Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/II.5
II.5 Bekendmaking van de vorstelijke regelgeving
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS391335:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
K. Hitzbleck, Exekutoren. Die außerordentliche Kollatur von Benefizien im Pontifikat Johannes’ XXII, Tübingen 2009.
Tot dusver zijn alle instructies voor het Vrijgraafschap nog niet beschikbaar.
Deze van 1531 is nog geen decennium bekend. Die van 1519, in 1853 uitgegeven, werd zelden geciteerd.
ROPB, II, 1, 581.
ROPB, II, 1, 683.
‘Item aussy de l’indulte de l’empereur, de son droict de nomination usera a gens capables ydoines et suffisans, en delaissant faveurs volontaires, et y gardera l’honneur et conscience’.
‘Item, si aulcuns seculiers donnoient faveur contredict ou empeschement audt indult, les fera apprehender au corps et biens, et les gens de l’eglise par main mise de leur temporel’. Zie daarover: P. Gorissen, Le séquestre des abbayes brabançonnes en 1527, in: Analecta Praemonstratensia 31 (1955) 63-99.
P. Gorissen, De Prelaten van Brabant onder Karel V (1515-1544). Hun confederatie (1534-1544), in: Standen en Landen VI (1953), document VII, 105.
K. Lanz, Actenstücke und Briefe, Wien 1853, 181-184, nr. 53 (Monumenta Habsburgica, II, 1).
L. Gachard, Correspondance de Marguerite d’Autriche, duchesse de Parme, avec Philippe II, Brussel 1867, I, LXIX.
Het indult van 1552 leidde in 1553 tot twee concepten, waarvan de registratie met de indultarii is bewaard. Zie bijlage X.
Met deze vertaling van de ‘haeretica pravitas’ verwijzen we naar de harde aanpak van de ketters en secten. In deze terminologie was geen plaats voor tolerantie en ging de regering op zoek (inquisitio) naar overtredingen.
J. Oldendorpius, Collatio iuris civilis et canonici, Lyon 1547 ruimt geen plaats in voor dit woord. Zie ook: Thesaurus Linguae Latinae, Lipsiae 1934-1964, VII, 1258, l.68-1259, l.8 en Cod. 1.4.3.4 His ergo en Cod.11.43.3 Eos, qui (substantief) en werkwoordelijk gebruik: Cod.1.5.1 Privilegia.
X. Bastida, Guillermo Cassador: Su vida y sus obras, Roma 1974, 141, 527. Zie ook: A. Germonius, Tractatus de indultis apostolicis, Rome 1591, 59 (nr. 91): Hinc indultum definiri poterit, quod sit remotio impedimenti, quod ordinariis collatoribus per regulas Cancellariae infertur.
K. Hitzbleck, Exekutoren. Die außerordentliche Kollatur von Benefizien im Pontifikat Johannes’ XXII, Tübingen 2009. Men zal opmerken dat het hier gaat om de uitvoering van een pauselijke provisie van een beneficie.
2 Tim. 2, 4 Nemo militans Deo.
X.3.50 Ne clerici vel monachi.
VI.3.24 Ne clerici vel monachi.
M. Fernández Álvarez, Corpus documental de Carlos V, II, 524.
G. Mollat, La collation des bénéfices ecclésiastiques sous les papes d’Avignon, Paris 1921, 116- 134.
G. Barraclough, The Executors of Papal Provisions in the Canonical Theory of the thirteenth and fourteenth Centuries, in: Acta Congressus Iuridici Internationalis, Romae 1936, III, 151. In het Liber Sextus is vooral sprake van de collatie van een beneficie, maar de openbare verkondiging verliep op identieke wijze.
H.-J. Becker, Stift, in: HRG IV (1990) kol. 1976-1979.
ARAB AUD 1412/6 en A. van Lokeren, Chartes et documents de l’abbaye de St. Pierre au Mont Blandin à Gand depuis sa fondation jusqu’à sa suppression: avec une introduction historique, Gent 1871, II, 340, nr. 2049 en 346, nr. 2072.
Nu gaan we ervan uit dat het indult in Friesland pas na 1524, in Utrecht na 1530, in Groningen na 1536 en in Gelderland na 1543 werd bekend gemaakt. Godefroid d’Apremont, die in 1539 abt van Echternach wilde worden, meende dat Echternach volledig Luxemburgs was ‘par où il est clere que l’indult de l’empereur y doibt avoir lieu comme il at aux aultres pays patrimoniaux de Sa Majesté’: ARAB AUD 893, fo 176 ro.
