Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/5.8.1.2
5.8.1.2 De mogelijkheden die het BW biedt (art. 2:14 en/of art. 2:15 BW)
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS489880:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. onder meer Van Schilfgaarde/Winter 2009, p. 273; en Van Els/Heinsius 2011, p. 114.
Citaat uit Hof Arnhem 15 juli 2008, JOR 2009/62 m.nt. Holtzer en JAR 2008/314 (Vion Retail Groenlo). Het ging in die zaak om een verzoek van de ondernemingsraad tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, dat er toe strekte het bewijs te leveren van afspraken die de raad in het kader van een adviesprocedure met de ondernemer had gemaakt ten behoeve van de door hem vertegenwoordigde werknemers. Zie nadien ook Ktr. Amsterdam 23 mei 2011, JAR 2011/215, bekrachtigd door Hof Amsterdam 10 juli 2012, JBPr 2012/70. In zijn noot onder dit arrest verwijst De Folter naar HR 3 december 1993, NJ 1994, 375. Daarin overwoog de Hoge Raad dat onder omstandigheden een uitzondering moet worden aanvaard op het beginsel dat alleen natuurlijke of rechtspersonen als partij in een burgerlijk geding kunnen optreden. Van dergelijke omstandigheden was volgens de Hoge Raad sprake in een geval waarin tussen een ingevolge art. 59 WHBO opgerichte medezeggenschapsraad en het bevoegd gezag een geschil bestond dat de naleving van verplichtingen van dat gezag jegens die raad betrof.
Pres. Rb. Haarlem 19 februari 1988, KG 1988, 133.
Kamerstukken II 1982-1983, 17 725, nr. 3, p. 619 (Parl. Gesch. Aanpassing B.W. (Inv. 3, 5 3n 6), blz. 169). De verwijzing naar art. 27 lid 5 WOR behoeft enige toelichting, nu verwarring zou kunnen ontstaan ten gevolge van het feit dat ook daarin sprake is van nietigheid. Met betrekking tot art. 27 WOR-besluiten wordt in de betreffende passage niet meer en niet minder gezegd dan dat: (1) een 27 WOR-besluit dat is genomen zonder de instemming van de ondernemingsraad weliswaar in strijd met de wet is, daarmee echter nog niet nietig is in de zin van art. 2:14 BW, en (2) de sanctie die aan de strijdigheid met de wet verbonden is, wordt bepaald in de Wet op de ondernemingsraden. En inderdaad is die sanctie ook nietigheid, maar dan met een aantal specifieke voorwaarden, waaronder dat de ondernemingsraad daar slechts een beroep op kan doen binnen een maand nadat de ondernemer hem van het besluit in kennis heeft gesteld.
Het behoeft nauwelijks betoog dat bij schending van verplichtingen uit hoofde van art. 30 WOR geen sprake is van schending van een reglement (art. 2:15 lid 1 en onder c BW).
Rechtbank Amsterdam 19 november 1997, JOR 1998/24 (Broekhoff), bekrachtigd door het hof Amsterdam bij arrest van 20 mei 1999, NJ 1999, 607 en JAR 1999/146 (Broekhoff).
Asser-Maeijer 2-III, nr. 455.
Kamerstukken II 1982-1983, 17 725, nr. 3, p. 59 (Parl. Gesch. Aanpassing B.W. (Inv. 3, 5 en 6), p. 167).
Kamerstukken II 1982-1983, 17 725, nr. 3, p. 619 (Parl. Gesch. Aanpassing B.W. (Inv. 3, 5 en 6), p. 169).
HR 26 oktober 1984, NJ 1985, 375 m.nt. Ma. (Sjartec), onder meer besproken door Van Schilfgaarde 1985, p. 141 e.v. en Timmerman 1985, p. 6 e.v. Dat het een door de ontslagen bestuurder aangespannen procedure betrof, vind ik niet relevant voor de vraag of de ondernemingsraad zich op art. 2:15 lid 1 en onder c BW zou kunnen beroepen.
