Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.2.d
7.2.d Grenzen art. 80a RO
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS603467:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Huls 2009, p. 51.
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 5, 11, zie ook p. 2; Handelingen II 2011/12, nr. 5, p. 4.44.
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 1-3. Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 2, 12, Handelingen II 2011/12, nr. 5, p. 4.39.
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 6; zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 5; Handelingen II 2011/12, nr. 5, p. 4.40.
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 2; zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 12.
Kamerstukken I 2011/2012, 32576, nr. B, p. 3 en Kamerstukken I 2011/2012, 32576, nr. C, p. 4; Handelingen II 2011/12, nr. 5, p. 4.44.
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 6.; Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 2-3, 6.
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 11, 18-19; Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 11.
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 6; Kamerstukken I 2011/2012, 32576, nr. B, p. 2; aldus ook Snijders 2011, p. 83.
Commissie normstellende rol Hoge Raad 2008, p. 11-13;
Consultatieversie Wet versterking cassatierechtspraak, p. 2-3, gedownload via www.internetconsultatie.nl; zie ook Huls 2009, p. 51-57.
Zie vermeldingen van de klassieke functies van cassatie in Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 1-3, 14; Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 13; Kamerstukken I 2011/2012, 32576, nr. B, p. 1; Kamerstukken I 2011/2012, 32576, nr. C, p. 2; zie met nadruk Kamerstukken I 2011/2012, 32576, nr. B, p. 2.
De vraag hoeveel ruimte er bestaat voor verlofachtige toegangsbeoordeling op grond van artikel 80a RO kan nader worden verhelderd door deze op een andere manier te benaderen. Als de toelichting wordt doorgenomen met de vraag welke grenzen aan toepassing van artikel 80a RO zijn gesteld, komen de bedoelingen van de wetgever iets duidelijker naar voren.
Ten eerste is de toelichting doorspekt met aanwijzingen dat naast de wettelijke toegangsweigeringsgronden uit artikel 80a RO impliciet nog een positieve toegangsvoorwaarde geldt. Indien een beroep valt onder één of beide weigeringsgronden van artikel 80a RO, lijkt het toch te moeten worden toegelaten indien de belangen van rechtseenheid of rechtsontwikkeling nopen tot behandeling van het beroep. Deze aan artikel 81 RO ontleende formulering was opgenomen in de het voorstel van de Commissie Hammerstein I alsook in het eerste gepubliceerde concept van het wetsvoorstel.1 Dit conceptvoorstel bevat als eerste lid van het voorgestelde artikel 80a RO de volgende tekst:
De Hoge Raad kan het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren indien:
a. de aangevoerde klachten niet nopen tot beantwoording van vragen in het belang van de rechtseenheid en rechtsontwikkeling, en;
b. de aangevoerde klachten vanuit het belang van de rechtsbescherming en het belang van de bewaking van de kwaliteit van de rechtspraak van onvoldoende gewicht moeten worden beoordeeld voor een behandeling in cassatie.
Het op rechtseenheid en rechtsontwikkeling gerichte criterium heeft de Wet versterking cassatierechtspraak uiteindelijk niet gehaald. Aan die verdwijning moet mijns inziens niet te veel belang worden gehecht. Verscheidene keren benadrukt de toelichting op de Wet versterking cassatierechtspraak namelijk dat enerzijds beroepen waarin geen vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of (belangrijke aspecten van) rechtsbescherming aan de orde zijn, niet voor behandeling in cassatie in aanmerkingen zouden moeten komen,2 en dat anderzijds de Wet versterking cassatierechtspraak de Hoge Raad in staat stelt zijn functies onder meer op het terrein van rechtseenheid en rechtsontwikkeling beter uit te oefenen.3 Dat de Hoge Raad beroepen niet-ontvankelijk zou kunnen verklaren indien vragen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling tot behandeling nopen – om die formulering vast te houden – sluit niet bij deze ratio aan.