Soms stribbelden monniken tegen en beriepen ze zich op onwetendheid, zoals in het geval van de abdij van Echternach in 1539, bijna vijfentwintig jaar na de afkondiging in Brabant.
MB, IV, 4 (1970) 917. Zie voor een tussenkomst van de abt van Sinte Geertrui in de Grote Raad van Mechelen: J. de Smidt e.a., Chronologische Lijsten van de Geëxtendeerde Sententiën berustende in het archief van de Grote Raad van Mechelen, Brussel 1979, III, 116: 28 maart 1534. Voor de conservator: III, 13: 5 augustus 1531 en C. Vandenghoer, De rectorale rechtbank van de oude Leuvense universiteit (1425-1797), Brussel 1987.
MB, III, 3 (1974) 780. Zie voor een tussenkomst van de abt van Eekhout in de Grote Raad van Mechelen: J. de Smidt e.a., ibidem, III, 248: 14 juli 1534.
MB, IV, 4 (1970) 974-975. D. van Derveeghde, Inventaire analytique des chartes 1190-1756, Bruxelles 1962, nr. 1452. Het hertogelijk paleis bevond zich op de plaats van het huidige, koninklijk paleis. Jan Evrard overleed op 3 mei 1516, zodat zijn opvolger Sibert van Honsem deze taak op zich heeft genomen. Voor een tussenkomst van de proost van Coudenberg in de Grote Raad van Mechelen: J. de Smidt e.a., ibidem, III, 263: 18 november 1536.
MB, IV, 4 (1970) 918-919.
MB, III, 3 (1974) 782, voetnoten 7 en 8.
MB, IV, 4 (1970) 975.
Gross 2890 en 2891. De registratie had plaats te Brussel op 5 mei 1522.
MB, IV, 4 (1970) 975-977. Noteer ook dat er over Jan van Coudenberg (proost 1558- 1564) weinig bekend is: ‘faute de source’.
Voor zijn faculteitsbrief, zie ARAB AUD 1412/3.
G. Bannenberg e.a., De oude dekenaten Cuijk, Woensel en Hilvarenbeek, Nijmegen 1970, II, 95-96, voetnoten 83 en 84.
Wij verwijzen verder naar de aalmoezenier van Karel V, Guillaume de Vandenesse (1530), naar Antoine Perrenot en zijn collega Odoard de Bersacques, ook aalmoezenier van de keizer (1539). L. Gachard, uitg., Itinéraire de Charles-Quint de 1506 à 1531, en J. de Vandenesse, Itinéraire de Charles-Quint, de 1514 à 1551, Brussel 1874, 503 en 511.
In de Nederlanden was de vorst de belangrijkste verdeler van de ambten, die op basis van een indult te verlenen waren. Aangezien de vorst vaak afwezig was, werd aan de regenten en regentessen in gewone en bijzondere instructies de opdracht gegeven om een belangrijke rol te vervullen in deze verlening. Toch was het uitzonderlijk dat de verlening van indulten ter sprake kwam. Het indult was ofwel hernieuwbaar en persoonlijk en dan verviel het met de persoon van de verkrijger. Ofwel was het niet-hernieuwbaar en persoonlijk en was de houdbaarheidsdatum beperkt door de pauselijke termijnen. Verdere regelgeving was er niet, zij het dat de vorst wel verplicht was een uitvoerder aan te stellen. Ook deze laatste was gehouden aan canoniekrechtelijke regels, maar in de vorstelijke administratie en de uitgegeven geschriften verschijnt slechts sporadisch een tip over de uitvoering: wanneer een uitvoerder overlijdt of wanneer een document zoek is geraakt.1
In het Vrijgraafschap Bourgondië was er een onderscheid te maken. Vooreerst was er de sterke band van Margareta van Oostenrijk, tante van Karel V, met het Vrijgraafschap. Vooraleer Karel V de rechten van het indult over het Vrijgraafschap na zijn tante opnam, was zijn zus, Maria van Hongarije, al aangesteld tot landvoogdes van het Vrijgraafschap en mocht zij daar waken over de officies en beneficies.2 Tussen 1516 en 1517 zijn er voor de Nederlanden geen instructies bekend, want de vorst was nog in het land. Dat betekent niet dat er geen instructies geweest zijn, want de vorstelijke administratie trachtte altijd belangrijke opdrachten schriftelijk vast te leggen. Indien men uit het vervolg lering kan trekken, zijn er soms gewone instructies en geheime3 instructies met eventueel aanhangsels. Bij zijn afreis uit Middelburg op 23 juli 1517 gaf Karel, koning van Castilië, aan de Geheime Raad de opdracht om goed op het rolrecht te letten.4 Nog vóór Margareta van Oostenrijk werd haar vader, Maximiliaan I, daar als superintendent van deze Geheime Raad genoemd.
