Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/II.2.2
II.2.2 Rechtsgevolg
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178862:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Timmerman 1991, p. 67.
Zie vooral Handboek 1976/233, Van Schilfgaarde 1977, p. 485 en Asser/Van der Grinten/Maeijer 2-II 1997/127.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/292. Soortgelijke bewoordingen in Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 24 (MvA Wet bestuur en toezicht).
Rb. Den Haag 9 september 2013, JOR 2013/128 (Bungalowpark Zonneweelde), rov. 4.4.
Canisius & Canisius 2015, p. 174-175. De statuten kunnen anders bepalen.
Zoals bijvoorbeeld de uitbetaling van een bonus aan de bestuurder.
Zie o.a. Noldus 1969, p. 38, Handboek 1976/233, Van der Grinten 1991, p. 17- 18, Timmerman 1991, p. 69, Asser/Van der Grinten/Maeijer 2-II 1997/127, Van Schilfgaarde onder HR 3 mei 2002, NJ 2002/393 (Brandao/Joral), onder 11, A-G Timmerman in zijn conclusie voor HR 26 november 2010, NJ 2011/55, (Silver Lining), punt 3.6-3.7, Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 17.2, p. 309, Handboek 2013/ 233, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/292, Dijk/Van der Ploeg 2019, p. 106, De Jongh 2019, p. 55-56 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/211.
Zie m.n. Van der Grinten 1991, p. 18, Asser/Van der Grinten/Maeijer 2-II 1997/127 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/292.
Zie bijv. Hof Amsterdam 2 juli 1970, NJ 1970/436 (ASVA), Rb. Arnhem 15 juni 2000, JOR 2000/211, rov. 4.4, Rb. Leeuwarden 5 oktober 2011, RO 2012/4 (Leeuwarder Onderlinge Verzekeringen), rov. 4.11 en Rb. Den Haag 9 september 2013, JOR 2013/128 (Bungalowpark Zonneweelde), rov. 4.4 en Hof Amsterdam 24 juli 2018, JOR 2018/270, m.nt. Wolf (Keizer van Doorne), rov. 3.5.
Zie o.a. Van der Heijden 1936, p. 153, Huizink 2003, p. 183-185, Asser/Maeijer/ Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/418, De Groot 2013, p. 15-16, Verdam 2013a, par. 7.1 en Huizink 2019/134.
Vgl. HR 3 mei 2002, NJ 2002/393, m.nt. Van Schilfgaarde (Brandao/Joral) en HR 26 november 2010, NJ 2011/55, m.nt. Van Schilfgaarde (Silver Lining), waarin dit soort beslissingen aan de orde zijn. De Hoge Raad spreekt over ‘besluiten’, maar daaraan mag m.i. geen gewicht worden gehecht nu de status van de beslissing niet uitdrukkelijk in geschil was. Anders: Rb. Arnhem 15 juni 2000, JOR 2000/211 (H. Holding), rov. 4.4, waarin de rechtbank in weerwil van de statuten stelt dat het aangaan van pensioenverplichtingen geen besluit behelst.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 23 (MvA Wet bestuur en toezicht).
Kamerstukken I 2003/04, B, p. 19 (MvA Aanpassing structuurregeling).
Uitdrukking van Klein Wassink 2012, p. 168.
Huizink 2019/134.
Huizink 2003, p. 185.
Zie Huizink 2019/134.
Dat een rechtsgevolg vereist is, zit dus in de definitie van de rechtshandeling en daarmee in die van het besluit ingebakken. Een besluit heeft ‘consequenties’ voor de rechtspersoon, of in de woorden van Kroeze:
‘Het besluit bepaalt een rechtsverhouding binnen de rechtspersoon; het is primair gericht op het tot stand brengen, wijzigen of beëindigen van de rechtsbetrekkingen binnen de rechtspersoon.’1
De rechtsgevolgen van een besluit kunnen zich binnen de rechtspersoon manifesteren.2 Ze kunnen zich ook extern voordoen, dat wil zeggen het besluit wijzigt direct of indirect de rechtsbetrekking van de rechtspersoon tot een derde (zie § IV). Hoe dan ook, zonder rechtsgevolgen is er geen besluit maar slechts een ‘beslissing’.3
Wanneer heeft een beslissing rechtsgevolg? En hoe substantieel moet dat rechtsgevolg zijn? In abstracte zin is dat wel duidelijk. Om Kroeze te parafraseren: een beslissing heeft rechtsgevolg – en is dus een besluit – als ze zich rechtstreeks richt op het bestaan, het wijzigen of het tenietgaan van een rechtsbetrekking.4 Maar hiermee zijn we niet veel verder. Over vage begrippen als ‘rechtstreeks’, ‘wijziging’ en ‘rechtsbetrekking’ valt immers te twisten. Ik geef drie voorbeelden.
