Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/0.2
2. Over noodzaak, dwang en vrije wil
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS471268:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer J. Bieleman, ‘De cultuurtechnische verbouwing van Nederland. Veranderend boerenland - inleiding’, in: J.W. Schot, H.W. Lintsen, A. Rip, A.A. Albert de la Bruhèze (red.), Techniek in Nederland in de twintigste eeuw, Deel 3 - landbouw en voeding, Zutphen 2000, p. 23-25.
In het rapport ‘landinrichting in de jaren 90’ is verkaveling gedefinieerd als ‘het (…) rangschikken van eigendoms- en gebruiksrechten’. Zie Kamerstukken II 1992/1993, 23239, nr. 2, p. 17. Zie over het rapport uitgebreid grenspost 1, hfdst. II, onderdeel A.l.a.
A.H. Faber, ‘Kavelruil en perceelsvergroting’, in: landbouwkundig tijdschrift 1982/93, p. 423 verwoordt het – zij het in ietwat populair taalgebruik – als volgt: ‘Iedere boer met een beetje kijk op de toekomst weet ook, dat hij alleen maar mee zal kunnen blijven doen als hij alle mogelijkheden om de kosten te drukken zo goed mogelijk uitbuit.’
Kamerstukken II 1983/1984, 15907, p. 3482 (mondelinge behandeling wetsvoorstel Landinrichtingswet).
Het LEI en het CBS brengen jaarlijks op verzoek van het Ministerie van (thans) Economische Zaken samen het naslagwerk Land- en tuinbouwcijfers uit. Dit geeft een breed statistisch overzicht over de ontwikkeling van de land- en tuinbouw in Nederland, met vooral cijfers over aantallen en soorten arbeidskrachten, bedrijven en producten, en in- en uitvoer. Zie voor de meest recente editie LEI Wageningen UR en Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Land- en tuinbouwcijfers 2012, Den Haag 2012. Enkele wetenswaardigheden uit dit rapport:
- -
er zijn 68.500 land- en tuinbouwbedrijven. In 25 jaar is het aantal bedrijven gehalveerd;
- -
per dag stoppen vijf boerenbedrijven, een trend van ten minste 25 jaar volgens het CBS;
- -
er zijn 20.000 hobbyboeren, die 1% van de totale economische productie van de landbouw verzorgen;
- -
8.700 grote bedrijven leveren 60% van de economische productie van de landbouw;
- -
een doorsnee landbouwbedrijf is in economisch omvang met 40% gegroeid in de periode 2000- 2012;
- -
akkerbouwbedrijven zijn gemiddeld 38 ha groot. De 100 grootste akkerbouwbedrijven zijn gemiddeld 336 (sic!) ha groot;
- -
melkveebedrijven hebben gemiddeld een oppervlakte van 48 ha met 143 stuks melkvee. De 100 grootste melkveebedrijven hebben een oppervlakte van gemiddeld 198 (sic!) ha en 692 (sic!) stuks melkvee;
- -
de netto toegevoegde waarde van de landbouw bedraagt bijna 5 miljard euro per jaar.
Hier is een parallel te trekken met ‘de grote landbouwcrisis’ van 1878-1895, waarover meer in S. van den Bergh, Verdeeld land, p. 25. Tijdens deze crisis werd de noodzaak tot landinrichting in Nederland onderkend. Zie tevens G.M. Andela, Kneedbaar landschap, kneedbaar volk: De heroïsche jaren van ruilverkavelingen in Nederland, Bussum: Thoth 2000, p. 50. Wellicht is thans, in de huidige crisistijd, een hernieuwd pleidooi voor de inzet van (onder meer) kavelruil noodzakelijk? Zie over deze laatste vraag uitgebreid de slotbeschouwing van dit onderzoek.
Volgens het hiervoor aangehaalde LEl-rapport stoppen er per dag vijf boerenbedrijven. Zie voor een cijfermatig overzicht van het aantal agrarische bedrijven sinds 1904 het Rapport Grondmobiliteit van het InnovatieNetwerk Groene Ruimte en Agrocluster Utrecht 2005, p. 22.
Zie in dit kader het rapport van de Provincie Groningen, Tussentijds evaluatieonderzoek agrarische schaalvergroting en landschap, Groningen 2009, p. 9 e.v.
Asser-Snijders, 7-III Bijzondere overeenkomsten, Pacht, Deventer: Kluwer 2013, p. 2 wijst er op dat een doelstelling van de wettelijke regeling van de pachtovereenkomst is het zijn van een financieringsinstrument voor de landbouw, waardoor agrarische ondernemers in staat gesteld worden om een landbouwbedrijf te exploiteren zonder de hoge kosten te hoeven maken die aan het in eigendom verwerven van gronden en gebouwen verbonden zijn. Daarnaast is ook erfpacht een regelmatig gekozen alternatief voor aankoop van landbouwgrond. Zie tevens D.W. Bruil, Evaluatie pachtregelgeving, Instituut voor Agrarisch Recht Wageningen maart 2014, p. 11-12.