Vanuit Barcelona stuurde Karel na het overlijden van zijn grootvader Maximiliaan I (12 januari 1519) op 1 juli een nieuwe brief, waarin Margareta regentes werd. We lichten er volgende deeltaak uit: ‘donner et disposer de tous offices et bénéfices, qui vacqueront en nosdits pays d’embaz à nostre disposition, à gens ydoines et resséans’. Deze functie verwijst naar het rolrecht, maar ook naar officies en beneficies.5 Met dezelfde post kwam al de eerst bekende geheime instructie. Karel stuurde zijn tante gedetailleerde en uitgebreide opdrachten mee. De instructie bevatte een verwijzing naar ‘certain chiffre pour ses affaires privez et secretz entre luy et elle’. Hier stonden ook de eerste bepalingen over de uitvoering van het indult. Daarbij valt op dat alleen rekening werd gehouden met het indult ‘Fervor pure devotionis’.
‘Margareta van Oostenrijk zou zich ook inzetten voor het keizerlijk indult (alsof er toen maar één en niet vier indulten waren). Ze moest het ‘benoemingrecht’ uitoefenen voor competente, geschikte personen, die op alle punten voldeden. Favoritisme kon ze niet toestaan en de eer en gewetensplicht zouden haar gids zijn.6 Insgelijks moest ze sommige wereldlijke personen, die genoemd indult partijdig benaderden en het in woord of daad verhinderden, laten arresteren en hun goederen in beslag nemen. Kerkelijke personen moest ze laten straffen door inbeslagname van hun temporele goederen.’7
Wanneer men deze tekst bekijkt vanuit de oppositie, door de Brabantse abdijen gevoerd tegen ‘het vorstelijk benoemingrecht’, moet het ons niet verwonderen dat Filips II uiteindelijk twee jaar vóór de Beeldenstorm tot een vergelijk bereid was (1564). Met een arbitrage of met ontwijkende manoeuvers is onder Karel V elk vergelijk vermeden. Maria van Hongarije verklaarde zich te Brussel op 21 april 1539 onbevoegd en verwees naar de keizer als de man, die besliste.8
Zonder bedrog en list moest de landvoogdes de vorstelijke rol van de beneficies onderhouden. Karel had ze recent vernieuwd en had een dubbel naar zijn tante gezonden. Zij moest de collatiebrieven laten verzenden naar de benoemden volgens de plaats op de rol. Beneficies, die niet op de rol stonden of die wel op de rol stonden nadat de rol was afgewerkt, mocht ze vrij verlenen. Karel meende dat zijn tante alle zaken van de Nederlanden, zowel de geheime als de andere, zou behartigen. Hij hoopte dat iedereen haar zou gehoorzamen, zowel in het algemeen als in het bijzonder, alsof hijzelf aanwezig was. Deze geheime instructie kreeg nog een aanhangsel.
Op 16 juli 1519 volgde uit Barcelona een brief met de mededeling dat deze geheime instructie onder voorwaarden te nemen was. De instructie werd deels hernomen. Voor de beneficies van de personen, die op de rol waren genoemd, moest Margareta collatiebrieven laten uitschrijven. Indien er bij onoplettendheid of op een andere manier een brief was opgesteld tegen het rolrecht zonder keizerlijk bevel, dan moest die voor onbestaand doorgaan. Vanuit Mechelen schikte Margareta zich op 28 juli 1519 naar de beperkingen van haar neef. Ze kon niet nalaten om eraan toe te voegen: ‘ondanks het feit dat hij ons volmacht zonder restricties had gegeven’.
