Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.2.3.2
7.2.3.2 Het dispositievereiste
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS506124:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Konijnenbelt 1975, p. 104-105. Zie hierover ook Van Wijk, Konijnenbelt & Van Male 2014, p. 319-321. Vgl. Scheltema 1975, p. 34 en 38.
Op deze plaats kan in het midden blijven of het dispositievereiste een ‘vereiste’ in eigenlijke zin is dat altijd wordt gesteld door elke bestuursrechter die zich geconfronteerd ziet met de aanwezigheid van gerechtvaardigd vertrouwen. Dat lijkt mij niet, maar is nog geen uitgemaakte zaak in het bestuursrechtelijke discours. Zie hierover Cramwinckel & Van Triet 2016.
Vgl. Van Male 2015, p. 357-358, De Vos 2011, p. 269 en HR 17 november 1995, NJ 1997/ 185 m.nt. M. Scheltema, r.o. 3.3 (Kluns Tuns).
Zie hierover Cramwinckel 2016.
HR 12 april 1978, NJ 1979/533 m.nt. M. Scheltema, AB 1979/262 m.nt. F.H. van der Burg (Doorbraakarresten).
HR 26 september 1979, BNB 1979/311 m.nt. J.P. Scheltens, AB 1980/210 m.nt. P.J. Stolk (Autokosten). Daarnaast is vereist dat de inlichtingen niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat de betrokken belastingplichtige redelijkerwijs hun onjuistheid had kunnen en moeten beseffen.
HR 4 juni 1986, BNB 1986/248 m.nt. P. den Boer, r.o. 4.3 (Huurwaarde studeerkamer).
Vgl. Rb. Midden-Nederland 29 juli 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:5504, r.o. 3.5 (Amersfoortse ambtenaar), waarin wordt overwogen dat eiseres ‘eerst aanspraak [kan] maken op schadevergoeding jegens de gemeente indien eventueel door haar geleden schade door deze onjuiste inlichting is veroorzaakt. Dit zou het geval kunnen zijn indien zij, afgaande op deze inlichting, iets heeft gedaan (of nagelaten) wat zij niet zou hebben gedaan (nagelaten) indien zij wél over de juiste inlichtingen had beschikt.’
Barendrecht e.a. 2002, p. 82, merken op dat de benadeelde in beginsel dient aan te tonen dat hij in vertrouwen op de gegeven informatie heeft gehandeld. Zij achten dat ‘in het algemeen niet zeer ingewikkeld’ bij gerichte informatie, maar het kan ‘veel lastiger zijn’ bij ongerichte informatie. Waarom op dit punt een onderscheid zou bestaan, valt echter, zonder nadere toelichting, die Barendrecht e.a. niet geven, niet in te zien.
Vgl. de casus in HR 22 september 1995, NJ 1997/418 (Kruijswijk/Blaricum).
Vgl. Hof ‘s-Hertogenbosch 8 november 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU3920, r.o. 4.12 (Agrarisch bedrijf Oisterwijk) en Hof Arnhem-Leeuwarden 27 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2023, r.o. 4.10 (Reestman Noord).
Vgl. Hof Leeuwarden 17 mei 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5760, r.o. 15-15.1 (Winkelschip Groningen).
Vgl. Hof ‘s-Hertogenbosch 6 november 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB7864, r.o. 4.4.3 en 4.4.8 (Champignonkwekerij Moerdijk), Rb. Arnhem 31 augustus 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BT7176, r.o. 4.6 (Woning Overbetuwe) en Rb. Zwolle-Lelystad 21 april 2010, ECLI:NL:RBZLY:2010:BN0380 (Pluimveestal Lelystad).
Vgl. Hof Arnhem 31 mei 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ7283, r.o. 5.25-5.27 (Ede/ Budding) en in eerste aanleg Rb. Arnhem 2 december 2009, NJF 2010/118, r.o. 4.8 (Ede/ Budding). Vgl. ook Rb. ‘s-Gravenhage 14 december 2011, ECLI:NL:RBSGR: 2011: BV1582, r.o. 2.12-2.13 (SCS/Teylingen) en Rb. Den Haag 20 februari 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ2830, r.o. 2.2 (SCS/Teylingen).
Barendrecht e.a. 2002, p. 82, geven het voorbeeld van onjuiste informatieverstrekking over iemands rechtspositie, waarbij het lastig is om te bewijzen dat op grond daarvan ontslag is genomen, en dat niet eveneens (om andere redenen) ontslag zou zijn genomen zonder de betreffende onjuiste inlichting.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 3 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9186, r.o. 5.7- 5.9 (Eemsland/Groningen).
