Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen in Nederland, Noorwegen en Zweden
Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen (SteR nr. 2) 2011/II.2.2.4:2.2.4 De grondwetsherzieningen van 1840 en 1848
Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen (SteR nr. 2) 2011/II.2.2.4
2.2.4 De grondwetsherzieningen van 1840 en 1848
Documentgegevens:
L.A. Kjellevold Hoegee, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
L.A. Kjellevold Hoegee
- JCDI
JCDI:ADS580777:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De afscheiding van België leidde tot de grondwetsherziening van 1840.1 Hoewel geen sprake was van een radicale breuk met het bestaande stelsel, betekende deze herziening een eerste stap richting een parlementair regeringsstelsel. Tot nu toe waren de ministers slechts adviseurs van de Koning geweest. Door de invoering van een strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid en de hiermee samenhangende medeondertekening van koninklijke besluiten en beschikkingen (het contraseign), werd de minister een medebesluitende ambtsdrager. De uitvoerende macht bleef nog grotendeels in handen van de Koning, maar een eerste verschuiving van de macht van de Koning naar de ministers was zichtbaar.
Belangrijker was de grondwetsherziening van 1848.2 Hiermee werden de politieke ministeriële verantwoordelijkheid en de daarmee samenhangende ministeriële inlichtingenplicht vastgelegd. De ministers waren op grond hiervan voor al het handelen van de Koning (en van hen zelf) verantwoording schuldig aan de kamers der Staten-Generaal. De Tweede Kamer kreeg voorts het recht amendementen in regeringsvoorstellen van wet aan te brengen. Daarnaast schreef de Grondwet rechtstreekse verkiezing van de Tweede Kamer, de provinciale staten en de gemeenteraden voor. De regering kreeg als tegengewicht tegen de bevoegdheden van de Tweede Kamer het recht tot ontbinding van de Kamers. Het ontbindingsrecht – dat jegens beide kamers kon (en kan) worden uitgeoefend – maakte het mogelijk een conflict tussen de regering en de Kamer(s) door de kiezer te laten beslechten. Een besluit tot Kamerontbinding moest (en moet) gepaard gaan met het uitschrijven van nieuwe verkiezingen. Als uit de verkiezingen bleek dat de kiezer achter de regering stond, kon het kabinet in beginsel aanblijven. Was dit niet het geval, dan moest het kabinet het standpunt van de Kamer(s) overnemen óf ontslag aanbieden.3
De Grondwet legde tevens de grondslag voor een uniforme inrichting van de gedecentraliseerde overheidsverbanden. Die inrichting kreeg in de jaren daarna nadere uitwerking in enkele belangrijke organieke wetten, zoals de Provinciale wet (1850) en de Gemeentewet (1851). De Raad van State bleef bestaan, maar als adviesorgaan van de regering in plaats van de Koning.