Ruim een jaar later keerde Karel terug uit Spanje om in Aken tot Rooms- Koning te worden gekroond. Vanuit Maastricht kreeg Margareta op 19 oktober 1520 een nieuwe instructie, die met het oog op de beneficies letterlijk te herleiden was tot de formulering in de hiervoor geciteerde gewone instructie van Barcelona (1 juli 1517).9 Ondertussen was er oorlog tegen de Franse koning op verschillende fronten. Vijf oorlogen zouden er gevoerd worden. Elke territoriale wijziging bracht ook veranderingen mee in het patronaatsrecht. In hoever zouden veroverde gebieden hun vroegere verplichtingen nog nakomen en hoe zouden ze rekening houden met de eisen van de nieuwe staatsorde? Nieuwe loyaliteiten brachten nieuwe problemen. Meer veroveringen brachten een grotere bevolking met nieuwe taal- en andere perikelen.
Er volgden nog vele instructies, maar deze teksten gaven niet een duidelijke lijn aan bij de uitvoering en verdeling van de indulten en beneficies. Van kerkelijke zijde was er naar het oordeel van de centrale regering niet goed ingespeeld op de godsdienstige problemen van de Kerk. Kijken we naar de instructie van Margareta van Parma voor het Vrijgraafschap, dan valt het op dat deze in 1559 te Gent is gegeven. Op dat ogenblik stond Filips II op het punt om naar Vlissingen te gaan en naar Spanje te vertrekken. In Gent werden toen de belangrijkste beslissingen genomen met het oog op een goed bestuur in de Nederlanden, in het Vrijgraafschap Bourgondië en in ‘Charroillois’.10
Vergelijkt men de instructies van de landvoogdessen en de landvoogd, dan is er ongetwijfeld een onderscheid te maken tussen de werkwijze van Margareta van Oostenrijk, Maria van Hongarije, Emmanuel-Philibert van Savoie en Margareta van Parma. Essentieel moet men terug naar de registratie van de indultarii en naar de manier, waarop hun uitverkiezing tot stand is gekomen. Voor een gedegen oordeel over de venaliteit van de beneficies of over de invloed van de Spanjaarden op het aanstellingsbeleid (men denke aan de ‘consulta’) rest nog veel te doen.11 Ook de vraag wie telkens waar en wanneer aanwezig waren bij de deliberatie van deze kandidaten, is nog in nevelen gehuld.
Wel staat vast dat de juristen en de Geheime Raad op het vlak van het aanstellingsbeleid grote invloed uitoefenden. In hun instructie van 1517 werden ze daarop ook aangesproken. Gaandeweg kwamen er Collaterale Raden en bleef de rol van de juristen van groot gewicht, maar met de opgang van de ‘ketterse verdorvenheid’12 werd het aandeel van de theoloog Ruardus Tapper en van de geestelijke raadsheren Filips Nigri en Antoine Perrenot een noodzakelijke aanvulling.
Vóór 1515 was het indult in onze gewesten niet in deze vorm voorgekomen en in het Romeinse recht bekleedde het een gans andere plaats.13 In het Decretum van Gratianus was er noch sprake van ‘gratiae’ noch van ‘reservationes’ en nog minder van de hier bestudeerde ‘indulta’. Deze indulten waren er gekomen ten koste van de rechten van de ordinarii, over het algemeen de bisschoppen. Wanneer de pausen vanaf de vijftiende eeuw aan hertogen en vorsten indulten toestonden, verhuisden de rechten van de bisschoppen in de richting van de katholieke vorsten, die nu meer verantwoordelijk waren voor het zieleheil. De paus nam voor wereldlijke vorsten een hinderpaal weg, waarvoor hij zelf en zijn voorgangers verantwoordelijk waren door de reservaties, die in de Decretalen en in de Kanselarijregels voorkwamen.14
Vanaf 1515, maar vooral in 1516 werd het indult geïntroduceerd zonder placet en mocht een executie* door pauselijke executoren voorafgaan aan de toepassing van deze pauselijke vergunning in de Nederlanden. Deze executoren zouden ook toezien op de juiste uitvoering van het indult, zodat ze bij betwistingen konden tussenkomen en als gedelegeerd rechter konden optreden.15Van de kandidaten voor een indult verwachtte de keizer dat ze hun beneficie waard zouden zijn. Ze moesten het aanwenden tot welzijn van zijn landen. Ten derde werd van hen ook verwacht dat ze de dienst van de keizer terwille zouden zijn. Zo luidde de boodschap in alle instructies en in alle omstandigheden.