Voorbeeld 1. Voorbereidende beslissing. Het bestuur van Kroon NV, een lampenfabrikant, beslist om enkele verouderde armaturenfabrieken van de hand te doen. Overeenkomstig de statuten verzoekt het bestuur hiervoor toestemming van de raad van commissarissen, die de raad spoorslags geeft. Enkele aandeelhouders, ontstemd over de aangekondigde verkoop, komen erachter dat één van de commissarissen bij de besluitvorming een tegenstrijdig belang had in de zin van art. 2:140 lid 5 BW. Zij vorderen op die grond de vernietiging van het ‘goedkeuringsbesluit’. Verondersteld dat de aandeelhouders een redelijk belang hebben in de zin van art. 2:15 lid 3 onder a BW, loopt hun vordering stuk op de status van de goedkeuringsbeslissing. Die beslissing is denkelijk geen besluit, omdat ze zich niet rechtstreeks op rechtsgevolg richt. De verkoop van de fabrieken vereist immers de vertegenwoordiging van de rechtspersoon – het sluiten van de noodzakelijke overeenkomst hangt niet af van de beslissing van de raad van commissarissen om goed te keuren. Gebreken in de besluitvorming kunnen aan de onbeperkte en onvoorwaardelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur geen afbreuk doen, omdat het statutaire goedkeuringsvereiste niet uit de wet voortvloeit (art. 2:130 lid 3 BW). De vraag is kortom: richt de goedkeuringsbeslissing zich rechtstreeks op rechtsgevolg? Is er wel een besluit dat vernietigd kan worden? Dezelfde vragen laten zich stellen ten aanzien van de beslissing van het bestuur.
Voorbeeld 2. Negatieve beslissing. De ledenvergadering van Bungalowpark Zonneweelde, een vereniging van eigenaars, beslist om de enig bestuurder, een professioneel beheerder, te herbenoemen hoewel diens maximale zittingstermijn is verstreken. Een lid van de vereniging, ontevreden over het beheer, vordert de verklaring voor recht dat het genoemde ‘besluit’ nietig is. De rechtbank Den Haag wijst deze vordering af nu het besluit om de bestuurder te laten zitten ‘in wezen behelst dat de ledenvergadering, in meerderheid, de bestaande situatie wilde handhaven’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zo’n beslissing ‘geen rechtsgevolgen in de organisatie van de rechtspersoon, zodat van een besluit in de zin van artikel 2:14 BW geen sprake is’.5 De beslissing van de ledenvergadering brengt geen wijziging in een rechtsbetrekking – zij laat de status-quo voortduren en is dus, aldus de rechtbank, geen besluit.
Voorbeeld 3. Interne beslissing. De algemene vergadering van Oppenhof BV, een vastgoedmaatschappij, beslist om de jaarrekening over 2018 vast te stellen. Anders dan bij de NV (art. 2:105 lid 3 BW) betekent dit nog niet dat dividend aan de aandeelhouders wordt uitgekeerd, nu art. 2:216 lid 1 BW een uitkeringsbesluit vereist.6 Gesteld dat de jaarrekening ook overigens geen directe vermogensrechtelijke gevolgen heeft,7 rijst de vraag voor welke rechtsbetrekking de vaststelling daarvan gevolgen heeft. Zeker, met de goedkeuring van de jaarrekening komt de ‘financiële toestand’ van de rechtspersoon vast te staan. Maar volstaat dit ‘rechtsgevolg’? Bij de onomstreden status van het vaststellingsbesluit kunnen dogmatische vraagtekens worden gezet. De vraag is op welke rechtsbetrekking een besluit moet zien. Mag het gaan om een abstracte, ongrijpbare, in geld niet uit te drukken verhouding, of moet het besluit verandering brengen in de rechtspersonenrechtelijke of vermogensrechtelijke positie van een of meer betrokkenen? Dat laatste doet het jaarrekeningbesluit niet steeds.
Natuurlijk zijn er nog talloze voorbeelden meer. Is er een besluit als het bestuur een bod op de aandelen van een dochtervennootschap afwijst, weigert te decertificeren of een agenderingsverzoek terzijde schuift? En hoe zit het als de algemene vergadering de notulen vaststelt? En mogen we van een besluit spreken, als de commissarissen akkoord gaan met de jaarrekening en deze ondertekenen?