Zo ook Rb. Arnhem 20 juli 2005, JOR 2005/262 (Vorstenburg/Heijmans).
Duk 1984, p. 58.
Als het gaat om een vorm van aantasting van besluiten tot benoeming of ontslag van bestuurders van de onderneming die door een orgaan van de ondernemer zijn genomen, ligt het in de rede daarbij ook de artt. 2:14 en 2:15 BW, inzake de nietigheid resp. de vernietiging van besluiten, te betrekken. Aan de procesbevoegdheid van de ondernemingsraad met betrekking tot het voeren van de in die artikelen bedoelde procedures wil ik niet veel meer woorden wijden dan dat ik mij kan vinden in wat het Hof Arnhem, op een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, overwoog in een arrest dat in brede kring op instemming kon rekenen:1 ook als geen sprake is van procedures die behoren tot de in de artt. 26, 27 en 36 WOR bedoelde gevallen, is de ondernemingsraad bevoegd die te voeren, indien dat ‘in het belang is van en wenselijk is voor een doelmatige vervulling van de taak die de ondernemingsraad in de WOR is toegedacht’.2 Eenzelfde overweging zien we in een al wat ouder vonnis van de President van de Rechtbank Haarlem, waarin deze de ondernemer verplichtte een besluit tot benoeming van een bestuurder op te schorten, in afwachting van de uitkomst van een procedure waarin de ondernemingsraad vernietiging van een besluit zou gaan vorderen wegens strijd met de goede trouw als bedoeld in art. 2:15 lid 1 en onder b BW (destijds nog art. 2:11 lid 1 sub c BW).3
In de wetsgeschiedenis wordt een vennootschappelijk besluit dat is genomen zonder daarbij het advies- of het instemmingsrecht van de ondernemingsraad te respecteren, geschaard onder de besluiten in strijd met de wet (art. 2:14 BW). Deze kwalificatie is niet van principieel belang ontbloot: de wetgever betrekt verplichtingen uit hoofde van de Wet op de ondernemingsraden bij de vennootschapsrechtelijke beoordeling van besluiten van de ondernemer. Met het opnemen van de uitzondering in de slotzin van art. 2:14 lid 1 BW, heeft de wetgever echter in een aantal gevallen de in dat artikel bedoelde nietigheid als sanctie willen uitsluiten. Tot die gevallen behoren die waarin het advies- of het instemmingsrecht van de ondernemingsraad is geschonden:
‘Lid 1 stelt de algemene regel voorop dat een besluit in strijd met wet of statuten nietig is. Het slot herinnert er echter aan dat zulk een strijd niet altijd met nietigheid wordt gesanctioneerd. Men zie daartoe in de eerste plaats artikel 15, dat strijd met bepalingen omtrent de totstandkoming van besluiten slechts vernietigbaar maakt. Voorts denke men aan de voorschriften die een bepaalde rechtsgang voor de vernietiging van besluiten inhouden, zoals de artikelen 999-1001 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering inzake de vernietiging van besluiten tot vaststelling en goedkeuring van een jaarrekening die met de wettelijke voorschriften in strijd is. Hetzelfde geldt voor de besluiten bedoeld in de artikelen 25, 27 lid 1 en 314 van de Wet op de ondernemingsraden, gezien het bepaalde in de artikelen 26, 27 lid 5 en 36 van die wet. Uit de laatste voorbeelden blijkt reeds dat lid 1 in beginsel betrekking heeft, niet alleen op besluiten waarvan inhoud of strekking met de wet in strijd is, of die onbevoegdelijk zijn genomen, doch ook indien aan andere geldigheidsvereisten niet is voldaan, zoals een voorafgaande aanbeveling of voordracht.’.5