In de praktijk moest de vorst zich wel in acht nemen. Hoever kon hij gaan met zijn eisen voor de dienst aan de vorst? Volgens het canonieke recht mochten de clericus en de monnik zich niet mengen in wereldlijke aangelegenheden. Zo had Paulus het verkondigd voor iedereen, die zich inzette voor God16 en zo werd het voor de clerus herhaald in het Liber Extra17 en in het Liber Sextus.18 De praktijk leerde echter dat er geestelijke raadsheren waren in de vorstelijke hoven. Clerici werden op buitenlandse missies uitgezonden, ook voor zuivere wereldlijke aangelegenheden. Bij pauselijk indult kon de vorst meer dan eens honderd geestelijken, die nauw verwant waren met Hofzaken, inzetten voor allerlei activiteiten. In dit laatste geval ging ook de paus niet vrijuit.
In Spanje stelde zich een soortgelijk probleem in 1544. De biechtvader van Karel V gaf vaak de raad om niet een prelaat te kiezen voor het voorzitterschap van de Kanselarij van Granada. Geestelijken konden hun residentieplicht niet uitvoeren, geen visitaties houden en geen voorzieningen treffen in al wat zou moeten. Het was beter leken te nemen. Karel V stelde de beslissing uit en vroeg Francisco de los Cobos om advies.19
Van een andere orde was de bekendmaking van het indult ‘Fervor pure devotionis’; die was in handen van drie ‘executores* gratiarum’. Al in 1921 schreef Guy Mollat een hoofdstuk over uitvoerders van bullen van provisie20 en in 1934 heeft Geoffrey Barraclough erop gewezen dat de ‘executores gratiarum’ een speciale categorie vormden onder de pauselijke uitvoerders. Zij waren geen ‘executores sententiarum’, noch ‘executores negotiorum, litium et preceptorum’. Evenmin moesten ze gelijkgeschakeld worden met de ‘executores testamentorum’. Dit appel voor de grondige studie van VI.3.7.6 Si soli bleef voor de Nederlanden een lacune in het onderzoek.21 Deze executoren (drie, twee of één van hen) maakten (maakte) de inhoud van het indult bekend, zoals we hiervoor zagen dat drie uitvoerders Ambrosius Lambrechts aan zijn beneficie in Oirschot zouden helpen. Zij reden (of hij reed) naar de abdijen en kapittels22 van de landsheerlijkheden om de tekst van de pauselijke bul te betekenen. Van deze procedure werd alleen het verslag bewaard voor Brabant, Vlaanderen en Henegouwen, zodat we zeker zijn dat het indult vanaf 27 februari 1516 (Brabant en Vlaanderen) en vanaf 20 juli 1519 (Henegouwen) voldoende bekend was,23 maar of de executie ooit in Echternach plaats vond is niet met zekerheid te zeggen.24
De plechtige afkondiging van de hernieuwbare indulten werd niet herhaald bij de opvolgers van Karel V. De eerste plechtige bekendmaking door de executoren moest de toepassing van het indult inleiden. Noch Filips II (1562), de Aartshertogen (1600) of Filips IV (1640) hadden van doen met een executieprocedure. Wel was in de loop van de regering van Karel V duidelijk geworden dat de betrokken abdijen en kapittels op de hoogte waren van het hernieuwbare indult.25 Voor de uitvoering van het hernieuwbare indult waren immers drie personen aangeduid, die allen in de Nederlanden woonden. Zij werden niet door de paus gekozen en moesten het privilege doen respecteren; in tegenstelling tot pauselijke uitvoerders, zoals bij Ambrosius Lambrechts, waren hier vorstelijke uitvoerders aan de slag. Eens de paus het indult had toegestaan, nam de vorst in het binnenland de regie in de handen. Op de eerste plaats kwam Antoon Van Nieuwenhoven, abt van Sinte-Geertrui in Leuven, die ook conservator was van de universiteit van Leuven;26 vervolgens Charles Trotin, abt van de abdij Eekhout te Brugge27 en dan Jan Evrard, proost van Sint-Jacob op de Coudenberg, die ook hertogelijk kapelaan was.28