Zie in dit kader Kamerstukken II 2004/2005, 29576, nr. 9, waar de Kamerleden Snijder-Hazelhoff en Schreijer-Pierik de regering in een motie verzoeken om voor de gebieden waar grootschalige landbouw plaatsvindt, kavelruil en landinrichting in te zetten als mogelijk structuurverbeterend instrument. Een motie die ik (met terugwerkende kracht) uiteraard van harte steun.
A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, p. 46 duidt dit fenomeen aan als ‘landhonger’, voortkomend uit de liefde tot de grond, die boeren aanzet tot aankoop van grond, telkens wanneer de gelegenheid zich voordoet. Zie over de oorzaken van de grondprijsontwikkeling in Nederland uitgebreid C.P. Veerman, Grond en grondprijs: een onderzoek naar de economische betekenis en prijsvorming van landbouwgrond (diss. 1983).
Van W.C.H. Staring, Huisboek voor den landman in Nederland, G.L. Funke: Amsterdam 1868, p. 481 tot S. van den Bergh, Verdeeld land, p. 37.
De uitsers spreken over ‘Besitzzersplitterung’, zie H. Gamperl, Die Flurbereinigung im westlichen Europa, Bayerischer Landwirtschaftsverlag 1955, p. 82, terwijl de Belgen zich van de term ‘verbrokkeling’ bedienen, zie A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, p. 11. Uit laatstgenoemde publicatie blijkt overigens dat de mate van versnippering in Nederland alleszins meevalt ten opzichte van andere landen, zoals België en Frankrijk, zie A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, p. 21.
Onder meer in J.A.J. Vervloet, Inleiding tot de historische geografie van de Nederlandse cultuurlandschappen, Wageningen: Pudoc 1984, p. 11-12.
Niet in Oost-Nederland, aangezien daar het ‘blijversrecht’ gold (en soms nog geldt). Zie over dit onderwerp uitgebreid M.A. Cohen, Het blijversrecht: Een notarieel juridische studie over het Oost- Nederlandse recht betreffende de vererving en de overgang bij leven van landbouwbedrijven (diss. 1958), Deventer: Kluwer 1970. Zie tevens W. Burgerhart, Waarde en erfrecht (diss. 2007), Deventer: Kluwer 2008, p. 19-20. Het blijversrecht is ontstaan uit het hofstelsel, aldus R.F.A. Rorink, Verbonden door de echte. Rechten en plichten van de horige boeren onder de Twentse landsheerlijke hoven tot 1811, Twente Akademie Reeks 5, Almelo 1996, p. 193 e.v. In Duitsland is dit systeem bekend onder de naam ‘Anerbenrecht’, aldus H. Gamperl, Die Flurbereinigung im westlichen Europa, p. 33. Een dergelijke wijze van vererving vermindert de kans op versnippering aanzienlijk.
Zie tevens http://www.ge-li.de/breitscheid/realerbteilung-l.htm, datum inzage 22 december 2012. H. Gamperl, Die Flurbereinigung im westlichen Europa, p. 33 spreekt in dit verband van ‘Realteilungsrecht’.
A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, p. 45 noemt dit streven naar rechtvaardigheid de belangrijkste psychologische oorzaak van de bodemversnippering.
Aldus S. van den Bergh, Verdeeld land, p. 37. Zie voor een uitgebreide behandeling van de (overige) oorzaken van de versnippering onderdeel 1.1 van dit onderzoek. Zie tevens D.P. Blok e.a. (red.), Algemene geschiedenis der Nederlanden, deel 2, Haarlem: Fibula-Van Dishoeck 1982, p. 103 voor een andere belangrijke oorzaak van de versnippering: de oprichting van kleinere bedrijven (daglonerbedrijfjes) als gevolg van de gestegen bodemproductiviteit rond de 13e eeuw. Zie tevens grenspost 1, hfdst. 1, onderdeel B.2.
Zie L.H. Bouwman, Ruilverkaveling, praktijkuitgave, Zwolle: Tjeenk Willink 1958, p. 28. Zie tevens H. Gamperl, Die Flurbereinigung im westlichen Europa, p. 34, voor een uitgebreide beschrijving van deze nadelen. Uit het rapport ‘landinrichting in de jaren negentig’ blijkt dat het van belang is om als landbouwbedrijf een zo klein mogelijk aantal kavels te hebben (waarbij elke kavel uiteraard een grote oppervlakte beslaat). Zie Kamerstukken II 1992/1993, 23239, nr. 2, p. 20.
