Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/3.4.4.2
3.4.4.2 Zorgvuldigheid als onderdeel van het ‘fair trial’-begrip van artikel 6 EVRM
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS462071:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 10 februari 1983, Series A, Vol. 58, par. 36 (Albert en Le Compte).
EHRM 14 november 2000, appl.no. 35115/97, par. 37 (Riepan).
Zie ook Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 29 702, nr. 3, p. 141.
‘As regards the applicants’ complaints that the Tax Authority and the national courts did not carry out a proper and sufficiently detailed examination of the cases, the Court reiterates that it is not its function to deal with an application alleging that errors of law or fact have been committed by national courts unless and in so far as they may have infringed rights and freedoms protected by the Convention. Moreover, while Article 6 of the Convention guarantees the right to a fair hearing, it does not lay down any rules on the admissibility of evidence or the way it should be assessed, which are therefore primarily matters for regulation by national law and the national courts (see, among other authorities, García Ruiz v. Spain [GC], no. 30544/96, § 28, ECHR 1999-I)’ (EHRM 26 maart 2006, nr. 34496/04, par. 3 (Ekelöf).
Zie EHRM 28 juni 2011, nr. 577-11, par. 50-51 (Het Financieele Dagblad).
EHRM 20 september 2011, nr. 14902/04, par. 589 (Yukos).
EHRM 20 november 2007, nr. 45198/04 (Gruber). Zie ook RvdW 2008, 301.
Ik vermoed dat het EHRM deze redenatie heeft gevolgd, omdat het Duitse Federale Hof van Justitie reeds geoordeeld had dat de betreffende strafverzwarende omstandigheid niet van doorslaggevende betekenis is geweest bij het bepalen van de strafmaat.
EHRM 10 februari 1995, nr. 19160/91 (Gea Catalán) en EHRM 24 oktober 1996, nr. 21525/93 (De Salvador Torres). Zie ook NJ 1998, 294, met noot Knigge.
EHRM 10 februari 1995, nr. 19160/91, par. 29 (Gea Catalán).
EHRM 10 februari 1995, nr. 19160/91, par. 33 (Gea Catalán). Overigens gaat de uitkomst van deze casus mij te ver. Want als de algemene strafverzwarende omstandigheid van het ‘ambtenaarschap’ al besloten ligt in de delictsomschrijving (de ‘publieke middelen’), dan mag ik veronderstellen dat de nationale rechter daar in de strafmaat bij het gronddelict rekening mee heeft gehouden. Het risico van dubbele strafverzwaring ligt op de loer.
EHRM 8 februari 2000, nr. 25878/94, par. 42 (Cooke).
In de zaak van Cooke ging het om een mogelijke strafverhoging; in eerste instantie was 20 jaar gevangenisstraf opgelegd en voor de opvolgende instantie eiste de aanklager levenslang. Zie ook EHRM 3 oktober 2000, nr. 28501/95 (Pobornikoff), waarin het om een mogelijke strafvermindering ging.
EHRM 20 januari 2011, nr. 52131/07 (Haxhishabani). Zie ook NJ 2012, 292, met noot Keijzer en RvdW 2012/419.
Het hof verwijst daarbij (zie par. 38) naar de zaken Salabiaku (EHRM 7 oktober 1988, Series A, Vol. 141-A, par. 28) en Radio France (EHRM 30 maart 2004, nr. 53984/ 00, par. 24). Het gebruik van bewijsvermoedens acht het hof geoorloofd, wanneer de lidstaten ‘confine them within reasonable limits’ waarbij rekening moet worden gehouden met twee voorwaarden: ‘the importance of what is at stake’ en ‘maintain the rights of the defence’.
Recommendation No. R (92) 17, p. 32.
Zie diens uitgebreide noot bij deze uitspraak in NJ 2012, 292.