Elk van de uitvoerders kon voortaan bij betwistingen aangesteld worden als ‘judex, executor et conservator literarum apostolicarum’. In de praktijk stellen we vast dat de abt van Sinte-Geertrui en zijn opvolgers ook conservatores waren van de privileges van de Leuvense universiteit. Bovendien stond abt Van Nieuwenhoven vooraan in de strijd van de Brabantse abdijen tegen het gewraakte indult. Wanneer abt Van Nieuwenhove een coadjutor nodig had, kwam Karel V tussen. Deze tussenkomst was te rechtvaardigen door het indult van 1515, want zonder de consensus van de vorst zou Pieter Was niet als coadjutor aangesteld worden. Gezien zijn oppositie tegen het indult moest abt Van Nieuwenhove op zijn sterfbed als boete nog een lijfrente betalen. Anders ging de verkiezing niet door. Over juridische tussenkomsten van deze abt en van zijn opvolgers ontbreekt voorlopig elk spoor.29
Abt Charles Trotin uit de abdij van Eekhout te Brugge bevond zich het meest excentrisch ten overstaan van Brussel. Hoewel hier geen oppositie te bespeuren viel tegen het indult, was er wel oppositie tegen de Ieperling Pieter Belchiere, zoals blijkt uit het onderzoek op basis van het indult ‘Fervor pure devotionis’. Toch werd hij volgens de procedure van 1515 in 1544 aangesteld als de nieuwe abt. Hij overleed in 1571 zonder dat blijkt dat hij als conservator optrad.30
Proost Jan Evrard van Coudenberg bevond zich midden in het Hofhouding. Twee maanden na de officiële bekendmaking van het indult overleed hij. Proost Sibert Van Onsem (1516-1524) mag de eerste conservator van het indult ‘Fervor pure devotionis’ genoemd worden.31 Terloops kan hieraan toegevoegd worden dat hij twee indulten kreeg op basis van het ‘ius Primariarum Precum’.32 Als geestelijke van het bisdom Kamerijk mocht hij uitzien naar een prebende in de abdij van Drongen (bisdom Doornik) en naar een andere in het klooster van ’s-Hertogenrade (bisdom Kamerijk). Gezien zijn standplaats was hij in het voordeel ten overstaan van zijn collegae, die geen Eerste Beden kregen.
Voorlopig zijn slechts twee tussenkomsten bekend van de proost van Coudenberg, Gillis Van Diest (1535-1550). Zowel in 1542 als in 1547 is hij tussengekomen om de prerogatieven van de keizer, die het apostolisch indult kreeg, te verdedigen bij de aanstelling van de abt van Echternach.33 Deze zaak was in 1539 begonnen bij het overlijden van de vorige abt en sleepte na 1547 nog enkele jaren aan. Ook internationaal moest toen een overeenkomst gesloten worden na langdurige geschillen tussen de aartsbisschop van Trier en de Nederlanden. Voor Gillis Van Diest is verder belangrijk dat hij ook als apostolisch commissaris is ingeschakeld door Petrus Bertanus, de apostolische nuntius met de bevoegdheid van een ‘legatus de latere’.34 Op 21 juni 1549 sprak Gillis Van Diest een beklaagde uit de omgeving van Eindhoven vrij van excommunicatie. Hieruit is af te leiden, wat verder nog duidelijker zal worden, dat het Hof te Brussel echt alle belangrijke zaken naar zich trok.35
Dit executierecht voor een hernieuwbaar indult was eerst van toepassing bij het indult ‘Fervor pure devotionis’ en had betrekking op de vrijwaring van de rechten van de keizer. Bij de aan tijd gebonden indulten of niet-hernieuwbare indulten en ook bij indulten, die het resultaat waren van de oplossing van een conflict, was er in 1515 geen executieclausule. Bij het ‘ius Primariarum Precum’ en bij de niet-hernieuwbare indulten stellen we vast dat er sprake is van een andere executieprocedure. Vanaf het ogenblik dat Antoine Perrenot in 1538 bisschop van Atrecht werd, monopoliseerde hij de executietaken voor niet-hernieuwbare indulten.36 Dit executierecht had toen betrekking op de controle van de indultarius en bij gunstig resultaat op de uitreiking van de fulminatiebrief.