Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.2.c
7.2.c Strekking art. 80a RO
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS605901:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 5; Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 1, 16.
Paragraaf 5.6.
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 2; zie ook Kamerstukken I 2011/12, 32576, nr. C, p. 4.
Kamerstukken II 2010/11, 32 576, nr. 6, p. 2. Vgl. de discussie tussen het Kamerlid Gesthuizen (SP) en Staatssecretaris Teeven, Handelingen II 2010/11, 5, p. 4.45-46 en Handelingen II 2010/11, 5, p. 4.40 (Van Toorenburg); zie ook reeds (tussen haakjes) Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 6.
Kamerstukken I 2011/12, 32 576, nr. C, p. 1-2, zie ook p. 3 en 4; Kamerstukken I 2011/12, 32576, nr. D, p. 1.
Aldus ook Asser 2011b; conclusie van A-G Vellinga, punt 10.5 en 10.7, voor HR 11 september 2012, NJ 2013/244.
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 16 en Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 11.
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 2; Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 5, 7; zie Handelingen II 2010/11, 5, p. 4.45-4.46 voor “volstrekt kansloos”.
De toelichting gebruikt cijfers die overeenkomen met het jaarverslag van de Hoge Raad over 2007 en 2008. De toelichting op de cijfers in dat rapport vermeldt dat de cijfers alleen die zaken betreffen waarin alle aangevoerde klachten met de toegestane verkorte motivering zijn afgedaan, zie Hoge Raad 2008, p. 171.
Handelingen II 2011/12, nr. 5, p. 4.41; Handelingen II 2011/12, nr. 5, p. 4.45.
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 18.
Kamerstukken II 2010/11, 32 576, nr. 3, p. 11, zie ook p. 14.
Zie hierover de conclusie van A-G Knigge, punt 5.5.9, voor HR 11 september 2012, NJ 2013/241.
Kamerstukken II 2010/11, 32 576, nr. 3, p. 19; Handelingen II 2011/12, nr. 5, p. 4.44.
Handelingen II 2011/12, 32576, nr. 5, p. 4.43.
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 5-6, zie ook 11; vermelding verdient dat zaken waarin geen belangrijk aspect van rechtsbescherming etc. aan de orde is, elders in de toelichting gelijkgesteld worden aan zaken die geheel met art. 81 RO worden afgedaan, zie Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 12.
Handelingen II 2011/12, nr. 5, p. 4.44.
Steeds wordt het woord ‘mogelijk’ gebruikt, omdat belangen van rechtseenheid of rechtsontwikkeling eveneens op behandeling van het beroep aan kunnen dringen, zie paragraaf 7.2d.
Buiten kijf staat dat de Wet versterking cassatierechtspraak de Hoge Raad de ruimte wil geven bepaalde beroepen versneld, vereenvoudigd dan wel verkort met een ontvankelijkheidsoordeel af te doen.1 De toelichting op het wetsvoorstel benoemt zoals gezegd diverse voordelen van dergelijke vereenvoudigde afdoening, zoals besparing op kosten en verkorting van de afdoeningstermijn. Duidelijk is daarom dat voor bepaalde beroepen enige vorm van afgescheiden toegangsbeoordeling is beoogd, hetgeen nauw aansluit bij de ratio van het wetsvoorstel.
Duidelijk is volgens mij ook dat artikel 80a RO deze versnelde niet-ontvankelijkverklaring niet mogelijk maakt voor de reeds bestaande gronden voor niet-ontvankelijkverklaring. Nergens in de toelichting wordt gerefe- reerd aan versnelde afdoening van zaken waarin bijvoorbeeld de beroepstermijn is overschreden of onbevoegd cassatieberoep is aangewend, terwijl op de versnelde beoordeling van dergelijke formele toegangsvoorwaarden door een kamer van drie raadsheren vermoedelijk niet de meeste werklastwinst valt te boeken. Ter vergelijking: waar aan de enkelvoudige kamer in cassatie de afgescheiden afdoening van een bestaande en formele toegangsvoorwaarde is opgedragen,2 daar mag een meervoudige kamer een nieuwe categorie van beroepen op basis van artikel 80a RO met een toegangsoordeel afdoen.
Nogal verschillende antwoorden zijn echter mogelijk op de vraag wélke beroepen vereenvoudigd met artikel 80a RO niet-ontvankelijk mogen worden verklaard. De minst vergaande lezing van het wetsvoorstel houdt in dat het selectiemechanisme alleen toegepast mag worden op alle dan wel sommige van de cassatieberoepen die gewoonlijk geheel wordt verworpen. In deze lezing is toepassing van artikel 80a RO enkel mogelijk als het cassatieberoep toch al niet tot vernietiging zou hebben geleid, en voorziet de bepaling dus in een inhoudelijk verlofstelsel.