In het arrest Albert en Le Compte kwam het EHRM in een disciplinaire procedure tot het oordeel dat artikel 6, eerste lid van het EVRM was geschonden. Het hof overwoog daarbij – in het kader van de door de rechter in acht te nemen toetsingsruimte (‘full jurisdiction’) – als volgt:
“The public character of the cassation proceedings does not suffice to remedy the defect found to exist at the stage of the disciplinary proceedings. The Court of Cassation does not take cognisance of the merits of the case, which means that many aspects of “contestations” (disputes) concerning “civil rights and obligations”, including review of the facts and assessment of the proportionality between the fault and the sanction, fall outside its jurisdiction […].”1
Het hof heeft later een vergelijkbare overweging gemaakt in een zaak waar sprake was van een ‘criminal charge’.2 Daaruit zou de conclusie kunnen worden getrokken dat dus ook de (straf)rechter bij het opleggen van een straf onderzoek moet doen naar de evenredigheid tussen de overtreding en de straf.3
Het hof geeft overigens niet aan hoe dit onderzoek moet worden uitgevoerd. Sterker nog, het hof geeft aan dat artikel 6 geen enkele regel bevat omtrent ‘the admissibility of evidence or the way it should be assessed’. Volgens het hof zijn dit zaken die voornamelijk door nationale wet- en regelgeving en nationale rechters moeten worden vormgegeven.4 Het ziet voor zichzelf dan ook geen rol weggelegd als een soort hogere (feitelijke) instantie.5 Slechts in gevallen waarin de nationale rechter uitspraken doet die ‘arbitrary and manifestly unreasonable’ of ‘in flagrant denial of justice’ zijn, komt het EHRM in actie.6
Overigens zal het EHRM niet al te snel tot de conclusie komen dat er bij het straftoemetingsonderzoek sprake is van een flagrante schending van het recht, zoals blijkt uit de zaak Gruber.7 In deze Duitse casus had de klager zich als bewindvoerder schuldig gemaakt aan verduistering van geld. Het feit dat dit geld toekwam aan de Jewish Claims Conference – een gevoelig aspect gezien de Duitse geschiedenis – neemt het Duitse gerecht in aanmerking als een strafverzwarende omstandigheid. De klager is o.a. van mening dat de betreffende strafverzwarende omstandigheid niet in het strafoordeel mag worden betrokken, omdat dit in strijd is met het Duitse recht. Volgens jurisprudentie van het Duitse Federale Hof van Justitie kan een strafverzwarende omstandigheid namelijk slechts dan in aanmerking worden genomen, wanneer de betrokkene die omstandigheid heeft (kunnen) voorzien. Het EHRM komt tot de conclusie dat er, zelfs al zou de betreffende strafverzwarende omstandigheid in strijd met het nationale recht mede door de rechter in overweging zijn genomen, i.c. geen sprake is van een flagrante schending van de waarborgen van artikel 6 EVRM. Het hof laat hierbij meewegen dat de betreffende strafverzwarende omstandigheid slechts een van de vele aspecten is die een rol hebben gespeeld bij het bepalen van de hoogte van de straf.8
In een tweetal Spaanse zaken9 lijkt het EHRM gewicht toe te kennen aan de voorzienbaarheid van de strafverzwarende omstandigheid. Het ging in deze zaken echter niet om de materi ë le voorzienbaarheid, maar om de procedurele, formele voorzienbaarheid (artikel 6, lid 3, letter a EVRM). Met andere woorden, was de betrokkene voldoende geïnformeerd over het feit dat de betreffende strafverzwarende omstandigheid onderdeel uitmaakte van de strafprocedure, zodat hij zich voldoende hiertegen heeft kunnen verweren?
