Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.3.6
3.3.6 (Medezeggenschaps-)rechten van belanghebbenden in sectorale wetgeving sinds de jaren ’90
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS389736:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Onder leiding van P.L. Dijk werd door een interdepartementale Stuurgroep Democratisch en Doelmatig Functioneren van gesubsidieerde instellingen een voorontwerp van de Wet op het democratisch functioneren van instellingen opgesteld. Het op basis van dit voorontwerp opgestelde Wetsvoorstel, dat door de overheid gesubsidieerde instellingen op uiteenlopende terreinen betrof, werd echter uiteindelijk niet bij de Staten Generaal ingediend. De redenen daarvoor waren gelegen in het advies van de Raad van State over het wetsvoorstel en de ontwikkelingen van maatschappelijke en politieke aard. Het in 1986 aangetreden tweede kabinet Lubbers koos ervoor om, in plaats van een breed geldende algemene regeling, een wettelijke minimumregeling, met mogelijkheden voor sectoraal gedifferentieerde uitwerking bij algemene maatregelen van bestuur tot stand te brengen voor een beperkte categorie (zorg)instellingen. Kamerstukken II 1992-1993, 23 041, nr. 3, p. 1-2.
Wet medezeggenschap van cliënten zorginstellingen, Stb. 1996, 204.
Groeneveld-Louwerse 2004, p. 337. Zie artikel 7 lid 1 sub e Besluit Beheer Sociale Huursector (BBSH).
Stb. 2002, 193.
Zie hierover ook Dijk/Van der Ploeg 2013, par. 10.4.1.
Zie ook Roest 2015, p. 485-486.
Laseur-Eelman & Nolen 2015, p. 447-448.
Sectorale uitwerking
In plaats van een breed geldende algemene regeling werd gekozen voor een sectorale uitwerking van democratiseringsregels bij door overheid gesubsidieerde instellingen.1 Hiertoe werden sectorale medezeggenschapschapsregels en regels omtrent klachtrecht van direct betrokkenen bij dergelijke instellingen opgesteld. De sectorale uitwerking was in lijn met het standpunt van de Regering die meende dat het instellen van een belanghebbendenorgaan met medezeggenschapsrechten (adviserende bevoegdheden) in belangrijke mate kon bijdragen aan de democratisering van stichtingen in bepaalde sectoren.
Zorgsector: Wmcz
In de zorgsector werd in 1996 medezeggenschap van cliënten van zorginstellingen geregeld in de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz).2 Blijkens de MvT bij de Wmcz meenden de toenmalige Minister en Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur dat (in discussies) in het verleden te veel belang werd gehecht aan “ingrijpende invloed” van onder meer cliënten op de bestuurssamenstelling. Volgens de Minister en de Staatssecretaris dient daarbij bedacht te worden dat bestuurders van een rechtspersoon gehouden zijn het belang van die rechtspersoon te dienen en aan doelrealisatie mee te werken.3 Daarmee werd bedoeld dat iedere stichtingsbestuurder, ongeacht door wie hij is benoemd, de belangen van alle betrokkenen, waaronder cliënten in het geval van zorginstellingen, in acht dient te nemen.
Voordrachtsrechten
In de Wmcz werd een relatief beperkte invloed van het cliëntenorgaan (de cliëntenraad) op de bestuurssamenstelling opgenomen: voorgeschreven werd dat de statuten van een zorginstelling bepalen dat ten minste één bestuurslid wordt benoemd op bindende voordracht van de cliëntenraad. Daaraan werd toegevoegd dat, indien de zorginstelling een orgaan heeft ingesteld dat toezicht houdt op het (professionele) bestuur, de cliëntenraad het bindende voordrachtsrecht niet ten aanzien van een bestuurslid maar ten aanzien van een lid van dat toezichthoudend orgaan heeft. Bij een raad van toezichtmodel wordt het voordrachtsrecht dus als het ware “opgetild” van het bestuur naar de raad van toezicht. Ook bij woningcorporaties werd in sectorregels een bindende voordracht van huurders en huurdersorganisaties voorgeschreven ten aanzien van ten minste één bestuurder of, indien er een raad van toezicht was ingesteld, ten aanzien van ten minste één lid van de raad van toezicht.4 Vanaf 1 juli 2002 werd dit recht bij woningcorporaties uitgebreid: huurders en huurdersorganisaties kregen het recht een bindende voordracht te doen ten aanzien van twee bestuurders of – in het geval van een raad van toezichtmodel – twee leden van de raad van toezicht.5
Medezeggenschapsrechten
De Wmcz schreef voorts voor zorginstellingen voor hoe de cliëntenraad dient te worden ingesteld en welke medezeggenschapsrechten de cliëntenraad heeft ten aanzien van belangrijke besluiten, die de belangen van cliënten raken.6 Deze medezeggenschapsrechten (adviesrechten) volgden – evenals nu – dezelfde lijnen als de rechten van werknemers op grond van de WOR.7 Ook in het onderwijs werd medezeggenschap voorgeschreven en pensioenstichtingen kenden een medezeggenschapsorgaan (een deelnemersraad), bestaande uit (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden.8