Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/II.3
II.3 Het beneficiewezen in beweging
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS387814:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
D. 62 c.2 Docendus est populus, non sequendus.
B. Munier, Nederlandse curialen en hofbeambten onder het pontificaat van Adriaan VI, in: Mededelingen van het Nederlands Historisch Instituut te Rome, reeks 3, 10 (1959) 199-226.
DIO3, Santa Maria dell’Anima, Rom, Nr. 92† (Eberhard J. Nikitsch), in: www.inschriften. net, urn:nbn:de: 038-dio 003r001k0009200.
J. Sanders, Inventaris van het archief van het kapittel van Oirschot (1261) 1328-1811, ’s-Hertogenbosch 1994, I, 78, nr. 338. Daartoe waren als pauselijke uitvoerders aangesteld: Girolamo Ghinucci, bisschop van Worcester, de opvolger van Clemens VII, Johannes Copis, de bisschop van Terracina en de officiaal van Luik.
P. Moneta, Rota Romana [tribunal de la], in: DGDC, VII, 64-72.
L. Prosdocimi, Antonio da Budrio (Antonius de Butrio), in: DBI 3 (1961) 541-542. Zie nu: BDGI, I, 80-83.
M. Bégou-Davia, Bohic (Boyk, Boich, Bouhic) Henri, in: P. Arabeyre e.a., Dictionnaire historique des juristes français XIIe–XXe siècle, Paris 2007, 95.
F. Crucitti, Lambertini, Cesare, in: DBI 63 (2004) 195-197.
Flores iurispatronatus, pensionum, et permutationum beneficiorum in libellos duos, Lugduni 1551.
Zie P. Schmidt, De Hoge Raad der Nederlanden. Catalogus Oude drukken in de bibliotheek van de Hoge Raad, Zwolle 1988, 176, 1171: Tractatus de jure patronatus, Francofurti 1609, dl. I: (R. de Curte, P. de Cittadinis en Iohannes Nicolaus) en dl. II: (A. de Butrio, I. de Anania, H. Boich en C. Lambertini).
J. Canosa, Tractatus iuris universi, in: DGDC, VII, 616-619.
Zie P. Schmidt, De Hoge Raad, 176, 1172: Tractatus universi juris. Zie voor de Indexdelen, A-D, Venetiis 1584, pars 1; E-O, Venetiis 1586, pars 2; P-S, Venetiis 1584 en T-Z, Venetiis 1586, pars 3. Voor ‘indultum’, zie I, 18 vo – 19 ro. Zie verder: J. Pikkemaat, ed., The Old Library of the Supreme Court of the Netherlands, Hilversum 2008.
Tractatus illustrium in utraque tum pontificii, tum Caesarei iuris facultate iurisconsultorum de beneficiis, Venetiis 1584, tomus XV, pars I, 369 ro – vo.
Bovendien was enige slordigheid in deze collectie niet vreemd; ‘de unionibus’ van G.B. Caccialupi werd tweemaal afgedrukt: I, 230 vo – 234 ro en II, 24vo – 28 ro. In het laatste geval werd de titel van dit werk niet opgenomen in de index van dat deel.
Het patronaatsrecht van de klassieke periode kende een enorme uitbreiding. Verschillende oorzaken zijn daarbij aan te geven. Demografische uitbreiding bracht uitbreiding van kerken, parochies en universiteiten. Gold in de Middeleeuwen het gezegde dat het volk moest onderwezen worden en dat men het niet mocht volgen,1 dan bracht het onderwijs daar verandering in. Steeds meer beneficies werden verleend. Niet iedereen kon voorzien worden met een beneficie: dus juridische strijd, pauselijke rechtbank en speciale pauselijke regelgeving. Velen zochten hun geluk als curialen, want een functie in Rome opende nieuwe kansen.2 De Brabander Ambrosius Lambrechts werkte in de Apostolische Kanselarij en in de diensten van het Vaticaanse archief. Hij was actief onder Adriaan VI en kardinaal Willem van Enckevoirt en overleed in hetzelfde jaar als zijn werkgever Willem (1534), maar was ook kanunnik van Saint-Paul te Luik.3 Hij werd in de Santa Maria dell’Anima begraven en had in 1526 van Clemens VII de kans gekregen om in Oirschot toegelaten te worden tot de kapelanie van de tweede fundatie op het altaar van de H. Maagd Maria, Johannes, Martinus, Thomas en Odulphus.4 Of hij die prebende ook kreeg, is een volgende vraag.
