Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.4.4.4
VII.4.4.4 Aansprakelijkheid voor de bekrachtiging van rechtshandelingen
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242889:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1980/81, 16 631, 3, p. 12 (MvT). Zie voor een geval waarin een vordering jegens een bestuurder, niet zijnde een niet-uitvoerende bestuurder, op grond van art. 2:248 BW werd toegewezen Hof Arnhem-Leeuwarden 20 oktober 2015, JOR 2016/56 m.nt. Bartman (Infratechniek Groningen).
Denkbaar is overigens dat de bekrachtiging van de rechtshandeling onderworpen is aan de goedkeuring van de raad van commissarissen. Verleent de raad van commissarissen goedkeuring aan een onrechtmatige bekrachtiging, dan ligt aansprakelijkheid uiteraard wel op de loer.
Een persoonlijk ernstig verwijt is mogelijk aanwezig, indien de bestuurder die de rechtshandeling bekrachtigde, ten tijde van de bekrachtiging wist of redelijkerwijs kon weten dat de vennootschap haar verplichtingen uit de rechtshandeling niet zou kunnen nakomen. Zie HR 28 maart 1997, NJ 1997, 582 m.nt. Maeijer; JOR 1997/53 m.nt. Van Schilfgaarde (Hoekstra/Holma). Was de niet-uitvoerende bestuurder daarvan op de hoogte, maar ondernam hij desondanks geen actie, dan kan hij mogelijk ook met succes aangesproken worden, zie § VII.4.2.
Zie hierover Koppert-van Beek 2003, p. 52.
De kaarten liggen anders indien de bekrachtiging van de rechtshandeling onrechtmatig is. Dat volgt ook uit het slot van de eerste volzin van art. 2:93/203 lid 3 BW: “onverminderd de aansprakelijkheid terzake van de bestuurders wegens de bekrachtiging”. Is de bekrachtiging van de rechtshandeling onrechtmatig, dan kan de vennootschap (of de curator) de niet-uitvoerende bestuurder mogelijk aanspreken op de voet van art. 2:9 BW, art. 2:138/248 BW of art. 6:162 BW.1 De commissaris blijft daarentegen buiten schot. Hij is niet bevoegd rechtshandelingen te bekrachtigen. Zoals al uit de wettekst volgt, kan hij dan ook niet worden aangesproken wegens een onrechtmatige bekrachtiging van een rechtshandeling.2
Ik keer terug naar de niet-uitvoerende bestuurder. Aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad komt voor hem louter in beeld wanneer hij de rechtshandeling zelf heeft bekrachtigd. In het andere geval treft hem immers in de regel geen persoonlijk ernstig verwijt.3 Omdat de aansprakelijkheid wegens onbehoorlijk bestuur in de sleutel van collectieve aansprakelijkheid is geplaatst, kan de vennootschap (of de curator) de niet-uitvoerende bestuurder in dat geval mogelijk wél aanspreken op grond van art. 2:9 BW of art. 2:138/248 BW. Is de aansprakelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurder gebaseerd op onbehoorlijk bestuur, dan kan hij zich evenwel trachten te disculperen.4
Tot slot wijs ik erop dat de vennootschap er in verband met art. 2:69/180 lid 2 BW verstandig aan doet de rechtshandeling pas te bekrachtigen zodra de inschrijving in het handelsregister is geschied. Bekrachtigt de vennootschap de rechtshandeling reeds voordat zij is ingeschreven in het handelsregister, dan loopt de nietuitvoerende bestuurder het risico hoofdelijk naast de vennootschap aansprakelijk te worden gesteld op grond van art. 2:69/180 lid 2 BW.5 Bij deze bepaling stond ik reeds in § VII.3.3 stil.