Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/8.2.1
8.2.1 Schorsing en vernietiging
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld het eerder aangehaalde voorbeeld van de vernietiging van de aansprakelijkstelling in Zandvoort (KB van 18 september 1996, Stb. 1996, 484). De praktijk ten aanzien van dit type schorsing en vernietiging is overigens niet eenduidig. In sommige gevallen kan de vaststelling van de rekening (of een deel daarvan) als zodanig worden geschorst of vernietigd; in andere gevallen wordt alleen het besluit tot het buiten de rekening laten geschorst of vernietigd. Zie bijvoorbeeld de schorsing van het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Thorn tot het buiten de rekening laten van een bedrag van f 9284,64 (KB 24 november 1997, Stb. 1997, 597). Het nettoresultaat is hetzelfde.
KB van 10 november 2008, Stb. 2008, 442 en 443.
Zie Kamervragen met antwoord 2008-2009, nr. 1630.
Zie voor meer details over de procedure van schorsing en vernietiging D•511e/Elzinga (2004), p. 715-729.
Zie Rb 's-Gravenhage (kg) 23 december 2005, LJN AU8652 (Haarlemmermeer).
De Greef (2006), p. 194.
Het voordrachtsrecht van de burgemeester bestaat nog steeds (art. 273 Gemeentewet) en wordt incidenteel nog steeds gebruikt (zie bijvoorbeeld de in hoofdstuk 7 besproken vernietigingen van de verordeningen op de rekenkamercommissie van de gemeenten Lelystad en Oirschot). Het wetsvoorstel revitalisering generiek toezicht bevat een bevoegdheid voor gedeputeerde staten om besluiten van de gemeenteraad of het college voor vernietiging voor te dragen. Hetzelfde voorgedragen art. 273b Gemeentewet bevat een soortgelijke bevoegdheid voor de commissaris van de Koning ten aanzien van besluiten van de burgemeester.
Zie Van den Berg (2006), p. 56-57.
Besluit van 22 maart 2010, Stb. 2010, 138 (gemeente Westland).
Besluit van 10 mei 2005, Stb. 2005, 270 (Lelystad); Besluit van 1 november 2006, Stb. 2006, 572 (Oirschot); Besluit van 1 november 2006, Stb. 2006, 573 (Gorinchem) en het Besluit van 12 december 2006, Stb. 2006, 692 (Limburg).
Besluit van 20 november 2006, Stb. 2006, 615 (Amsterdam) en het Besluit van 31 oktober 2008, Stb. 2008, 443 (meerdere decentrale overheden (Landsbanki)).
ABRRvS 22 april 2009, zaaknummer 200809196/1.
De regering haalt KB 28 december 1990, Stb. 1991, 25 (Rhenen) en KB 22 december 1988, Stb. 1988, 675 (Hilversum) aan.
KB 4 februari 2002, Stb. 2002, 79 (Boxmeer).
Naar aanleiding van het wetsvoorstel revitalisering generiek toezicht heeft de ministerraad een nieuw toetsingskader vastgesteld, dat van kracht wordt als het genoemde wetsvoorstel in werking treedt (zie de bijlage bij TK 32389 nr. 5). Het valt op dat het begrip 'algemeen belang' in dit nieuwe toetsingskader niet of nauwelijks wordt geëxpliciteerd en dus feitelijk alleen de categorie 'overig' overblijft.
De instrumenten schorsing en vernietiging zijn vooral van belang voor individuele uitgaven en beheershandelingen. Op de vraag of deze vormen van repressief toezicht kunnen worden toegepast op de gemeentelijke jaarrekening als zodanig moet het antwoord ontkennend luiden. De wetgever schrijft immers zelf voor dat jaarrekeningen moeten worden vastgesteld. Doet de gemeenteraad dit niet vóór 15 juli, dan zijn gedeputeerde staten verplicht dit te doen. Schorsing en/of vernietiging van een besluit tot vaststelling van de jaarrekening staat een dergelijke tijdige vaststelling juist in de weg. Onder de oude regeling waarin de raad persoonlijke aansprakelijkheden kon vestigen door het buiten de rekening laten van bepaalde uitgaven, zou schorsing of vernietiging van de vaststelling van een jaarrekening nog zin kunnen hebben gehad, aangezien de Kroon op die manier kon voorkomen dat al te gemakkelijk aansprakelijkheden konden worden gevestigd.1 Nu de aansprakelijkheid — mijns inziens behoudens in rechte gebleken onregelmatigheden (zie hoofdstuk 5) — is verdwenen, zal de verdere bespreking van het repressieve toezicht vooral worden geplaatst tegen de achtergrond van individuele uitgaven, inkomsten en beheershandelingen en de politieke besluitvorming die uitgaven tot gevolg heeft.