Deze interpretatie van de toelichting vindt steun in passages die inhouden dat toepassing van artikel 80a RO weliswaar uitmondt in een ontvankelijkheidsbeslissing, maar dat aan die beslissing zorgvuldige beoordeling van de gegrondheid van het beroep aan ten grondslag ligt. “Het wetsvoorstel beoogt niet aan de Hoge Raad een eigen discretionaire bevoegdheid te geven waarbij de Hoge Raad andere afwegingen dan het slagen van het cassatieberoep aan zijn beslissing ten grondslag zou moeten leggen. In de kern blijft de Hoge Raad, zoals hij thans al doet, als cassatierechter beslissen over de gegrondheid van het bij hem ingestelde beroep tegen een beslissing van de lagere rechter. De strekking van het voorstel is de Hoge Raad naast het reeds bestaande instrument van artikel 81 Wet RO – dat voor partijen en het parket geen besparing van werk en tijd oplevert – een nieuw instrument – artikel 80a Wet R.O. – te verstrekken waarmee versneld op het cassatieberoep kan worden beslist.”3 De Hoge Raad mag niet zelf een “subjectieve” of “discretionaire” keuze maken om beroepen al of niet inhoudelijk te behandelen.4 Niet-ontvankelijkverklaring is louter een signaal, maar inhoudelijk betekent 80a-afdoening verwerping van het cassatieberoep, zo luidt de conclusie van de discussie in de Tweede Kamer.5 Hierover bevraagd in de Eerste Kamer, deelt de minister mee dat de voor 80a-afdoening vereiste inhoudelijke toetsing een “toetsing in volle omvang” blijft inhouden.6 Versnelde afdoening is dus bedoeld voor beroepen die toch niet tot vernietiging zouden leiden.7 Op deze lezing wijzen voorts aanduidingen van voor 80a-afdoening geschikte zaken als “zaken die toch geen enkel resultaat in cassatie (kunnen) opleveren”,8 ongegronde cassatiemiddelen of beroepen die tot niets zullen leiden,9 of “kansloze en voor cassatie ongeschikte zaken”.10
De laatste aanduiding geeft te denken. Omdat natuurlijk niet elk cassatieberoep dat wordt verworpen ook pejoratief als ‘kansloos’ en ‘voor cassatie ongeschikt’ kan worden bestempeld, bedoelt de wetgever wellicht dat slechts een deel van de gewoonlijk verworpen beroepen voor 80a-afdoening in aanmerking komt, niet alle. Daarop duidt ook het woord ‘klaarblijkelijk’ uit de wettekst. Nog duidelijker vindt deze interpretatie van de toelichting steun in de vergelijkingen die worden gemaakt met artikel 81 RO. Volgens de minister kan naar schatting ongeveer 70 tot 80% van de beroepen waarin – op alle klachten11 – artikel 81 RO wordt toegepast in de toekomst via artikel 80a RO worden afgedaan. “Het resterende deel betreft zaken waarin deugdelijke middelen zijn voorgesteld die, na een volledige behandeling, tot verwerping van het cassatieberoep moeten leiden zonder dat dit leidt tot voor de buitenwereld belangwekkende motivering. Het verschil is dus dat in ongeveer 75% van deze zaken die nu met artikel 81 Wet RO worden afgedaan, al in een vroeg stadium zonder veel onderzoek kan worden vastgesteld dat het beroep tot niets zal leiden. Artikel 81 Wet RO zal betekenis blijven houden voor zaken die het verdienen in cassatie uitputtend te worden uitgeprocedeerd, maar die uiteindelijk leiden tot een verwerping van het beroep zonder dat vragen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling behoeven te worden beantwoord.”12 Hier wordt de verwachting uitgesproken dat artikel 80a RO niet op alle verwerpingen zal worden toepast, ook als in de betreffende zaken geen vragen van rechtseenheid of rechtsontwikkeling spelen. Overigens suggereert de wetgever op andere plaatsen juist dat het selectiemechanisme de- zelfde reikwijdte heeft als artikel 81 RO – niet beperkter, niet ruimer.13 Wat daarvan ook zij, in elk geval lijkt artikel 80a RO niet bedoeld voor gevallen waarin de bestreden uitspraak gewoonlijk wordt vernietigd.
Een wezenlijk andere lezing van de toelichting op de Wet versterking cassatierechtspraak houdt echter in dat 80a RO juist wel toegepast kan worden op cassatieberoepen die gewoonlijk leiden tot vernietiging. In deze lezing mag de Hoge Raad wel degelijk andere redenen dan alleen het slagen van een cassatieberoep aan een toegangsbeslissing ten grondslag leggen. In deze lezing heeft artikel 80a RO trekken van een vrij verlofstelsel.
