Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/4.2.8
4.2.8 Drijver en vergunninghouder
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS604568:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Immers, de vergunning wordt aangevraagd door of namens de drijver (artikel 5 lid 1 Rhe). De vergunning is tevens zaaksgebonden. Dit vloeit onder meer voort uit artikel 16.19 lid 1 Wm (naar analogie ABRvS 20 juni 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AN6460). Dat de 16.5 Wm vergunning een zaaksgebonden karakter heeft, volgt eveneens uit de MvT bij de implementatiewet van Richtlijn 2003/87/EG. De regering had voor ogen dat het aanspreekpunt voor de naleving van de vergunning gelijk diende te zijn aan die voor de destijds geldende milieuvergunning. Artikel 16.19 Wm werd destijds daarom op eenzelfde wijze geformuleerd als artikel 8.20 Wm (zie MvT Kamerstukken II, 29 565, nr. 3, p. 102). Een en ander volgt ook uit artikel 16.19 lid 2 jo 16.20 lid 3 Wm, dat verplicht tot wijziging tenaamstelling wanneer de vergunning op een ander overgaat, of indien de houder niet tevens drijver is. Hieruit volgt dat de tenaamstelling zelf dus geen constitutief vereiste is voor die overdracht. Inhoudelijk hoeft de vergunning ook niet te worden aangepast. Zie voor een discussie van het zaaksgebonden karakter van omgevingsvergunningen onder meer: Mellenbergh 2009, p. 24 en de daar aangehaalde literatuur, zie ook: Blomberg 2000, p. 41-47. Zie over de broeikasgasemissievergunning meer specifiek Mellenbergh 2009, p. 307 en 308.
Van Angeren, in: T&;C Wet Milieubeheer, artikel 16.19 Wm (online, laatst geraadpleegd op 6 oktober 2016).
Van Angeren, in: T&;C Wet Milieubeheer, artikel 16.19 Wm (online, laatst geraadpleegd op 6 oktober 2016).
Artikel 16.5 Wm.
Artikel 3 onder f Richtlijn ETS.
Daar is immers zeggenschap voor vereist, zie onder meer: ABRvS 25 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK4341.
Artikel 16.19 lid 2 jo 16.20 lid 3 Wm.
Gezien het zaaksgebonden karakter van de vergunning geldt de vergunning ook voor de feitelijke drijver, dat volgt uit artikel 16.19 Wm.
Mellenbergh 2009, p. 44, 45, 62 en 63.
Anders dan Teuben (Teuben 2005, p. 281) ben ik van mening dat ook een curator kwalificeert als exploitant, omdat ook een curator van een inrichting het beheer over die inrichting voert, dan wel een economische beschikkingsmacht over de betreffende inrichting heeft.
Niet ter discussie staat dat de vergunninghouder tevens drijver is van de inrichting.1 Van Angeren stelt echter in zijn Tekst en Commentaar bij artikel 16.19 Wm dat de feitelijk drijver van de inrichting en de vergunninghouder niet altijd dezelfde persoon hoeven te zijn.
‘Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt evenwel dat er meerdere drijvers van de inrichting kunnen zijn. Dit volgt onder meer uit uitspraak ABRvS 28 april 1997, AB 1999/43. Ook kan, behalve degene die houder is van de vergunning, ook de curator in het geval van faillissement als drijver van de inrichting worden aangemerkt (ABRvS 11 juli 1997, AB 1998/268).’2
Hij beschrijft vervolgens de praktische gevolgen die dit verschil volgens hem kan hebben:
‘In de praktijk zal het voor exploitanten van installaties van belang zijn om te bezien of zij met andere exploitanten één inrichting vormen in de zin van de Wet milieubeheer. Is dat het geval, dan worden de rechten, zoals het er nu naar uitziet, toegewezen aan degene op wiens naam de omgevingsvergunning voor de inrichting staat. Denaamgeving van de vergunning en dus de vraag wie de vergunning “houdt”, wordt dan ineens van belang. De houder van de vergunning is ook van belang voor het bepaalde in art. 16.13: de plicht om regelmatig te bezien of de in het monitoringsplan opgenomen gegevens juist zijn, berust op de houder van de vergunning. De verhouding met art. 16.19, dat bepaalt dat de vergunning geldt voor ieder die de inrichting drijft, kan verwarring opleveren als degene die de vergunning houdt (degene die op de naam van de vergunning staat) een andere is dan degene die de inrichting feitelijk drijft’ [onderstreping door auteur]. 3
Mijns inziens kan deze conclusie evenwel worden genuanceerd. Immers, de betreffende afdeling van hoofdstuk 16 Wm waar deze bepalingen deel vanuit maken, ziet slechts op inrichtingen waarin zich een of meer BKG’s in bevinden.4 De vergunningplicht is negatief geformuleerd:
‘Het is verboden zonder vergunning van het bestuur van de emissieautoriteit een inrichting in werking te hebben.’5
De vergunninghouder is gezien deze formulering tevens exploitant in de zin van de Richtlijn. Immers, exploitant wordt daar gedefinieerd als:
‘persoon die een installatie exploiteert of beheert, indien de nationale wetgeving daarin voorziet, aan wie de economische beschikkingsmacht over de technische werking is overgedragen’.6
Indien degene op wiens naam de vergunning staat geen beschikkingsmacht heeft over de inrichting, en dus geen drijver meer is van de inrichting,7 dan kan hij ook niet gezien worden als degene die de inrichting in werking heeft. Hij zal dan ook de naam van de drijver moeten melden bij het bestuur van de emissieautoriteit, opdat de naam van de vergunninghouder wordt aangepast.8 Op die feitelijk drijver rust tevens de vergunningplicht.9 Met andere woorden, artikel 16.5 Wm impliceert een beschikkingsmacht over de inrichting. Als dan degene die de inrichting feitelijk drijft een ander is dan degene op wiens naam de vergunning staat, maar de laatste een zelfstandige beschikkingsmacht over de werking van de inrichting heeft en dus ook zelf drijver is (denk aan een moeder-dochter constructie, of een huurconstructie waarbij de verhuurder een zekere zeggenschap behoudt),10 is dit niet problematisch. Immers, het is evident dat de vergunning zal moeten worden nageleefd, artikel 16.19 Wm expliciteert slechts de mogelijkheid hier ook de feitelijk drijver direct op aan te spreken. Evenmin is het problematisch dat de emissierechten dan worden toegekend aan degene op wiens naam de vergunning staat en niet aan de feitelijke drijver. Immers, beiden zijn in dat geval drijver, alsmede exploitant in de zin van de Richtlijn.11