In de zaak tegen Gea Catalán werd deze vraag bevestigend beantwoord. Het ging om een medewerker van een bank die een groot bedrag had verduisterd. In de tenlaste legging had de aanklager met betrekking tot de strafverzwarende omstandigheid (een groot bedrag) door een typefout naar een foutief artikellid verwezen. Het hof kwam tot de conclusie dat “the inference that it was paragraph 7 that applied, although not an automatic conclusion, could at any event have been arrived at through minimal recourse to logic”.10
Het hof volgde eenzelfde soort redenatie in de zaak tegen De Salvador Torres. Nu betrof het een ambtenaar die publieke gelden had verduisterd. De openbaar aanklager en de feitenrechter hadden in deze zaak de algemene strafverzwarende omstandigheid (ambtenaar in functie) niet expliciet in de aanklacht en het vonnis opgenomen. Zowel het Spaanse Hooggerechtshof als het Europese hof waren echter van mening dat dit geen belemmering hoefde te zijn voor het meewegen van die omstandigheid bij het strafoordeel. Het hof oordeelde dat “the public nature of the applicant’s position was an element intrinsic to the original accusation of embezzlement of public funds and hence known to the applicant from the very outset of the proceedings”.11
Op grond van het voorgaande kan gesteld worden dat artikel 6 EVRM relatief weinig waarborgen schept voor het finale straftoemetingsonderzoek met betrekking tot bijzondere, strafbeïnvloedende omstandigheden. Maar het EHRM trapt op de rem bij verstekveroordelingen, waarbij ter zitting de strafmaat mede tot stand is gebracht in ‘a new assessment of the applicant’s personality and character’.12 Een dergelijk onderzoek naar subjectieve strafbeïnvloedende feiten en omstandigheden moet volgens het hof in aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman plaatsvinden, zodat hij actief hier aan kan deelnemen. Het is overigens niet relevant of de verdachte daadwerkelijk bij verstek een hogere of lagere straf opgelegd krijgt ten opzichte van de eerdere strafmaat. Volgens het hof gaat het om wat voor de verdachte mogelijk ‘at stake’ is; dat kan een eventuele strafverzwaring zijn, bijvoorbeeld als gevolg van een hogere strafeis van de aanklager, of een strafvermindering.13
Uit de Recommendation ‘Consistency in sentencing’ volgde dat ook de onschuldpresumptie van het tweede lid van artikel 6 EVRM een bijdrage kan leveren aan rechtsnormen op het terrein van bewijs van strafbeïnvloedende factoren (zie onderdeel 3.4.4.4). Het hof heeft zich in de zaak Haxhishabani vs. Luxemburg14 over een dergelijke kwestie uitgelaten. De casus was als volgt. De rechtzoekende had samen met twee mededaders een diefstal gepleegd in een woning van een alleenstaande vrouw. Daarbij heeft een van de mededaders de vrouw om het leven gebracht. De rechtzoekende, die beweerde geen bijdrage aan de dood van de vrouw te hebben geleverd, werd uiteindelijk veroordeeld voor “levensberoving om de diefstal te vergemakkelijken of om straffeloosheid te verzekeren” (vgl. artikel 312, lid 3 Sr). De levensberoving vormde dus de strafverzwarende omstandigheid ten opzichte van de diefstal, waarbij wordt opgemerkt dat naar Luxemburgs recht die betreffende strafverzwarende omstandigheid werd geobjectiveerd. Vervolgens beriep de rechtzoekende zich op de onschuldpresumptie. Het hof concludeert dat het aanrekenen van de levensberoving als strafverzwarende omstandigheid gelijkgesteld kan worden met het hanteren van een strafrechtelijk bewijsvermoeden15 en dat dit gegeven i.c. niet in strijd is met het tweede lid van artikel 6 EVRM.
De uitspraak van het hof in de zaak Haxhishabani lijkt in tegenspraak te zijn met de richtlijnen van de Recommendation ‘Consistency in sentencing’. Volgens deze richtlijnen houdt het begrip ‘fairness’, dat mede ziet op de onschuldpresumptie, onder meer in dat ‘factors which have a substantial effect on the sentence should be proved, if the defendant disputes them, to the same standard as the elements of the offence itself’.16 In de zaak Haxhishabani was dat niet het geval. Want hoewel de levensberoving wel degelijk een substantieel effect had op de strafmaat, werd die strafverzwarende omstandigheid, in tegenstelling tot de overige, gesubjectiveerde delictsbestanddelen, geobjectiveerd. Wellicht dat het hof mee heeft laten wegen dat het nationale gerecht een (begin van een) subjectieve toets heeft uitgevoerd, maar helemaal duidelijk is dit niet.
Keijzer refereert aan het belang van deze uitspraak voor het Nederlandse strafrecht.17 Net als in het Luxemburgse strafrechtelijke systeem worden in het Nederlandse strafrechtstelsel dergelijke strafverzwarende omstandigheden veelal geobjectiveerd. Het gevolg van dit systeem is dat, hoewel de bewijslast van de strafverzwarende omstandigheid voor rekening komt van de openbaar aanklager, het bewijsrisico voor een belangrijk deel bij de rechtzoekende komt te liggen.