Zou dan misschien een besluit dat is genomen met veronachtzaming van het adviesrecht van de ondernemingsraad vernietigbaar kunnen zijn op een van de in art. 2:15 BW genoemde gronden?6 Overigens met een beroep op een vonnis van de Rechtbank Amsterdam waarin een individuele bestuurder en niet de ondernemingsraad zich op art. 2:15 BW beriep,7 vindt Maeijer van niet; de Wet op de ondernemingsraden kent zijn eigen rechtsgangen, en de wetgever heeft met betrekking tot besluiten in de zin van art. 30 WOR bewust afgezien van een bijzonder beroepsrecht.8 Dat moge zo zijn, Maeijer gaat er aan voorbij dat de eigen rechtsgang die tegen besluiten in de zin van art. 30 WOR open staat (art. 36 WOR) niet vergelijkbaar is met die van art. 2:15 BW, en dat de wetgever van een beroepsrecht aangaande besluiten tot benoeming van bestuurders heeft afgezien omdat hij niets zag in een inhoudelijke toetsing van dergelijke besluiten.9 Bovendien maakt Maeijer, naar mijn mening ten onrechte, geen onderscheid tussen strijd met wettelijke bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen (art. 2:15 lid 1 en onder a BW) en strijd met de in acht te nemen redelijkheid en billijkheid (art. 2:15 lid 1 en onder b BW). Ten aanzien van vernietigbaarheid wegens strijd met wettelijke bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen (art. 2:15 lid 1 en onder a BW) ben ik het met Maeijer eens dat veronachtzaming van het adviesrecht van de ondernemingsraad het besluit niet vernietigbaar maakt. Ik vind dat echter op andere gronden dan Maeijer, te weten de volgende passage in de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van art. 2:15 BW:
‘Betwijfeld kan worden of wettelijke of statutaire bepalingen die voorschrijven dat aan een ander orgaan of aan een derde voorafgaande aan het besluit advies of toestemming moet worden gevraagd, enz., behoren tot de bepalingen die de totstandkoming van besluiten regelen. Hoe dit ook moge zijn, lid 2 beoogt hier rechtszekerheid te scheppen, en wel in die zin dat bepalingen van deze aard niet onder lid 1 sub a vallen,zodat overtreding daarvan niet tot vernietigbaarheid leidt, doch, ingevolge artikel 14, tot nietigheid. Tot deze keus leidt de overweging dat deze bepalingen wettelijke of statutaire bevoegdheden van andere organen of derden inhouden, en dat dezen niet tot procederen behoren te worden genoopt, indien het besluitende orgaan verzuimt zijn verplichtingen na te komen.’10
Schending van adviesrechten, waartoe ik het adviesrecht van de ondernemingsraad reken, leidt niet tot vernietigbaarheid van het besluit wegens strijd met totstandkomingsbepalingen maar tot toepasselijkheid van art. 2:14 BW. Dat is een bewuste keus van de wetgever geweest. De vennootschapsrechtelijke rechtszekerheid, bestaande in de nietigheid van het besluit, die de ondernemingsraad daarmee met de ene hand in de vorm van art. 2:15 lid 2 BW wordt geboden, wordt de ondernemingsraad echter met de andere hand ontnomen door de ‘tenzij’-zinsnede in art. 2:14 lid 1 BW, bleek zojuist.11 Per saldo komt dit er op neer dat de wetgever de ondernemingsraad een beroep op art. 2:15 lid 1 en onder a BWen/of op art. 2:14 lid 1 BW heeft ontzegd. Voor besluiten in de zin van de artt. 25 en 27 kan men daar vrede mee hebben. Die kennen een eigen rechtsgang die leidt tot een vorm van vernietiging (nl. intrekking) resp. tot het vaststellen van de nietigheid van het besluit die zich laat vergelijken met de regeling van de artt. 2:15 resp. 2:14 BW. Dat ligt anders met besluiten in de zin van art. 30 WOR. De Wet op de ondernemingsraden kent met betrekking tot die besluiten níet een met de artt. 2:14 of 2:15 BW vergelijkbare rechtsgang; art. 36 WOR biedt de rechter immers niet de mogelijkheid ongedaan te maken wat inmiddels heeft plaatsgevonden. Hiermee is in de kern gegeven waarom ik het niet met Maeijer eens ben dat de eigen rechtsgang van de WOR met betrekking tot besluiten in de zin van art. 30 WOR in algemene zin in de weg staat aan een beroep op art. 2:15 BW.
