Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/
Inleiding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS485009:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1976-1977, 13 954, nr. 6, p. 40. Om vergelijkbare redenen komt de ondernemingsraad, naast het feit dat in dat geval geen sprake is van een besluit van de ondernemer, geen adviesrecht toe met betrekking tot een door de bestuurder zelf genomen ontslag.
Kamerstukken II 1977-1978, 13 954, nr. 106, p. 14.
Onder meer bij wege van amendement van de Kamerleden Jansen en Poppe (Kamerstukken II 1975- 1976, 13 954, nr. 122).
Zie voor een geval waarin dit speelde OK 5 oktober 2005, JOR 2005/296 m.nt. Leijten en JAR 2005/ 266 (Smit Transformatoren), in het bijzonder overweging 3.19 van die beschikking.
Van het in juni 1976 ingediende wetsontwerp tot Herziening van de Wet op de ondernemingsraden maakte een derde lid van art. 30 WOR deel uit, dat besluiten tot benoeming van een bestuurder onder het bereik van het in art. 26 WOR geregelde beroepsrecht bracht. Tegen een besluit tot ontslag van de bestuurder kon geen beroep worden ingesteld, omdat het, gegeven de persoonlijke belangen die daarmee gemoeid waren, niet aan de ondernemingsraad maar uitsluitend aan de betrokken bestuurder was om actie daartegen te ondernemen.1 Bij de Derde Nota van wijzigingen is het beroepsrecht, dat inmiddels in lid 4 was beland,2 geschrapt, omdat volgens de betrokken ministers niet te verwachten viel dat een college als de Ondernemingskamer zou kunnen beoordelen of een bepaald persoon geschikt zou zijn voor de functie van bestuurder.3 Pogingen de regering op andere gedachten te brengen4 leden schipbreuk; in de Tweede Kamer was geen meerderheid te vinden voor een toetsing van benoemingsbesluiten, zelfs niet als die marginaal zou zijn. Opvallend is dat het feit dat de Ondernemingskamer de ondernemer niet alleen op inhoudelijke gronden maar ook omwille van gebreken in de gevolgde procedure kan verplichten een besluit in te trekken, geen vragen heeft opgeroepen bij het schrappen van het beroepsrecht. De ondernemingsraad staat echter niet met lege handen indien hij niet, niet tijdig of niet op de juiste wijze in de gelegenheid is gesteld een advies uit te brengen. Zo zou de veronachtzaming van het in art. 30 WOR bedoelde adviesrecht een rol kunnen spelen bij de beoordeling van een verzoek een enquête in de zin van art. 2:345 BW te gelasten.5 Ik zal het enquêterecht hier verder onbesproken laten, en mij beperken tot bepalingen in de Wet op de ondernemingsraden en Boek 2 die rechtstreeks op het besluit en de gevolgen daarvan betrekking hebben. Welke route de ondernemingsraad daarbij bewandelt is niet geheel van belang ontbloot. Hoewel daar in de praktijk, ook door de rechter, nogal eens overheen gestapt lijkt te worden, doet men er goed aan zich de vraag te stellen welke rechter bevoegd is welke voorziening te treffen.