Schorsings- en vernietigingsbesluiten raken niet zelden fmanciële beslissingen of op zijn minst die gemeentelijke beslissingen die financiële implicaties hebben, dan wel beslissingen in het kader van de uitoefening van financiële controle. In die laatste categorie kan worden gewezen op de verschillende vernietigingsbesluiten met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rekenkamer(commissie)s (zie hoofdstuk 7). Een voorbeeld uit de eerste categorie houdt verband met de Icesave-affaire. Verschillende decentrale overheden hadden grote sommen geld uitstaan bij Icesave op het moment dat deze bank (een onderdeel van de IJslandse bank Landsbanki) failliet ging. Toen deze overheden wilden overgaan tot executie van het beslag dat zij hadden gelegd op goederen van Landsbanki, kwamen zij in het vaarwater van de minister van Financiën, die juist met de IJslandse regering in onderhandeling was over de spaartegoeden die ook veel Nederlandse burgers waren kwijtgeraakt. Een vernietiging van de executiebeslissing volgde.2
Toch kunnen er grenzen zijn aan wat het vernietigingsrecht vermag. Dit deed zich voor tijdens de zogenaamde 'Sinterklaasaffaire' in de gemeente EchtSusteren. In deze gemeente hadden wethouders niet namens het college, maar namens hun eigen fractie subsidies verstrekt, waarbij de schijn van belangenverstrengeling niet altijd was vermeden. De wijze van subsidieverstrekking was daarmee zonder meer onrechtmatig. Toch wilde de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de besluiten niet voordragen voor vernietiging. Vernietiging van de besluiten zou namelijk intrekking van de subsidies ten gevolge hebben en dat achtte de minister juridisch onhaalbaar, gelet op het gewekte vertrouwen bij de ontvangers van de subsidie.3
De basis voor het vernietigingsrecht is art. 132 lid 4 GW. In de artt. 268 en 273 Gemeentewet en in afdeling 10.2.2 van de Awb wordt dit recht verder uitgewerkt. Schorsing heeft geen grondwettelijke basis, maar is een recht dat min of meer voortvloeit uit het vernietigingsrecht. Daar waar nader onderzoek nodig is om te beslissen of vernietiging noodzakelijk is, biedt schorsing een tijdelijke oplossing. Een ander belangrijk verschil is dat tegen vernietiging beroep openstaat bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (art. 281a Gemeentewet) en tegen schorsing niet.4 Een gemeentebestuur dat een besluit geschorst ziet, zou zich nog kunnen wenden tot de burgerlijke rechter. Deze zal echter uiterst terughoudend toetsen, hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit het kort geding dat de gemeente Haarlemmermeer aanspande tegen de Staat der Nederlanden naar aanleiding van de schorsing van het besluit tot intrekking van de gebruikersvergunningen van een cellencomplex na de `Schipholbrand' op 27 oktober 2007. De rechtbank oordeelde dat het niet de taak is van de (burgerlijke) rechter om politieke afwegingen te maken en toetste de rechtmatigheid van het schorsingsbesluit zeer marginaal.5
- Trends
Uit onderzoek blijkt dat het vernietigingsrecht in kwantitatieve zin op zijn retour is. Het aantal vernietigingen daalt gestaag.6 Dit zou mede het gevolg kunnen zijn van de zich steeds verder ontwikkelende vertrouwensrelatie tussen de gemeenteraad en de burgemeester. Waar een burgemeester in vroeger tijden voor de raad vrijwel onaantastbaar was, kon hij betrekkelijk risicoloos besluiten van de gemeenteraad voordragen voor vernietiging.7 Thans is de kans groter dat hij dat achterwege laat als hij niet volledig overtuigd is van het bestaan van een onrechtmatigheid of van strijd met het algemeen belang. Voor het overige wordt het vernietigingsrecht 'spontaan' gebruikt (dat wil zeggen: op eigen initiatief van een minister). Ook spontane vernietiging is betrekkelijk zeldzaam.
Waar het schorsings- en vernietigingsrecht in kwantitatief opzicht wat op zijn retour lijkt, valt er in kwalitatief opzicht nog wel wat over te zeggen. Dit betreft vooral het gebruik van de vernietigingsgrond 'strijd met het algemeen belang'. De mogelijkheid van vernietiging van autonome besluiten wegens strijd met het algemeen belang is in strijd met art. 8 lid 2 van het Europees Handvest inzake Lokale Autonomie (EHLA), dat luidt:
Elk administratief toezicht op de activiteiten van de lokale autoriteiten dient in de regel slechts gericht te zijn op het verzekeren van de naleving van de wet en de grondwettelijke beginselen. Administratief toezicht mag echter met betrekking tot doelmatigheid door hogere autoriteiten uitgeoefend worden inzake taken waarvan de uitoefening aan de lokale autoriteiten is gedelegeerd.
De ratio achter deze bepaling is gelegen in de bescherming van de autonomie van lokale overheden. Door bij de autonome taakvervulling uitsluitend toezichtsbevoegdheden toe te kennen voor zover het toezicht op de naleving van de wet betreft, wordt ertegen gewaakt dat nationale overheden om beleidsinhoudelijke redenen ingrijpen in de autonomie van de lokale overheden. Om de mogelijkheid van vernietiging wegens strijd met het algemeen belang overeind te houden, heeft Nederland bij deze bepaling een voorbehoud gemaakt.
