Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/6.5.4.a
6.5.4.a De uitkoop van het gehele kapitaal, zonder de meerderheid in elke afzonderlijke soort
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS602308:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Evenzo Kuijpers (2009), p. 416; Buijn/Storm (2013), p. 1147.
De dertiende EG-richtlijn geeft de lidstaten in art. 15 lid 3 de keuze om te bepalen dat het uitkooprecht kan worden uitgeoefend ‘only’ voor het soort aandeel waarvoor de drempel is bereikt.
Vgl. Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 3, p. 49. De wetgever geeft aan dat de dertiende EG-richtlijn geen ruimte biedt om net als bij de algemene uitkoopregeling in art. 2:92a/201a lid 4 BW prioriteitsaandeelhouders voor toepassing van de uitkoopregeling uit te zonderen (§ 8.3). Daar staat volgens hem echter tegenover dat een vordering op grond van de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW alleen mogelijk is per soort aandeel. De prioriteitsaandeelhouder geniet toch een vergelijkbare bescherming doordat hij alleen onderwerp van een uitkoopprocedure kan zijn, indien de uitkoper ten minste 95% van de prioriteitsaandelen houdt. Ook hieruit volgt dus dat uitkoop ten aanzien van het gehele geplaatste kapitaal niet mogelijk is, zonder dat voor elke soort aan het kapitaalvereiste is voldaan.
Mogelijk anders Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/694, waarin staat ‘de uitkoopvordering kan ook per soort aandelen (of bewilligde certificaten) worden ingesteld’ (cursivering TS). Het gebruik van het woord ‘ook’ in plaats van ‘slechts’ of ‘alleen’ doet vermoeden dat de auteurs het uitkooprecht per soort als aanvullende mogelijkheid zien naast het uitkooprecht ten opzichte van het gehele geplaatste kapitaal in het eerste lid. Evenzo Josephus Jitta (2012), p. 136.
Een uitkoper is niet verplicht om de bijzondere uitkoopregeling van art. 2:359c BW te volgen, zie OK 13 april 2010, JOR 2010/184 (Getronics).
Het tweede lid van de bijzondere uitkoopregeling in art. 2:359c BW bepaalt dat indien een vennootschap verschillende soorten aandelen heeft, een uitkoper een vordering slechts per soort aandeel kan instellen.
Dit betekent naar mijn mening dat het niet mogelijk is om alle resterende aandelen in het geplaatste kapitaal te verkrijgen, indien de uitkoopdrempels wel voor het totaal geplaatste kapitaal zijn bereikt, maar niet voor elke soort afzonderlijk.1 Anders gezegd, een vordering tot uitkoop kan alleen zien op het soort aandeel waarvoor aan het kapitaal- en stemrechtvereiste is voldaan.
Deze uitleg volgt uit de tekst van zowel de wet als de dertiende EG-richtlijn.2 Bovendien strookt een andere lezing niet met het idee dat aan het uitkooprecht per soort ten grondslag ligt. Het is mede bedoeld ter bescherming van de minderheid in een bepaalde soort, waarvoor de meerderheidsaandeelhouder niet aan het kapitaal-en stemrechtvereiste voldoet (§ 6.5.2). Een keuzemogelijkheid voor de uitkoper tussen de toepassing van het eerste (gehele kapitaal) of het tweede lid (soort aandeel) is strijdig met deze gedachte.3
Bij verschillende soorten aandelen geldt dus het tweede lid van art. 2:359c BW en blijft het eerste lid buiten toepassing.4 De uitkoopregeling in het Verenigd Koninkrijk kent eenzelfde systeem. De wet bepaalt in s. 979(1) CA 2006 dat indien het voorafgaand bod ‘does not relate to shares of different classes’, de berekeningsmethode in het tweede lid geldt. Ziet het bod daarentegen wel op verschillende soorten aandelen, dan schrijft s. 979(3) CA 2006 de wijze van berekening per soort op grond van het vierde lid voor.
Uiteraard kan de uitkoper wel alle minderheidsaandeelhouders uitkopen op grond van de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW, zonder voor elke afzonderlijke soort in het geplaatste kapitaal aan de ontvankelijkheidsdrempels te hoeven voldoen.5 De algemene en bijzondere uitkoopregeling van art. 2:92a/201a en art. 2:359c BW zijn duidelijk niet verenigbaar met elkaar (hierna sub c).