Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/V.D.1
V.D.1. Van gesloten tot 'open' stelsel van testamentair bewind
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS409330:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 3, p. 470.
Tweede Nota van Wijziging, 17 141, nr. 9, p. 8.
J.B.VEGTER, Aspecten van bewindin het licht van het nieuwe testamentair bewind, NTBR 1992, 2 en P.P. de QUAY, Het instellen van testamentair bewind,WPNR (1999) 6381..
J.B.VEGTER Aspecten van bewindin het licht van het nieuwe testamentair bewind, NTBR 1992, 2, P.P. De QuAY, Het instellen van testamentair bewind,WPNR (1999) 6381. Stel dat Vegter 'ongelijk' zou hebben en er derhalve reden zou zijn om terug in de tijd te gaan dan zijn de navolgende twee bronnen van belang die de minister bepalend vond voor het destijds geldende recht, Parl. Gesch.Vast, p. 540, te weten ASSER-MEIJERS-VAN DER PLOEG, zesde druk (1967), p.422: 'Ook bij de bevoegdheden en de verplichtingen van de bewindvoerder houde men overigens, [...] in het oog, dat de erflater de vrijheid heeft deze bij de benoeming uit te breiden of in te krimpen, al naar hem goeddunkt [...].', alsmede de dissertatie van VAN DER PLOEG, Testamentair bewind(diss. Leiden), Amsterdam: Bezige Bij1945, nr. 142, p. 163: 'Uit het doel van het bewind vloeit een beperking tot daden van beheer evenmin voort. Aan de bedoeling van den erflater is een beperking bijna altijd vreemd; de bedoeling van den erflater is dat de bewindvoerder, in wiens beleid de erflater zijn vertrouwen stelde, de goederen onder bewind zal kunnen vervreemden of bezwaren, in het algemeen daarover kan beschikken, wanneer deze dat noodig of nuttig oordeelt. [... ] Eveneens pleit de rechtsvergelijking voor een ruime opvatting.' Hof Den Haag bevestigde voor het oude recht deze ruime leer op 1 november 2006, EstateTip Review 2006-42, De 'executeur-testamentair krijgt ook ''postuum''een ''derde ster'' (Hof Den Haag 1 november 2006): ''alstoen niet, behoudens en ''onverminderd legitimaire aanspraken''.''', Den Haag: Boom Juridische uitgevers.
Parl. Gesch. Boek 3, p.540.
Tweede Nota van Wijziging, 17 141, nr. 9, p. 17.
Rapport Commissie Erfrecht KNB, Het testamentair bewind, mei 1991, p. 13.
Tweede Nota van Wijziging, 17 141, nr. 9, p. 17.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 510.
Nogmaals dit neemt niet weg dat er nog steeds sprake is van een erfrechtelijk gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen, echter door de 'tenzij' van art. 4:171 BW wordt dit voor het testamentair afwikkelingsbewindfeitelijk behoorlijk gerelativeerd. Het gesloten stelsel heeft bijvoorbeeld voor het dwingende karakter van het einde van een testamentair bewind weer wel een belangrijke betekenis.
MvA 17 141, nr. 12, p. 60. De voorbeelden in stuk 12 waar HUIJGEN zich op baseert in WPNR (2004) 6571 met de mededeling dat de door de minister gegeven voorbeelden slechts beheershandelingen zijn, zoals de overeenkomst met de loodgieter om een leiding te repareren (op eigen naam), gaan over een heel andere kwestie. Deze handelen namelijk over de door VEGTER in zijn artikel in NTBR 1992, 2, p. 37 e.v. aangesneden kwestie over in hoeverre een bewindvoerder op eigen naam kan handelen. Direct voorafgaand aan de opsomming van de betreffende voorbeelden merkt de minister dan ook op 'Dat een bewindvoerder in eigen naam moet kunnen handelen is een praktijkeis, die [...]' Vervolgens komt onder meer als voorbeeld hiervan naast de 'loodgieterskwestie', het innen van rente en het herbeleggen in ef-fekten. Er is geen enkel verband met het vraagstuk in hoeverre een erflater de zelfstandige beschikkingsbevoegdheden van een bewindvoerder kan uitbreiden. Vegter heeft namelijk in paragraaf 7 van zijn artikel met het opschrift 'Als vertegenwoordiger of in eigen naam' uitdrukkelijk de vraag gesteld 'in hoeverre het bewind met beheers- en beschikkingsbevoegdheid zich verdraagt met het door de wetgever gehanteerde vertegenwoordigingsbegrip'. In deze context moet men dan ook het antwoord van de minister en de vragen van de kamerleden zien, en zeker niet in de context van het al dan niet zelfstandig kunnen beschikken door de bewindvoerder. De kamerleden hebben slechts de door Vegter op p. 42 van zijn artikel aan de minister gestelde vraag herhaald die er in feite op neerkomt waarom niet gemotiveerd wordt waarom en hoe de nieuwe bewindsfiguur in het systeem van het bestaande recht past. Zoals reeds opgemerkt speelt hierbij het vertegenwoordigings- dan wel 'op eigen naam'-vraagstuk een belangrijke rol.
WG. HUIJGEN,Verdeling door de executeur-bewindvoerder?,WPNR (2004) 6587, p. 621.
B.M.E.M. SCHOLS,Vier sterren voor de driesterrenexecuteur. De afwikkelingsbewindvoerder kan zelfstandig beschikken op grond van de doctrine, de wet, het testament en zijn zorg-plicht,WPNR (2006) 6690.