Vgl. Hof Leeuwarden 8 mei 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BW7272, r.o. 8.2-8.3 (Verbouwing Veendam) en Hof ‘s-Hertogenbosch 20 juni 2000, NJ 2001/299, r.o. 4.14 (Cees Streng/Breda). Vgl. ook Hof Leeuwarden 8 mei 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BW7272, r.o. 8.2-8.3 (Verbouwing Veendam), waarin het hof overweegt dat voor aansprakelijkheid nodig is dat de informatie door haar onjuistheid tot schade heeft geleid.
Het causaal verband ontbreekt niet ingeval zich later andere feiten hebben voorgedaan die eveneens tot het ontstaan van de schade zouden hebben geleid, indien de overheid wel aanstonds juiste informatie zou hebben verstrekt. Het oorzakelijk verband wordt door die feiten niet doorbroken, zoals voor toezeggingen blijkt uit HR 23 juni 1989, NJ 1990/441, r.o. 3.2 (Kennis/Budel), waarover Van Dijck 1990, p. 164-166, behalve wanneer die latere feiten voor risico van de benadeelde komen. Vgl. HR 2 februari 1990, NJ 1991/292 m.nt. C.J.H. Brunner (Vermaat/Staat en ABP), HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2795, NJ 2002/576 m.nt. J.B.M. Vranken (Leeuwarden/Los) en HR 23 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7193, NJ 2012/377 m.nt. P. van Schilfgaarde (Voûte en Van Wulfften Palthe/DNB).
Dit geval blijft hier verder onbesproken, omdat deze burger meestentijds niet redelijkerwijs mocht vertrouwen op de juistheid van de verstrekte informatie, en de overheid dus niet onrechtmatig jegens deze burger heeft gehandeld door onjuiste informatie te verstrekken (zie hoofdstuk 4). Zie bijvoorbeeld Rb. Limburg 23 november 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:10025, r.o. 4.8 (Van Susteren/Venlo) en in hoger beroep Hof ’s-Hertogenbosch 30 oktober 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4532, r.o. 3.5.7 (Van Susteren/Venlo) en daarnaast Hof Amsterdam 3 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1091, r.o. 2.5 (Chranita/Kadaster). Aan een onderzoek naar het csqn-verband wordt dan niet meer toegekomen.
CRvB 1 maart 1990, AB 1990/471 m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens (Vrijwillige ziekenfondsverzekering).
Vgl. HR 17 november 1995, NJ 1997/185 m.nt. M. Scheltema, r.o. 3.3 (Kluns Tuns): van een in redelijkheid te honoreren vertrouwen is geen sprake wanneer dat vertrouwen werd gewekt door een uitlating die de overheid onverwijld en onmiskenbaar duidelijk heeft herroepen.
In het licht van het voorgaande dringt zich een parallel op met het bestuursrechtelijke dispositievereiste, dat in 1975 is geïntroduceerd door Konijnenbelt.1 Hij stelde dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel, uiteraard naast het bestaan van gerechtvaardigd vertrouwen, noodzakelijk was dat de burger ‘op grond van het gewekte vertrouwen handelingen heeft verricht die hij anders zou hebben nagelaten en die niet licht ongedaan kunnen worden gemaakt of indien en voor zover hij ten gevolge van het vertrouwen anderszins in een andere toestand is geraakt.’2 Hiervan is naar gangbare opvatting sprake wanneer de burger heeft voortgebouwd op het gewekte vertrouwen, in de zin dat hij iets heeft gedaan of nagelaten wat hij bij afwezigheid van dat vertrouwen niet had gedaan of nagelaten.3 De rol van het dispositievereiste is het duidelijkst zichtbaar in de belastingrechtspraak.4
Na de Doorbraakarresten van 19785 maakte de belastingrechter in het kader van de contra legem-werking van het vertrouwensbeginsel al snel een onderscheid tussen toezeggingen en inlichtingen (zie hierover ook paragraaf 4.7.12.3). De hoofdregel bij inlichtingen is dat de fiscus daaraan in beginsel niet is gebonden. Dat kan onder bijzondere omstandigheden anders zijn. Daarvoor is ten minste vereist dat de belastingplichtige ‘een handeling heeft verricht of nagelaten, ten gevolge waarvan hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen, maar daarenboven schade lijdt’.6 Het tegenovergestelde geldt bij toezeggingen. Behoudens uitzonderingen kan de fiscus in beginsel wél worden gehouden aan toezeggingen, waarbij de belastingrechter heeft benadrukt dat voor gebondenheid aan een toezegging niet is vereist ‘dat de belastingplichtige, afgaande op de hem gedane toezegging, een handeling heeft verricht, welke hij zonder die toezegging zou hebben nagelaten.’7
Het dispositievereiste speelt ook in de civiele rechtspraak een rol van betekenis, omdat dit vereiste belichaamt waar het om gaat bij de tweede trede van de csqn-toetsing in het kader van onjuiste informatieverstrekking, die betrekking heeft op het alternatieve handelen van de burger (zie paragraaf 7.2.3).8 Ten eerste maakt het vereiste inzichtelijk of, en zo ja op welke wijze, het gedrag van de burger is beïnvloed door het vertrouwenwekkende overheidshandelen. Het ziet aldus op de vaststelling van het verband tussen de verstrekte informatie en hetgeen feitelijk is voorgevallen: heeft de burger wel daadwerkelijk voortgebouwd op het gewekte vertrouwen?9
Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van het voorbeeld van de burger die stelt dat hij een perceel heeft aangekocht in de veronderstelling dat daarop in de toekomst woningbouw mogelijk zou worden gemaakt, terwijl deze veronderstelling na de aankoop van het perceel niet terecht blijkt te zijn geweest.10 Deze stelling is niet juist, indien het perceel al was gekocht voordat het relevante vertrouwen was gewekt of pas is gekocht nadat dit vertrouwen niet meer gerechtvaardigd was.11 Deze stelling kan ook niet worden gevolgd indien de aankoop (hoofdzakelijk) was ingegeven door een andere reden dan de mogelijkheid van woningbouw.12
Ten tweede moet komen vast te staan wat er feitelijk zou zijn gebeurd indien het vertrouwen niet zou zijn gewekt. In dit verband is doorslaggevend of de burger anders zou hebben gehandeld, in de zin dat hij de feitelijk verrichte of achterwege gelaten handelingen in de hypothetische situatie niet of juist wel had verricht.13 Hier gaat het om het verband tussen het ontbreken van een onjuiste voorstelling van zaken en hetgeen in de hypothetische situatie zou zijn voorgevallen.
Was de aankoop van het perceel door de burger in het alternatieve scenario achterwege gebleven of was het perceel dan eveneens gekocht, al dan niet voor een lagere prijs?14 Denkbaar is bijvoorbeeld dat de burger zowel interesse had in de waardevermeerdering van het perceel in verband met de toekomstige bestemming voor woningbouw, als belangstelling voor het perceel had in de wetenschap dat daarop nu al akkerbouw mogelijk was, omdat hij als akkerbouwer al een naastgelegen perceel bewerkte.15
Ten derde moet, vanuit de aanname dat het relevante handelen of nalaten op basis van het gewekte vertrouwen in de hypothetische situatie achterwege was gebleven, worden bezien of dat handelen of nalaten – dat dus was ingegeven door de onjuiste informatieverstrekking – tot het ontstaan van de gestelde schade in de vorm van geleden verlies of gederfde winst heeft geleid.16 Het gaat hier om het verband tussen de verstrekking van informatie en de schade.
Slechts schade die wordt geleden doordat ten onrechte het vertrouwen is gewekt dat woningbouw in de toekomst mogelijk zou worden, komt voor vergoeding ten laste van de overheid in aanmerking. Deze schade is niet gelijk aan de prijs van het perceel, indien dat niet zou zijn aangekocht bij een juiste voorstelling van zaken, en bestaat ook niet in het mislopen van de waardevermeerdering van dat perceel doordat woningbouw onmogelijk blijkt (zie hierover nader in paragraaf 7.4.2 en 7.4.3).
Kort samengevat, is de kernvraag of het gebrek dat kleeft aan de informatieverstrekking voldoende rechtstreeks heeft geleid tot het ontstaan van de schade.17 Hierover kan men pas uitspraken doen indien de alternatieve handelwijze van het bestuursorgaan in beeld is gebracht, omdat daarop wat betreft het hypothetische handelen van de burger moet worden voortgebouwd. Het voorgaande kan aldus worden samengevat dat de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis in causaal verband staat met de schade indien (i) de informatiefout de oorzaak was van het handelen of nalaten van de burger, (ii) de burger anders zou hebben gehandeld zonder de informatiefout en (iii) de schade niet zou zijn ontstaan bij dat alternatieve handelen. Andersom geredeneerd, ontbreekt het causaal verband indien de gehele schade zonder de informatiefout eveneens zou zijn ingetreden, omdat de burger zonder die fout dezelfde keuzen had gemaakt of omdat andere keuzen tot dezelfde schade zouden hebben geleid.18 Causaal verband ontbreekt doorgaans ook indien de burger ten tijde van de dispositie reeds kennis had van de juiste informatie die hem door de overheid ten onrechte is onthouden.19 Hetzelfde geldt indien de burger pas heeft gedisponeerd na het einde van de vertrouwensperiode, bijvoorbeeld nadat de overheid zichzelf heeft gecorrigeerd of nadat de burger zich anderszins heeft gerealiseerd – dan wel zich had moeten realiseren20 – dat de verstrekte informatie onjuist was.21 Vanaf dat moment kan van een gerechtvaardigd vertrouwen niet meer worden gesproken. Vertrouwen komt immers te voet en gaat te paard. Dat is vooral merkbaar wanneer het handelen van de burger dat mede noodzakelijk is voor het intreden van de schade pas heeft plaatsgevonden nadat de vertrouwensperiode objectief gezien al is geëindigd.