Lange tijd leek het erop dat dit voorbehoud uiteindelijk zou kunnen komen te vervallen. De vernietigingsgrond 'strijd met het algemeen belang' werd nauwelijks meer gebruikt en zou bij een volgende grondwetsherziening kunnen verdwijnen.8 Inmiddels kan dit niet meer worden volgehouden. Van de zeven vernietigingen die tussen 2005 en 2010 zijn voorgevallen, heeft er slechts één uitsluitend wegens strijd met het recht plaatsgevonden.9 In vier gevallen betrof het een vernietiging wegens strijd met het recht èn het algemeen belang10 en in twee gevallen was de strijd met het algemeen belang de enige vernietigingsgrond.11 Bij schorsingen komen de gronden 'strijd met het recht' en 'strijd met het algemeen belang' vrijwel standaard beide voor, maar dit kan worden verklaard uit het gegeven dat nader onderzocht moet worden of vernietiging noodzakelijk is en de regering er tot het moment van definitieve besluitvorming hieromtrent goed aan doet beide opties open te houden.
- Vernietiging wegens strijd met het algemeen belang
Wanneer een vernietiging uitsluitend geschiedt wegens strijd met het algemeen belang, doet dat vermoeden dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een voorkomend geval tamelijk marginaal zal toetsen. Deze stelling is zowel juist als onjuist. Dit valt het beste te illustreren aan de hand van de eerder gememoreerde Landsbanki-zaak. De Afdeling oordeelde inderdaad dat het past de beleidsinhoudelijke afweging van de regering zoveel mogelijk marginaal te toetsen. Niettemin vond wel een 'volle' toetsing plaats aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dan met name aan het motiveringsbeginsel. Omdat de Afdeling de motivering van het vernietigingsbesluit niet afdoende vond, werd de vernietiging ongedaan gemaakt.12 De afbakening tussen de beleidsinhoudelijke afweging en de motivering van het besluit zal in de praktijk echter moeilijk te trekken zijn, omdat de motivering juist bedoeld is om inzicht te bieden in de ratio achter de beleidsinhoudelijke afweging.
Vermeldenswaard is hier verder het 'toetsingskader spontane vernietiging' dat in 2006 werd vastgesteld in de ministerraad op voorstel van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In dit toetsingskader werd getracht een beeld te geven van de omstandigheden waarin sprake zou kunnen zijn van strijd met het algemeen belang. Nadat de minister eerst aangegeven heeft dat deze toetsingsgrond spaarzaam zou moeten worden toegepast, onderscheidt de minister vier categorieën van toepassing:
Het decentrale bestuursorgaan claimt een bevoegdheid die impliciet aan een hoger orgaan is toevertrouwd. Bij overtreding van een expliciete taakverdeling zal doorgaans sprake zijn van strijd met het recht. Soms is de taakverdeling echter niet geëxpliciteerd. De minister noemt als voorbeeld het gemeentelijke anti-apartheidsbeleid in de jaren '80 en '90.13 Hoewel er nergens een expliciete bepaling was die dit beleid aan het rijk toevertrouwde, was in politiek opzicht duidelijk dat dit beleid in hoofdzaak bij de centrale overheid berust.
Een bestuursorgaan van een decentrale overheid heeft de bevoegdheid, maar oefent deze op een zodanige manier uit, dat een aan een hoger orgaan toevertrouwd belang wordt doorkruist. De hiervoor aangestipte schorsing van het besluit van de gemeente Haarlemmermeer tot effectieve sluiting van het cellencomplex op Schiphol is een voorbeeld uit deze categorie. De gemeente Haarlemmermeer had de bevoegdheid de gebruikersvergunningen in te trekken, maar hierdoor werd het nationale beleid van vluchtelingendetentie doorkruist, zodat een schorsing wegens strijd met het algemeen belang vereist was.
De bevoegdheid wordt door een bestuursorgaan van een decentrale overheid uitgeoefend op een wijze die indruist tegen het belang van de burger. Het is niet alleen de taak van de gemeentelijke bestuursorganen om op te komen voor de belangen van de gemeentelijke ingezetenen. Als een gemeentelijk besluit de belangen van de burger schendt, kan dit via vernietiging op grond van strijd met het algemeen belang worden verhinderd. Zo oordeelde de Kroon dat het opsplitsen van een brandweerkorps binnen een gemeente niet alleen in strijd was met het recht, maar ook in strijd met de belanen van de gemeentelijke ingezetenen en dus met het algemeen belang. 14
Overig. De laatste categorie is met opzet vaag gehouden. De grondwetgever heeft met het begrip "algemeen belang" bewust beoordelingsruimte willen toekennen aan de Kroon. Hierdoor wordt er in het toetsingskader van uitgegaan dat het begrip niet al te zeer ingesnoerd mag worden en dat moet worden erkend dat het begrip "algemeen belang" altijd ook een restcategorie zal bevatten.15