Aldus http://www.dienstlandelijkgebied.nl/actueel/nieuwsitem/nieuwsbericht/2021321/melkvee-houderij-kan-miljoenen-besparen-met-betere-verkaveling, datum inzage 21 december 2012. Overigens concludeert de DLG in hetzelfde artikel dat de berekende cijfers aantonen dat kavelruil nog steeds nodig is. De agrarische sector in Nederland is, aldus de DLG nog niet klaar met het ruilen van gronden.
Zie in dit kader het Rapport Grondmobiliteit van het InnovatieNetwerk Groene Ruimte en Agrocluster Utrecht uit 2005.
Zo is er bijv. de website www.boerzoektkavel.nl, bedoeld voor agrariërs die geïnteresseerd zijn in de mogelijkheden van kavelruil. Ook de Plattelandsbank mag niet onbenoemd worden gelaten. Dit initiatief komt vanuit de gemeente Tubbergen (waar men sinds 1970 enige aversie tegen de dwingende ruilverkaveling had ontwikkeld, zo moge duidelijk zijn). De Plattelandsbank is een bedrijfsverzamelgebouw waarin diverse organisaties gevestigd zijn die zich bezighouden met plattelandsontwikkeling. Men kan er terecht met ideeën en er worden kennis en kunde uitgewisseld, zie http://www.noordoost-twente.nl/projecten/projecten-in/de-plattelandsbank/, datum inzage 19 december 2012. Ten slotte zij gewezen op ‘verkavelen voor groei’, een nieuwe innovatieve gebiedsgerichte verkavelingaanpak die Land en Tuinbouw Organisatie (LTO) Nederland, Dienst Landelijk Gebied (DLG) en het Kadaster gezamenlijk hebben ontwikkeld, aldus http://www.verkavelenvoorgroei.nl/, datum inzage 14 januari 2014. Op deze laatste website is tevens de verkavelingsbarometerte raadplegen, een interactieve kaart die per gebied de (actuele) verkavelingssituatie toont Zie http://www.verkavelenvoorgroei.nl/kaarten/, datum inzage 14 januari 2014.
Ik wijs in dit kader op een artikel op http://www.boerenbusiness.nl/artikel/item/10801600/Kadaster-en-LTO-gaan-inzetten-op-kavelruil, datum inzage 19 december 2012, waarin voorzitter Geart Kooistra van LTO Noord Fryslân stelt dat er door de bezuinigingen op landinrichting en natuur minder beweging op de grond is. De grond is echter de basis van iedere beweging van de landbouw. Daarom zal men in de toekomst meer gaan inzetten op kavelruil.
Zie in dit kader het artikel ‘Vlotte kavelruil kun je het best zelf regelen’, in: de Boerderij 92, nr. 8, 14 november 2006. De openingszin van dit artikel luidt: ‘Laat het woord kavelruil vallen en veel boeren denken direct terug aan de ‘eeuwigdurende’ oude ruilverkavelingsprojecten.’ Zie tevens S. van den Bergh, Verdeeld land, p. 187 e.v. Zie over het maatschappelijk draagvlak tevens grenspost 1, hfdst. III, onderdeel C.
En dat kan vrij snel het geval zijn, getuige het reeds gememoreerde onderzoek van het Kadaster, waaruit blijkt dat voor het realiseren van gestelde doelen door de decentrale overheden wettelijke herverkaveling vele malen effectiever is dan vrijwillige kavelruil, zie http://www.kadaster.nl/window.html?inhoud=/index_frames.html%3Finhoud%3D/nieuws-bericht.asp%253Fld%253D1286%2526Id_Categorie%253D6, datum inzage 21 oktober 2012.
Een doelmatige en efficiënte inrichting van het landelijk gebied was, blijft en is noodzakelijk. Dat is een vaststaand gegeven.1 Zo is voor de kwaliteit en de (internationale) concurrentiepositie van de Nederlandse landbouw een goede verkaveling2 van landbouwgronden een basisvoorwaarde.3 Dat ook de overheid zich van deze noodzaak bewust is, blijkt uit de woorden van Landbouwminister Braks (CDA) tijdens de parlementaire behandeling van de Landinrichtingswet:
“Een doelmatige productie en verbeterde arbeidsomstandigheden zijn met name door ruilverkaveling in Nederland tot stand gebracht. Je ervaart dit maar al te goed als je in gebieden in de wereld komt. waarin men zo’n instrument niet heeft.”4
Zeker in de huidige tijd, waarin de economische crisis de landbouw evenmin onberoerd laat, 5 is een goede en effectieve verkaveling (absoluut) noodzakelijk om als agrarisch bedrijf te kunnen overleven.6 Door de vele stoppende boerenbedrijven7 komt er veel landbouwgrond beschikbaar. De overige landbouwers (de ‘blijvers’) hebben deze vrijkomende gronden nodig voor een betere verkaveling en/of voor de noodzakelijke schaalvergroting8 van hun bedrijven. Aankoop van deze gronden brengt echter forse financiële verplichtingen met zich mee, die voor veel bedrijven, zeker in de huidige tijd, niet of nauwelijks op te brengen zijn.9 Kavelruil, als alternatief voor de dwingende ruilverkaveling, kan in dit kader een nuttige rol vervullen. Door middel van een (vrijwillige) kavelruil kan de betere verkaveling en/of de schaalvergroting10 op consensuele basis worden bereikt, waarbij de kosten, mede door de (provinciale) subsidie en fiscale vrijstelling van overdrachtsbelasting, beperkt zijn. Ook indachtig de (boeren)wijsheid ‘buurmans grond is maar één keer te koop’11 is en blijft de beschikbaarheid van een efficiënt, eenvoudig en op vrijwillige basis inzetbaar landinrichtingsinstrument als kavelruil in mijn optiek (absoluut) noodzakelijk.
