Zaaksvervanging
Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/6.2.1:6.2.1 Specieszaken
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/6.2.1
6.2.1 Specieszaken
Documentgegevens:
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS624010:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
197.
Individueel bepaalde roerende zaken die zich niet kenmerken door een maatschappelijke vervangbaarheid, geven als surrogaat bij zaaksvervanging relatief weinig problemen. De zaken hebben een natuurlijke identiteit die in vrijwel alle omstandigheden herkenbaar blijft. Vervangende rechten die hierop door zaaksvervanging komen te rusten, kunnen daardoor betrekkelijk eenvoudig worden uitgeoefend, ook indien de tijd verstrijkt. Deze relatieve rust wordt alleen verstoord wanneer de betrokken zaken als bestanddeel onderdeel worden van een andere zaak (art. 5:14 BW) of opgaan in een geheel nieuwe zaak (art. 5:16 BW). In beide gevallen geldt namelijk dat het surrogaat ophoudt als zelfstandige zaak deel uit te maken van het rechtsverkeer, hetgeen meebrengt dat alle rechten die hierop rusten, ophouden te bestaan.1 Dit geldt ook voor de vervangende rechten die door zaaksvervanging zijn ontstaan.
Wanneer dus met aan vruchtgebruik onderworpen middelen een bad wordt gekocht, dan is dit na levering een surrogaat waarop op grond van art. 3:213 BW een vruchtgebruik komt te rusten en waarvan de hoofdgerechtigde de eigendom verkrijgt. Wanneer dit bad vervolgens door de vruchtgebruiker wordt ingebouwd in zijn niet met vruchtgebruik belaste huis, gaan het eigendomsrecht van de hoofdgerechtigde en het vruchtgebruik teniet. De vruchtgebruiker blijft eigenaar van de woning, maar nu met het nieuwe bad. Hetzelfde geldt wanneer een gemeenschappelijke startmotor wordt ingebouwd in een auto die aan slechts één van de deelgenoten toebehoort.
De enige mogelijkheid om rechten die op het bestanddeel of grondstof rusten voort te zetten, is het accepteren van de in paragraaf 4.3.4 en 4.3.6 besproken mogelijkheid van voortzetting van beperkte rechten bij natrekking zonder hoofdzaak, zoals geregeid in art. 5:14 lid 2 BW of zaaksvorming met toepassing van art. 5:16 lid 1 BW. Wanneer wordt aangenomen dat deze artikelen niet alleen de vervanging van het eigendomsrecht regelen, maar ook toelaten dat beperkte rechten worden voortgezet, kan een vervangende aanspraak worden geconstrueerd op het vervangende goed. Dit komt neer op een nieuwe vervanging op grond van deze artikelen. Wanneer uit hout waarop een pandrecht rust, een tuinbank wordt gemaakt en hierop (anders dan gebruikelijk) art. 5:16 lid 1 BW van toepassing is, kan worden betoogd dat het aandeel in de eigendom van de bank, dat toekomt aan de eigenaar van het gebruikte hout, belast is met een pandrecht. Het pandrecht op het hout wordt dan vervangen door een pandrecht op het aandeel in de gemeenschappelijke bank. Dit zou een nieuwe vorm van zaaksvervanging zijn die direct samenhangt met de originaire verkrijging van de nieuwe zaak.
Deze benadering is echter niet de heersende leer. Algemeen wordt aangenomen dat toepassing van art. 5:16 lid 1 BW slechts de eigenaar van het hout een vervangend recht op (een aandeel in) de bank geeft en dat dit een volledig, onbelast recht is. Hetzelfde geldt bij toepassing van art. 5:14 lid 2 BW, dat natrekking zonder hoofdzaak regelt. Hieruit volgt dat in alle gevallen waarin een roerende zaak die als surrogaat functioneert, onderwerp wordt van natrekking of zaaksvorming de bestaande aanspraken definitief tenietgaan voor zover het beperkte rechten betreft.2 Eigendom kan onder omstandigheden wel worden vervangen door een aanspraak op (een aandeel in) een nieuw zaak.