Om de rol van de rechter te kunnen bepalen bij een afwikkelingsbewind kan niet ontkomen worden aan een kleine analyse van de totstandkoming van de regeling. Vooraf merk ik op dat waar ik hierna de term open-stelsel van be-windhanteer, het instellen van een bewindals uiterste wilsbeschikking wel degelijk onderworpen blijft aan het gesloten erfrechtelijk stelsel. Bij bestudering van de parlementaire geschiedenis met betrekking tot testamentair bewind, is van groot belang drie fasen te onderscheiden: eerst was er de fase Meijers, waarbij uitgegaan werdvan het gesloten stelsel van bewind, vervolgens kwam de half-openfase1 en tot slot de fase van het stelsel dat uiteindelijk ook wet is geworden, het volledig open-stelsel van bewind.2
Het moederartikel op basis waarvan het afwikkelingsbewind handen en voeten gegeven kan worden, art. 4:171 BW, is nog gewijzigd in de laatste fase, de invoeringsfase van het wetgevingsproces, en dient derhalve door de bril van het volledig open-stelsel bezien te worden. In een prille fase, derhalve nog voor de invoering, bestond reeds geen twijfel meer over de mogelijkheid tot uitbreiding van de beschikkingsmacht van de bewindvoerder bij Vegter en De Quay.3 Het verbaast dan ook niet dat deze auteurs ruime aandacht besteedden aan het totstandkomingsproces dat tot dit zeer importante art. 4:171 BW geleidheeft. In de half-openfase had art. 3.6.2.1a weliswaar eveneens ook de inhoud dat:
'de bevoegdheden van de bewindvoerder ruimer of beperkter (kunnen) worden vastgesteld dan uit het in deze titel daaromtrent bepaalde voortvloeit'.
Echter met Vegter en De Quay4 wil ik uitdrukkelijk wijzen op de (in die halfopenfase) in de toelichting door de minister aangebrachte begrenzing. Er moest immers volgens de minister binnen de lijntjes gebleven worden van de aard van het bewinden met behoud van de rechten van de rechthebbende.5 De tekst van art. 4:171 BW is pas later veel concreter geworden. Er wordt niet meer gesproken van 'titel', maar van 'ruimer (...) dan uit voorgaande bepalingen van deze afdeling voortvloeit.' De voorgaande bepalingen handelen met name over de beheers- en beschikkingsbevoegdheid van de bewindvoerder. Een concretisering derhalve. In de toelichting bij art. 4:171 BW wordt gesproken van enige verruiming ten opzichte van art. 3.6.2.1a.6 Nu kan men mij tegenwerpen dat enige dan wellicht wat zacht uitgedrukt is, maar daar kan tegen ingebracht worden dat dit wel meevalt als men bedenkt dat het tekstueel maar om enkele woordjes gaat. Zou men nog twijfelen, het hoge woord was er definitief uit toen door de Commissie Erfrecht van de KNB de vraag werdgesteldof bij uiterste wilsbeschikking bepaald mag worden dat de beschikkingsbevoegdheid uitsluitend aan de bewindvoerder toekomt.7 Zonder blikken of blozen werd door de minister in de toelichting geantwoord dat erflater kan bepalen dat de bewindvoerder zonder medewerking en zonder machtiging van de kantonrechter kan beschikken.8Als voorbeeld van een verplichting werdgegeven de opdracht aan de bewindvoerder om de rechthebbende periodiek uitkeringen uit het bewindsvermogen te doen. In de tijd van Meijers werd er nog van uit gegaan dat de bewindvoerder medewerking van de rechthebbende dan wel machtiging van de kantonrechter nodig had voor andere daden dan beheersdaden.9 Hier was geen testamentaire wijziging mogelijk.
In de laatste fase van het wetgevingsproces is derhalve nog een hele belangrijke stap gemaakt naar de 'totale' beschikkingsvrijheid van de bewindvoerder. Van huis uit was het wezen van bewind 'beheer'. Thans kan men bij een nieuwe rechtsfiguur als afwikkelingsbewindstellen dat er ook een hele zware nadruk ligt op andere handelingen dan beheer, denk aan het tot stand brengen van de verdeling van de nalatenschap. In zoverre is het klassieke wezen van bewindniet meer vanzelfsprekend. Deze gedachte past ook beter bij de volledige vrijheid van erflater om aan te geven wat de strekking van het be-windzal zijn, bijvoorbeeldverzwaring van de executele oftewel afwikkelingsbewind. Het is erflater die de spelregels bepaalt. Door de erflater in art. 4:171 BW geboden mogelijkheid kan onder het huidige erfrecht gesproken worden van een volledig open stelsel van testamentair bewind.10
Vegter en De Quay verwijzen overigens in de aangehaalde publicaties als vergelijking ook nog naar de introductie in het NBW van de vruchtgebruiker met volledige vervreemdings- en verteringsbevoegdheid.
Het was Huijgen die zich vervolgens, een jaar na de invoering van het nieuwe erfrecht, afvroeg of het antwoordvan de minister op de belangrijke vraag van de Commissie Erfrecht niet 'ingetrokken' was, omdat het betreffende antwoord(stuk nr. 9) in latere kamerstukken11 (stuk nr. 12) niet meer herhaald werd. Hij zorgde hiermee zacht uitgedrukt voor enige notariele commotie:12
'De hiervoor vermelde kamerstukken zijn de laatst beschikbare bronnen in de parlementaire geschiedenis over deze materie en nergens wordt daar gesproken van de mogelijkheid van zelfstandige verdelingsbevoegdheid voor de bewindvoerder. Het toekennen van een dergelijke bevoegdheid in testamenten onder huidig recht lijkt me dan ook uiterst dubieus.'
Een en ander is voor de praktijk gelukkig met een sisser afgelopen13 en er bestaat thans op dit gebied zelfs een 'heersende leer'. Over dit erfrechtelijke 'happy end' aan het slot van dit hoofdstuk meer.