Hiervoor is steun te vinden in de maatstaf van voldoende belang uit artikel 80a RO en de algemene uitleg die daaraan is gegeven. Dat de belangmaatstaf in artikel 80a RO wordt gebruikt naast de ‘niet tot cassatie kunnen leiden’-maatstaf, is op zichzelf al een indicatie dat artikel 80a RO zich ook uitstrekt tot gevallen waarin gewoonlijk wordt vernietigd. In die trant ook de toelichting, waarin het toepassingsbereik van artikel 81 RO met de ‘niet tot cassatie kunnen leiden’-maatstaf van artikel 80a RO wordt gelijkgesteld (dus wéér anders dan eerdere vergelijkingen met artikel 81 RO).14 Daar komt bij dat onvoldoende belang volgens de toelichting onder meer aanwezig is “omdat een op zichzelf gegronde klacht na cassatie niet kan leiden tot een andere uitkomst dan in de bestreden uitspraak al is bereikt”,15 of bij vormverzuimen “die echter op de uiteindelijke beslissing niet van invloed kunnen zijn geweest, zodat verdwijnen van rechtsbescherming niet aan de orde is”.16 Deze zinsneden wijzen erop dat de (on)gegrondheid van een cassatieberoep niet doorslaggevend is voor de vraag of 80a-afdoening kan plaatsvinden. In plaats daarvan lijkt de Hoge Raad zich vooral te moeten richten op materiële fouten in de bestreden uitspraak, terwijl hij beroepen over vormfouten in feitelijke instantie – voor zover voor de uitkomst niet relevant17 – met artikel 80a RO mag afdoen. De memorie van toelichting bevestigt deze denkwijze, waar van de zaken waarin de Hoge Raad nu nog moet vernietigen vanwege cassatieklachten die met de uitkomst van de bestreden beslissing niets te maken hebben, als geschikt voor 80a-afdoening worden aangemerkt: een niet helemaal vlekkeloze motivering, kleine vormfouten en verkeerde of onvolledige aanhaling van wetsartikelen.18
De aanvaardbaarheid van de bereikte uitkomst in feitelijke instantie, een centraal punt uit de toelichting, kan zelfs nog wat ruimer worden beoordeeld. Vele malen gebruikt de toelichting namelijk als uiteindelijk criterium voor toepasbaarheid van artikel 80a RO of daardoor rechtsbescherming verdwijnt. Benadrukt wordt dat het selectiestelsel de mogelijkheid van individuele rechtsbescherming volledig in stand laat,19 dat het verdwijnen van rechtsbescherming niet aan de orde is,20 en dat een zaak die uit het oogpunt van rechtsbescherming de aandacht van de cassatierechtspraak vraagt deze aandacht ook onontkoombaar zal krijgen.21 Nog verstrekkender zijn de overwegingen dat versnelde afdoening noodzakelijk is omdat de Hoge Raad wordt geconfronteerd met zaken waarin geen vragen aan de orde zijn waarvan de beantwoording van belang is voor de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, terwijl evenmin een “belangrijk aspect van rechtsbescherming” aan de orde is.22 Anders geformuleerd gaat het gaat bij versnelde afdoening altijd om zaken die vanuit het oogpunt van rechtseenheid, rechtsontwikkeling óf rechtsbescherming “van te gering belang” zijn om behandeling door de Hoge Raad te kunnen rechtvaardigen.23 Als artikel 80a RO als neerslag van deze passages wordt beschouwd, dan heeft de Hoge Raad een nog grotere vrijheid om zaken waarin gewoonlijk wordt vernietigd niet-ontvankelijk te verklaren. De focus ligt in deze benadering namelijk niet op de cassatiegronden, of op het type fout dat in feitelijke instantie is gemaakt, maar op de algemene functies van het rechtsmiddel cassatie. Ook als de bewezenverklaring, kwalificatie of strafmaat strikt genomen onjuist zijn, is niet per se een ‘belangrijk aspect’ van rechtsbescherming aan de orde, zo kan worden betoogd. De toelichting biedt concreet steun voor deze lezing, waar zij rept van 80a-afdoening van beroepen waarin enkel over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wordt geklaagd, welke beroepen gewoonlijk juist tot gedeeltelijke vernietiging en strafvermindering leiden.24 Al met al komt deze laatste lezing dicht in de buurt van op maatstaf van ‘significant nadeel’ zoals gebruikt door de Commissie Hammerstein I.
Samengevat laat de toelichting op de Wet versterking cassatierechtspraak vier uiteenlopende lezingen toe over het karakter van artikel 80a RO, namelijk (i) beperkte inhoudelijke toegangsbeoordeling waarin toegangsweigering mogelijk is voor een deel van de beroepen die gewoonlijk worden verworpen; (ii) onbeperkte inhoudelijke toegangsbeoordeling, waarin toegangsweigering mogelijk is voor alle beroepen die gewoonlijk worden verworpen; (iii) vrije toegangsbeoordeling waarin toegangsweigering voorts mogelijk is indien gewoonlijk op grond van vormverzuimen zou worden vernietigd; en (iv) vrije toegangsbeoordeling waarin toegangsweigering ook mogelijk is indien geen belangrijk aspect van rechtsbescherming aan de orde is – wat dat ook moge zijn.25