Naast dit (incidentele) ‘economische crisis-argumenf is er (ook) een meer permanent argument te bedenken dat de aanwezigheid van de kavelruil in ons rechtssysteem legitimeert. Diverse auteurs12 wijzen op het (continue) probleem van de versnippering13 van landbouwgronden in Nederland, waarmee bedoeld wordt dat percelen behorend tot één eigenaar een verspreide ligging hebben. In de literatuur14 wordt aangegeven dat het in sommige streken15 toegepaste systeem van ‘Realerbteilung’16 de belangrijkste oorzaak zou zijn van de versnippering. Bij deze wijze van vererving kregen alle kinderen een gelijk deel van de landbouwgrond, 17 waarbij niet de oppervlakte, maar de waarde van de grond de grondslag voor de verdeling vormde. Doordat deze praktijk generaties lang voortduurde, kon in de loop van de tijd een complexe situatie ontstaan.18 Deze slechte verkavelingstoestand had allerlei nadelen tot gevolg, zoals tijdverlies, ernstige belemmering bij het gebruik van machines door kleine, onregelmatig gevormde percelen, landverlies (door de versnippering gingen grote delen van de percelen verloren aan perceelssloten, greppels of afrasteringen) en grensgeschillen tussen grondeigenaren.19
Ook in financieel opzicht is versnippering van landbouwgronden nadelig. De DLG heeft begin 2012 berekend dat versnippering in de melkveehouderij gemiddeld € 200 à € 300 per hectare per jaar kost. In totaal komt dit neer op € 160 à € 250 miljoen per jaar.20 Alleen al op grond van dit argument behoeft de noodzaak van en behoefte aan kavelruil geen verder pleidooi.
Toch is het, in dit inleidend stadium van het proefschrift, van belang om nog een argument voor de aanwezigheid van kavelruil in Nederland te vermelden. Dit argument komt voort uit het feit dat een hoge grondmobiliteit, dat wil zeggen de mate waarin gronden in een bepaalde tijd van eigenaar of erfpachter wisselen, binnen de agrarische sector essentieel is.21 Dat de noodzaak van een hoge grondmobiliteit in de (agro)praktijk onderkend is, blijkt onder meer uit de talrijke initiatieven die door overheden en private partijen ontplooid worden, met als gemeenschappelijk doel de toename van grondmobiliteit.22 Hoe lovenswaardig dergelijke initiatieven ook zijn, mijns inziens is de inzet van het landinrichtingsinstrumentarium, en dan met name de kavelruil, bij uitstek de meest effectieve wijze om de grondmobiliteit in een bepaald gebied te bevorderen.23
Tot slot is het belangrijk om te constateren dat de Nederlandse overheid bij de ontwikkeling van haar beleid op het gebied van landinrichting de vrije wil vooropstelt. De wetgever aan het woord:
“Als inrichtingsmaatregelen niet op vrijwillige basis zijn te realiseren biedt het landinrichtingsinstrumentarium van oudsher mogelijkheden om krachtens overheidsbesluiten werken uit te voeren en in verband daarmee zo nodig percelen te herverkavelen door eigendoms- en gebruikssrechten op gronden in het in te richten gebied.”
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 3, p. 45-46 (MvT).
Ergo: het uitgangspunt is vrijwilligheid. Kavelruil staat voorop en verdient de voorkeur boven de wettelijke herverkaveling. Ongetwijfeld hangt deze keuze samen met de behoefte aan creatie van maatschappelijk draagvlak voor de landinrichting.24 Pas wanneer ruilen uit vrije wil niet het gewenste effect sorteert, 25 grijpt de overheid naar zwaarder, dwingend geschut. De herinneringen aan (onder meer) Tubbergen liggen kennelijk nog vers in het parlementaire geheugen…