Einde inhoudsopgave
Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (IVOR nr. 81) 2011/6.5.8
6.5.8 Interne aansprakelijkheid
mr.drs. I.S. Wuisman, datum 13-01-2011
- Datum
13-01-2011
- Auteur
mr.drs. I.S. Wuisman
- JCDI
JCDI:ADS400268:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Huizink, J.B. (2000), 'Contractuele samenwerkingsvormen in beroep en bedrijf', Deventer: Kluwer, blz. 27.
Artikel 7:816 lid 2 Wetsvoorstel Titel 7.13. Uit Kamerstukken II, 2003-2004, 28 746, nr. 5, blz. 17 blijkt dat de vennoten zowel in de vennootschapsovereenkomst als in een afzonderlijke overeenkomst afspraken kunnen maken over de verplichting om het verlies van de vennootschap aan te zuiveren.
Kamerstukken II, 2002-2003, 28 746, nr. 3, blz. 26 en Kamerstukken II, 2002-2003, 28 746, B, blz. 15. Bij een operatie tot sanering van de financiën die in het belang is van iedere vennoot, kan een dergelijk situatie het geval zijn.
Portier, G.M. en D.F.M.M. Zaman (2003), supra noot 113, blz. 326-333. Slagter is het hier niet mee eens hij stelt: 'Wie extern niet aansprakelijk is, is a fortiori intern ook niet draagplichtig. De hoofdelijke aansprakelijkheid wijkt dan voor de disculpatie. Anders zou die vennoot uiteindelijk en per saldo nog niets opschieten met zijn beroep op disculpatie'. Zie: Groene Serie Personenassociaties: VOF Hoofdstuk III, paragraaf 2. De wetsgeschiedenis biedt hier helaas geen helderheid, aangezien dit niet wordt besproken.
Tervoort, A.J.S.M. (2003a) supra noot 123, in: J.M. Gerretsen (red.) (2003), supra noot 123, blz. 94.
Dit regres kan gegrond zijn op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW), op onrechtmatige daad (6:162 BW) of de plicht om zich te gedragen als een goed vennoot betaamt (7:800 lid 2 Wetsvoorstel Titel 7.13). Vergelijk: A.J.S.M. Tervoort (2003a), supra noot 123, in: J.M. Gerretsen (red.) (2003), supra noot 123, blz. 94-95.
Voor het verschil tussen externe aansprakelijkheid en interne draagplicht is allereerst het verschil tussen handelen voor rekening van de vennootschap en handelen in naam van de vennootschap van belang.1 Bij het handelen in naam van de vennootschap gaat het om de vertegenwoordigingsbevoegdheid en daarmee om de externe aansprakelijkheid. Handelen voor rekening van de vennootschap gaat over de bestuursbevoegdheid en heeft zijn weerslag op de interne draagplicht. De externe aansprakelijkheid van vennoten laat de afspraken over interne regresrechten onverlet. Deze interne regresrechten kunnen ontstaan doordat de vennootschap vennoten vrijwaart voor vennootschap-schulden die zijn ontstaan in de uitvoering van beheersdaden (handelingen welke de gewone gang van zaken binnen de betrokken vennootschap met zich brengt), en die door de vennoten zijn voldaan aan de derde door wie zij aansprakelijk zijn gesteld. Een vennoot die een schadevergoeding aan een derde heeft betaald, die groter is dan zijn aandeel in het verlies, kan de vennootschap (de vennootschappelijke gemeenschap), en daarmee de gezamenlijke vennoten, aanspreken om het deel dat zijn verliesdeel overtreft, terug te betalen. Indien een dergelijke terugbetaling plaatsvindt maar de vennootschappelijke gemeenschap is te klein om het volledige bedrag te voldoen, dan kan de vennootschap vervolgens de andere vennoten verzoeken om bij te dragen aan het verlies voor het bedrag dat gelijk is aan hun verliesaandeel.
De draagplicht van de vennoten is derhalve afhankelijk van de mate waarin zij dienen bij te dragen in het verlies van de vennootschap. Artikel 7:815 lid 1 Wetsvoorstel Titel 7.13 bepaalt dat iedere vennoot, ongeacht de waarde van zijn inbreng voor een gelijk deel in de winst en verlies deelt, tenzij bij de overeenkomst van vennootschap anders is bepaald. Een vennoot kan, indien de vennoten dit in de vennootschapsovereenkomst of in een afzonderlijke overeenkomst hebben opgenomen, gehouden zijn om boven op zijn inbreng voor zijn deel extra bij te dragen om het verlies van de vennootschap aan te zuiveren.2 Indien in de vennootschapsovereenkomst over dit punt niets is bepaald en er geen afzonderlijke overeenkomst bestaat, kunnen de redelijkheid en billijkheid er onder bijzondere omstandigheden toch toe nopen dat de vennoten hun aandeel in het verlies moeten aanzuiveren.3 Hieruit volgt dat na verhaal op de (eventueel nog resterende) vennootschappelijke gemeenschap, of het vennootschapsvermogen in het geval van een OVR, een aangesproken vennoot regres kan hebben op zijn medevennoten voor gelijke delen, dan wel voor een zodanig deel als uit de overeenkomst van vennootschap volgt. Een vennoot die zich met gebruikmaking van artikel 7:813 lid 2 Wetsvoorstel Titel 7.13 kan disculperen, kan dus steeds door de vennootschap casu quo zijn medevennoten worden aangesproken voor het bedrag van zijn draagplicht in het tekort krachtens wet of vennootschapsovereenkomst.4 Daarnaast hebben de zich disculperende vennoten geen regres op de tekortschietende vennoot wanneer de derde zich verhaalt op de vennootschappelijke gemeenschap respectievelijk het vennootschapsvermogen.5 Dit is anders indien de vennoot zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en daarmee niet heeft voldaan aan artikel 7:809 lid 3 wetsvoorstel Titel 7.13. Als hem een ernstig verwijt treft zal hij naar verwachting geen regresrecht hebben op de vennootschappelijke gemeenschap of het vennootschapsvermogen. De niet 'schuldige' vennoten hebben dan een regresrecht op de schuldige vennoot voor het verlies dat de vennootschap lijdt omdat de vennootschap is aangesproken door een derde voor de schade ontstaan door zijn onbehoorlijke taakvervulling.6 Wanneer de vennootschap verlies heeft geleden door de vordering volgend uit de tekortkoming in de nakoming van de opdracht en deze vervolgens wordt ontbonden kunnen alle niet-tekortschietende vennoten ook nog eens door de vereffenaar gehouden worden om het tekort aan te zuiveren. Deze suppletieplicht wordt in de volgende paragraaf besproken.