Naast de vernietiging op grond van art. 2:15 lid 1 en onder a BW (zoals gezegd, deze acht ik uitgesloten), moeten we ook denken aan de in art. 2:15 lid 1 en onder b BW bedoelde vernietiging wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. Omdat de wetgever zich niet in die zin heeft uitgelaten, kan de ondernemingsraad een beroep op díe bepaling niet zonder meer ontzegd worden. In par. 3.3.4.3 gaf ik aan dat indien de ondernemingsraad is betrokken bij besluitvorming door een orgaan van de vennootschap, de verhouding die in dat kader bestaat mede wordt beheerst door de in art. 2:8 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid. Hoe pakt dat nu uit indien een bestuurder van de onderneming is benoemd of ontslagen bij besluit van een orgaan van de ondernemer en het adviesrecht dat de ondernemingsraad ex art. 30 WOR daarbij niet in acht is genomen? Twee arresten van de Hoge Raad acht ik in dezen van bijzonder belang. In het Sjartec-arrest uit 1984 maakt de Hoge Raad een onderscheid tussen wat wordt aangeduid als ‘het ontslag zelf’ en de ‘op het ontslag gerichte wil van de vennootschap’, om vervolgens te overwegen dat het besluit zowel aan de arbeidsrechtelijke bepalingen van thans Boek 7 titel 10 BW (‘het ontslag zelf’) als aan de vennootschappelijke vernietigingsgronden van destijds art. 2:11 BW, thans art. 2:15 BW (‘de op ontslag gerichte wil’) moet worden getoetst.12 Tot die vernietigingsgronden behoort ook, en daarin is met name het belang van dit arrest gelegen, dat het besluit is genomen in strijd met de eisen die de goede trouw stellen. Voordien had de Hoge Raad in het Mante-arrest reeds bepaald dat vernietiging wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid niet alleen mogelijk is omwille van de inhoud van een besluit, maar ook omwille van de wijze waarop het tot stand is gekomen. Toegepast op een besluit tot benoeming of ontslag van een bestuurder, valt moeilijk vol te houden dat de in art. 2:8 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid jegens de ondernemingsraad in acht is genomen (vgl. het Sjartec-arrest) indien het besluit tot stand is gekomen (vgl. het Mante-arrest) zonder de ondernemingsraad in de gelegenheid te stellen een advies uit te brengen. De ondernemingsraad kan zich dan ook beroepen op art. 2:15 lid 1 en onder b BW.13
Dat heeft ook te gelden met betrekking tot andere adviesplichtige of instemmingsplichtige besluiten. Ik voeg daar echter onmiddellijk aan toe dat de rechter er bij toetsing ex 2:15 lid 1 en onder b BWniet aan ontkomt zich rekenschap te geven van de specifieke beperkingen die de WOR kent met betrekking tot aantastbaarheid van besluiten. De WOR heeft, als het om deze beperkingen gaat, het effect van een lex specialis, een term die Duk kort na de invoering van het beroepsrecht ook gebruikt.14 Dit betekent dat de WOR op zich niet aan een beroep op art. 2:15 lid 1 en onder b BW in de weg staat, maar aan dat beroep wel zekere beperkingen stelt. Daarbij moet onder meer gedacht worden aan de in de artt. 26 lid 2 en 27 lid 5 WOR bedoelde termijnen van een maand. Met het opnemen van deze termijnen heeft de wetgever willen bewerkstelligen dat het betreffende besluit in de verhouding van de ondernemingsraad met de ondernemer rechtens in relatief korte tijd onaantastbaar wordt. Aan die bedoeling kan geen afbreuk gedaan worden door alsnog te kiezen voor het entameren van de in art. 2:15 BW bedoelde procedure. Specifiek met betrekking tot besluiten in de zin van art 30 WOR zal de rechter hebben te respecteren dat hij deze besluiten niet inhoudelijk zal mogen toetsen, maar dat de toetsing beperkt zal moeten zijn tot de wijze waarop het besluit tot stand is gekomen.