Of in deze gevallen een besluit voorligt, is geen uitgemaakte zaak. In de literatuur heerst verdeeldheid. De meeste schrijvers beklemtonen dat een beslissing rechtstreeks van invloed moet zijn op een rechtsbetrekking, wil van enig rechtsgevolg en van een besluit sprake zijn. Het loutere beogen volstaat niet. Het mag niet gaan om een geval waarin eerst een nadere rechtshandeling het beoogde gevolg doet intreden, zoals de bestuursbeslissing hierboven om fabrieken af te stoten (zoals in voorbeeld 1).8 Het schoolvoorbeeld van een niet-besluit is de hierboven al genoemde bestuursbeslissing om een machine aan te schaffen.9 Voor de schrijvers van de strakke lijn zijn bovendien negatieve beslissingen (voorbeeld 2) geen besluiten, hetgeen bevestiging vindt in sommige lagere rechtspraak.10
Anderen staan een wat ruimere lijn voor, met als doel (meer) beslissingen voor rechterlijke toetsing vatbaar te maken.11 Volgens hen hoeft de band tussen een beslissing en het rechtsgevolg geen rechtstreekse te zijn om van een besluit te kunnen spreken. Ook beslissingen die worden gevolgd door vertegenwoordigings handelingen, zijn dan besluiten. Met de weinig uitgesproken rechtspraak lijkt deze gedachte niet in strijd,12 en bovendien vindt zij steun in de parlementaire geschiedenis van de Wet bestuur en toezicht. Daar spreekt de minister, misschien onbedoeld, over ‘een [bestuurs]besluit om al dan niet over te gaan tot een overname’ en het ‘[bestuurs]besluit’ om te investeren in apparatuur.13 Al eerder refereert een andere minister aan een ‘besluit tot aankoop van een bepaald goed’.14 Een ruimere lijn is ook te vinden in de parlementaire geschiedenis van de structuurregeling van 2004. Art. 2:158/268 lid 4 BW bepaalt dat de algemene vergadering in een structuurvennootschap de commissarissen benoemt op voordracht van de raad van commissarissen. Daarover zegt de minister dat als de algemene vergadering een voorgedragen kandidaat afwijst, dit ‘besluit (…) op de gebruikelijke wijze kan worden aangetast wegens strijd met bijvoorbeeld art. 2:8 of 2:15 BW’.15 Zonder erbij stil te staan acht de minister dus een negatieve beslissing vernietigbaar. Ongetwijfeld moet aan deze ministeriële uitlatingen niet al te veel gewicht worden toegekend, maar veelzeggend is dat het besluit kennelijk breder wordt opgevat dan de strenge dogmatiek voorstaat.
Weer anderen gaan nog verder. Zij betogen dat een rechtsgevolg niet veel hoeft in te houden. Voor een besluit zou een ‘sprankje rechtsgevolg’ volstaan.16 Huizink noemt als voorbeeld het ‘besluit’ van het bestuur om ‘twee HBO’ers’ in dienst te nemen. Met deze beslissing zelf zijn de medewerkers nog niet in dienst. Het bestuur (of de HR-manager) moet een advertentie plaatsen, sollicitatiegesprekken voeren en arbeidsovereenkomsten tekenen. Toch heeft de beslissing als zodanig reeds een rechtsgevolg, zo zegt Huizink, dat eruit bestaat dat de bestuurders zich aan de beslissing hebben gecommiteerd. Handelen in strijd met die beslissing levert volgens Huizink onbehoorlijk bestuur op. Gegeven dit rechtsgevolg is er een besluit.17 Hetzelfde zou opgaan voor de beslissing om een machine aan te schaffen, die immers als rechtsgevolg heeft dat de vertegenwoordigingsbevoegde bestuurders gehouden zijn een machine te kopen.18 En ook de beslissing om de fabrieken af te stoten (het voorbeeld onder 1) moet in deze visie als besluit gelden. Veel verder gaat het oprekken van het besluitbegrip niet. Ook de rekkelijke visie erkent geen negatieve besluiten. Huizink kan zich het vernietigen of nietig achten van zulke beslissingen lastig indenken. Wat schieten we op met de vernietiging van de beslissing om een bestuurder niet te herbenoemen (voorbeeld 2)? De vernietiging zou, aldus nog steeds Huizink, nog niet de benoeming van de bestuurder bewerkstelligen. De betrokkene is en blijft bestuurder-af.19