De belangen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling nopen dus tot verlening van toegang, maar mogen intussen niet op zichzelf voor weigering van toegang de doorslag geven. Ten tweede accentueert de toelichting op de Wet versterking cassatierechtspraak namelijk de tegenstelling tussen het voorgestelde artikel 80a RO en enig verlofstelsel. Volgens de toelichting behelst het wetsvoorstel geen verlofstelsel aangezien niet sprake is van een systeem “waarin de rechter voorafgaande toestemming moet verlenen voor het gebruik van het rechtsmiddel. De vrijheid van partijen om beroep in cassatie in te stellen blijft onaangetast.”4 Gesproken wordt daarentegen van een ‘selectiemechanisme’ omdat het in artikel 80a RO zou gaan “om een rechterlijke toets van de zaak zelf nadat cassatieberoep is ingesteld, dus bij wijze van spreken ‘na de poort’. De toegang tot de cassatierechtspraak wordt met dit wetsvoorstel op geen enkele wijze beperkt.”5 De toelichting op het wetsvoorstel versterking cassatierechtspraak zet zich hiermee in algemene zin af tegen het rapport van de Commissie Hammerstein I, waarin juist het graduele verschil tussen verkort motiveren, selectie en verlof wordt benadrukt, en sluit veeleer aan bij de teneur van vóór dat rapport.
Of deze afwijking in duiding van artikel 80a RO meer is dan een verschil in retoriek, is intussen de vraag. De wetgever licht de bepaling namelijk toe met grotendeels dezelfde voorbeelden van kansloze zaken als waarop de Commissie Hammerstein I wijst.6 Bovendien wordt het wetsvoorstel als ‘in lijn met’ of ‘conform’ het rapport van de Commissie gepresenteerd, juist ook waar het de afwijzing van een verlofstelsel betreft.7 Bovendien lijkt de wet- gever net als de Commissie Hammerstein I het selectiestelsel vooral te willen onderscheiden van een verlofstelsel in Amerikaanse zin, waarbij de hoogste rechter hoofdzakelijk met het oog op rechtseenheid en rechtsontwikkeling kan kiezen welke zaken hij behandelt en slechts een klein gedeelte van de beroepen wordt toegelaten.8 Dergelijke zeer vrije toegangsbeoordeling zou immers een grote verandering in de functies van cassatie impliceren, een verandering die de wetgever uitdrukkelijk niet beoogt: “Op grond van artikel 118, tweede lid, van de Grondwet is de Hoge Raad in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht. Met het wetsvoorstel wordt uitdrukkelijk geen wijziging in de taak van de Hoge Raad beoogd.”9
Dit citaat onthult dat de toelichting op de Wet versterking cassatierechtspraak zich niet enkel conformeert aan maar ook afzet tegen het rapport van de Commissie Hammerstein I. Waar de commissie ten aanzien van de taken van de Hoge Raad een “accentverschuiving” voorstelt waardoor rechtsbescherming in het individuele geval meer de functie moet krijgen van het bewaken van de kwaliteit van de rechtspraak in het algemeen10 – vgl. het conceptwetsvoorstel11 – daar geeft de toelichting op de Wet versterking cassatierechtspraak geen blijk ervan de functies van cassatie te willen veranderen.12 De Wet versterking cassatierechtspraak lijkt enkel bedoeld om dezelfde functies op meer doelmatige wijze te realiseren. Concreet blijkt dat uit de afwijzing in de memorie van toelichting van de door de Commissie Hammerstein I geopperde maatstaf van ‘significant nadeel’, onder meer omdat die formulering onduidelijkheid schept over het niveau van rechtsbescherming dat cassatie beoogt te bieden.13 Welk niveau van rechtsbescherming dat precies is, daarover is de toelichting zoals opgemerkt niet duidelijk.
Hiermee zijn twee zaken duidelijk geworden. Ten eerste dat artikel 80a RO niet toegepast moet worden als belangen van rechtseenheid of rechtsontwikkeling nopen tot toelating van het beroep. Ten tweede dat deze belangen niet doorslaggevend mogen zijn voor de weigering van toegang tot cassatie. De weigering van toegang tot cassatie lijkt dus onder artikel 80a RO te moe- ten worden bepaald door een aan de rechtsbeschermingsfunctie van cassatie gerelateerde maatstaf, zij het dat de wetsgeschiedenis dus niet verheldert welk criterium dat moet zijn.