Door de grote nood aan voorzieningen (pauselijke en andere provisies) ontstond in de periode van Avignon de Rota Romana. Deze rechtbank ontwikkelde een eigen stijl van procederen met een vaste staf aan juridisch personeel, waaronder de auditoren van de Rota, die het beneficiewezen juridisch verder onderbouwden onder de leiding van de kardinaal, die vice-kanselier van de H. Roomse Kerk was. Vanaf de bul ‘Etsi ad singula’ van 5 juli 1532 verbond Clemens VII het ambt van vice-kanselier met de titelkerk van San Lorenzo in Damaso in het Palazzo della Cancelleria.5
De grotere invloed van de paus op het beneficiewezen liet zich oorspronkelijk voelen, doordat de paus steeds meer beneficies voor zich reserveerde. Later werd het gebruikelijk dat elke paus zijn eigen Kanselarijregels uitvaardigde, waardoor de Rota Romana meer werk kreeg en consiliaristen meer adviezen over het beneficiewezen uitbrachten. Onder het werk van de juristen, die tractaten schreven over het patronaatsrecht, is er een duidelijke lijn vast te stellen. In de eerste generatie kwam het indult niet aan bod, omdat het indult, waarover we spreken, rond het midden van de vijftiende eeuw verscheen. Er was Antonio de Butrio uit Bologna (1338-1408). Hij schreef een commentaar op het Liber Extra en op het Liber Sextus. Uit dit werk werd in de zestiende eeuw aan hem een tractaat toegeschreven, dat in Frankfurt-am- Main tot in de zeventiende eeuw werd herdrukt.6 Over de kanonist uit Bretagne, Henri Bohic (rond 1310-rond 1357), is nog weinig met zekerheid bekend. Het ‘Tractatus de iure patronatus’, onder zijn naam gepubliceerd in de zestiende eeuw, betrof een uittreksel van zijn commentaar op de ‘Distinctiones in V libros decretalium’.7 In die zin bleven alle kommentatoren van het Liber Extra, van het Liber Sextus en de Clementinen waardevol, ook wanneer hun werken niet werden geselecteerd op hun bijdrage over het patronaatsrecht. Giovanni d’Anagni (einde 14de eeuw-1457) was zelf leerling van de canonist Pietro d’Ancarano, tot hij onder zijn leerlingen telde: P. Barbo, later Paulus II, A. Barbazzo, L. Pontano en A. Tartagni. Ook van hem is een selectie van zijn commentaar op het patronaatsrecht bekend geworden. Een jongere generatie meldde zich aan met Cesare Lambertini (1475-1550), die zijn werk afsloot in 15238 en die erin onder meer verwees naar de twee volgende specialisten: Rocco de Curte uit Pavia en Paolo de Cittadini uit Milaan. Verder is er nog het werk van Jean Nicholas uit Dauphiné en kanunnik in Avignon. Deze laatste had bovendien nog een bloemlezing over soortgelijke onderwerpen op zijn naam staan.9
Alle werken over het patronaatsrecht van deze canonisten werden nog herdrukt tot in de zeventiende eeuw,10 maar in 1584 liet Gregorius XIII de bekendste specialisten van het geldende recht, zowel civilisten als canonisten, selecteren in de ‘Oceanus iuris’, ook wel genoemd ‘Tractatus iuris universi’,11 zonder dat de werken van de acht canonisten daarin vertegenwoordigd waren. In achttien delen, verspreid over vijfentwintig banden, behandelde alleen deel vijftien het patronaatsrecht. Band vijftien was verdeeld in twee delen, waarbij aan het patronaatsrecht als dusdanig geen enkel tractaat was gewijd. In de index, die drie boekdelen en vier onderafdelingen besloeg,12 kwam het woord ‘indultum’ wel twintigmaal voor, maar voor de speciale betekenis van deze studie was er geen plaats.
‘De indultis laicorum’ kreeg nog een speciale behandeling onder de ‘Taxae’, waaraan de aanvragers van een indult moesten voldoen in de pauselijke Kanselarij of in de Penitentiarie. Onder deze leken verschenen ook de prijzen te betalen door de ‘rex vel princeps’ of de ‘rex et regina’ of ‘rex & eius familiares’, maar weer geen woord over de te betalen belasting voor een indult, tijdelijk aan een vorst gegeven om gebruik te maken van het presentatierecht of nominatierecht*.13 Ook in deze collectie bestond het door ons bestudeerde indult officieel niet, maar alle onderwerpen konden licht werpen op het indult in al zijn aspecten.
Tomus I van boek XV bevatte tractaten over kerkelijke beneficies, over pluraliteit, incompatibiliteit, permutaties, apostolische mandaten*, unies* en hun terugroeping (revocatio), reservaties, expectatieve graties, pensioenen, de Kanselarijtaksen en de verkiezingen. Tomus II van hetzelfde boek ging verder met specialistische tractaten over beneficies, simonie, tienden, het caritatieve subsidie, de portio* congrua, benoemingen, kerkelijke inkomsten, het verbod op vervreemding van kerkelijk goed, commenden, annaten, de residentieplicht van bisschoppen, vredevol bezit, canonieke uren en het sloot af met een studie over de schenking van Constantijn. Ondanks het feit dat het Concilie van Trente verschillende onderwerpen, zoals de apostolische mandaten, de expectatieve graties, de reservaties en de commenden had uitgeschakeld, kregen tractaten over deze onderwerpen hier nog een kans. Bovendien was het in de woelige tijd van de publicatie slechts weinige kapitaalkrachtige instanties gegeven om deze reusachtige collectie aan te schaffen.14