Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/3.2.3.3:3.2.3.3 Eigen opvatting: het zijn van executeur levert een voordeel op
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/3.2.3.3
3.2.3.3 Eigen opvatting: het zijn van executeur levert een voordeel op
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859207:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel uit de wetsgeschiedenis niet nadrukkelijk blijkt of een executeursbenoeming onder het bereik van artikel 4:3 BW valt, verschaft zij wel enige richting. Regeringscommissaris Wiersma merkt op dat de terminologie alleen in de ruimste zin kan worden opgevat. Hij leidt dit af uit de tegenstelling tussen de woorden ‘voordeel te trekken’ uit artikel 4:3 lid 1 BW en artikel 4:56 lid 1 BW, waar een beperktere strekking wordt beoogd en de formulering wordt gebruikt ‘om aan een making een recht te kunnen ontlenen’.1 Deze ruime benadering spreekt ervoor onder voordeel ook het zijn van executeur te verstaan.
Gelet op de ratio van onwaardigheid spreekt het bovendien aan om de – in ieder geval in eerste instantie in de parlementaire geschiedenis gegeven – ruime uitleg van het begrip begunstiging in artikel 20 Wna te volgen, inhoudende dat de benoeming tot executeur een begunstiging is zelfs als uitdrukkelijk wordt bepaald dat hem geen loon toekomt. Een van de gedachtes waar artikel 4:3 BW op steunt, is aansluiten bij de vermoedelijke wil van de erflater.2 Het ligt in de lijn der verwachting dat de erflater de onwaardige, nadat hij zich tegen hem heeft misdragen, niet enkel economisch voordeel wil ontzeggen maar elk subjectief recht of rechtspositie met betrekking tot zijn nalatenschap.3 De executeur is door de erflater gekozen, omdat hij vertrouwen in hem koestert. Deze vertrouwensband loopt door de misdraging een ernstige deuk op en zal in veel gevallen zelfs geheel verbroken zijn.
Toegespitst op economisch voordeel is nog het volgende van belang. Perrick merkt bij artikel 4:57 e.v. BW op dat sprake kan zijn van een verboden (economische) bevoordeling als de ‘bepaalde’ beloning of het ‘bijzonder’ legaat te groot is.4 Onder omstandigheden kan het wettelijke loon echter ook een economisch voordeel opleveren, ongeacht de intenties van de erflater. Tenzij bij uiterste wil anders is geregeld, komt de executeur 1/100ste van de waarde van het vermogen van de erflater op diens sterfdag toe (art. 4:144 lid 2 BW). Aangezien deze wettelijke beloning een vast percentage betreft, ongeacht de hoeveelheid werkzaamheden die de executeur verricht, kan dat een economisch voordeel meebrengen. Bijvoorbeeld in een meer dan solvabele nalatenschap waarbij de werkzaamheden beperkt blijven. De stelling dat deze beloning geen economisch voordeel oplevert, houdt daarom niet in alle gevallen stand. In die gevallen kan dan de situatie ontstaan dat de onwaardige profiteert van zijn eigen wangedrag, hetgeen indruist tegen de ratio van onwaardigheid.
Verder pleit het algemeen belang dat aan artikel 4:3 BW ten grondslag ligt voor een ruime uitleg van het voordeelsbegrip. Als het onverenigbaar is met de openbare orde dat een persoon in de genoemde gevallen opkomt in de nalatenschap van de erflater, dan kan hetzelfde gezegd worden voor diens bevoegdheid om de nalatenschap te mogen afwikkelen.5
Dat de onwaardige niet als executeur is uitgesloten in artikel 4:143 lid 2 BW acht ik geen doorslaggevend tegenargument. Zoals uit het voorgaande blijkt, voorziet artikel 4:3 BW bij een ruime benadering reeds in deze uitsluiting.
Kortom, gelet op het voorgaande kom ik tot de conclusie dat het begrip voordeel trekken uit een nalatenschap in artikel 4:3 BW ruim moet worden opgevat. Ook het zijn van executeur valt eronder. Treedt de onwaardigheid pas in nadat de executeur met zijn werkzaamheden is aangevangen, dan komt de benoeming alsnog te vervallen.6