Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.2.e:7.2.e Afsluiting
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.2.e
7.2.e Afsluiting
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS608339:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Anders: Borgers 2013.
A-G Knigge, punt 5.5.30, voor HR 11 september 2012, NJ 2013/241; zie met minder nadruk de conclusie van A-G Vellinga, punt 9.1-10.7, voor HR 11 september 2012, NJ 2013/244.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een terugkerend punt in de voorgeschiedenis van artikel 80a RO is dat enig verlofstelsel in cassatie als capaciteitsmaatregel vrijwel steeds is afgewezen. Het verlofstelsel werd in het debat veeleer als contrastmiddel opgevoerd, als slechtste van verschillende kwaden. Indien de toegang tot cassatie moet worden beperkt, dan alleen in laatste instantie met een verlofstelsel, dat is de teneur sinds 1988. Wat men hierbij onder verlofstelsel verstond, is niet steeds duidelijk, zij het dat een zeer vrij verlofstelsel naar Amerikaans model door eenieder is afgewezen.
De overwegingen van de Commissie Hammerstein I vormen hierop een voorzichtige uitzondering. Hoewel de omschrijving van de term ‘verlofstelsel’ in het rapport zeer ruim is, wordt de invoering van vrije toegangsbeoordeling in cassatie in de toekomst niet uitgesloten en zelfs positief gewaardeerd – zeker gelet op het tekstvoorstel. De Wet versterking cassatierechtspraak borduurt hierop voort. De wetsgeschiedenis laat zien dat artikel 80a RO beoogt de Hoge Raad minder te belasten met kansloze zaken, zodat daardoor meer aandacht kan worden besteed aan zaken die er vanuit het oogpunt van rechtseenheid, -ontwikkeling en -bescherming wel toe doen. Dat heeft alles met werkbelasting te maken, zij het dat de vermindering van werklast niet het ultieme of enige doel is van de Wet versterking cassatierechtspraak. Artikel 80a RO staat als onderdeel van die wet intussen vooral in het teken van werklastvermindering. De bepaling moet de Hoge Raad in staat stellen kansloze beroepen vereenvoudigd af te doen. Artikel 80a RO behelst met het oog daarop in elk geval afgescheiden toegangsbeoordeling. Bepaalde beroepen moeten na een verkorte procedure kunnen worden afgedaan met niet-ontvankelijkverklaring. De cruciale vervolgvraag op welke beroepen deze afgescheiden afdoening van toepassing is, kan op grond van de wetgeschiedenis evenwel niet goed worden beantwoord.
Gelet op de toelichting mag de toegang tot beroep op grond van artikel 80a RO alleen worden geweigerd indien (a) belangen van rechtseenheid of rechtsontwikkeling niet nopen tot behandeling van het beroep én (b) niet ten minste een belangrijk aspect van rechtsbescherming aan de orde is. Op beide aspecten, zowel rechtseenheid en -ontwikkeling enerzijds en rechtsbescherming anderzijds, dient de Hoge Raad zijn toegangsbeslissing af te stemmen, zoveel is duidelijk. De toelichting laat evenwel diverse tegenstrijdige lezingen toe over de vraag hoe strikt onderdeel b van het zojuist geformuleerde criterium moet worden toegepast. In de meest vrije lezing hoeft een cassatieberoep alleen te worden toegelaten indien de Hoge Raad ‘wezenlijke’ rechtsbescherming moet bieden. In deze lezing kan de Hoge Raad afstand nemen van de cassatiegronden en zelfstandig aan de hand van een abstracte rechtsbeschermingsmaatstaf beoordelen of de uitkomst in het voorliggende zaak moet veranderen. In de meest strikte lezing is toepassing van artikel 80a RO alleen toegelaten op een deel van de beroepen die gewoonlijk (met artikel 81 RO) worden verworpen. In deze lezing is strikte oriëntatie op de cassatiegronden vereist.
Korter geformuleerd maakt de toelichting op artikel 80a RO dus niet duidelijk of een inhoudelijk of vrij verlofstelsel is beoogd. Het is op basis van voorbeelden of citaten uit de toelichting weliswaar mogelijk om verschillende lezingen te geven of juist als foutief af te wijzen, maar goed beschouwd bevat de toelichting niet een duidelijke visie op de betekenis van de toegangsvoorwaarden uit artikel 80a RO. De toelichting op de Wet versterking cassatierechtspraak is verre van eenduidig.1 Terecht oordeelt Knigge dat “diametraal tegenovergestelde posities” kunnen worden ingenomen over het karakter van de toetsing en de beoordelingscriteria uit artikel 80a RO.2
Deze conclusie is van betekenis voor de vraag of artikel 80a RO binnen de grenzen van het verdragsrecht blijft. Enig antwoord op die vraag veronderstelt immers een precieze omschrijving van hoe artikel 80a RO mag of moet worden toegepast. De wetsgeschiedenis wijst weliswaar duidelijk op afgescheiden toegangsbeoordeling, ten minste ook op beperkte dan wel onbeperkte inhoudelijke toegangsbeoordeling, maar laat onduidelijkheid bestaan over de vraag in hoeverre artikel 80a RO ook vrije toegangsbeoordeling toelaat. Weliswaar is niet beoogd een zeer vrij verlofstelsel naar Amerikaans model in te voeren, maar dat laat vele schakeringen van vrije toegangsbeoordeling open. Dit betekent dat toepassing van artikel 80a RO als vrij verlofstelsel niet snel in strijd komt de met de geopenbaarde bedoelingen van de wetgever. Anders geformuleerd betekent het dat de Hoge Raad artikel 80a RO ten opzichte van de wetsgeschiedenis in sterke mate autonoom kan toepassen. De wetsgeschiedenis biedt nauwelijks hanteerbare criteria om de toepassing van die bepaling door de Hoge Raad te evalueren.