wijziging van de rang van een beperkt recht (§879 lid 3, §880 en §881 BGB) niet kunnen worden toegepast.17
296. Er kunnen verschillende momenten worden onderscheiden waarop een rangwijziging kan plaatsvinden. Het Duitse recht onderscheidt drie momenten en kent voor elk moment een afzonderlijk wetsartikel waarin de rangwijziging is geregeld.18 §879 lid 3 BGB regelt de rangwijziging bij het ontstaan, §880 BGB regelt de rangwijziging na het ontstaan en §881 BGB regelt de rangwijziging vóór het ontstaan. In deze paragraaf hanteer ik dezelfde indeling. In paragraaf 3.3.2 bespreek ik de rangwijziging bij het ontstaan van beperkte rechten.19 In paragraaf 3.3.3 bespreek ik de rangwijziging na het ontstaan van beperkte rechten. In paragraaf 3.3.4 bespreek ik de rangwijziging vóór het ontstaan van beperkte rechten.20 Ik sluit in paragraaf 3.3.5 af met een conclusie.