Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/II.4
II.4 Het canonieke recht als ‘ius commune’
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS388992:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
F. Ranieri, Kirchenstaat, in: Handbuch der Quellen und Literatur der neueren Europäischen Privatrechtsgeschichte, München 1976, II, 2, 135-146 en M. Ascheri, Rechtsprechungssammlungen, a) Kirchenstaat, ibidem, 1134-1142.
M. Bellomo, The Common Legal Past of Europe, 1000-1800, Washington 1995, 71-74 en 78- 83.
P. Prodi, The papal Prince. One Body and two Souls: the papal monarchy in early modern Europe, Cambridge 1987, 59-78: The legal system: canon law and civil law.
H. Jedin, Geschichte des Konzils von Trent, Freiburg 1949, I, 15 en 22.
Uiteraard was alle literatuur niet bereikbaar: DBGI, I, 232-233: Berò, Agostino (1474- 1554), Commentaria in Decretales, I-VII, Lugduni 1550-1551.
W. Decock, Theologians and contract law. The moral transformation of the Ius Commune (ca. 1500-1650), Leiden 2012, 28-40. Zie ook: http://www.forhistiur.de/zitat/1306decock.htm.
E. Schrage, Utrumque ius: eine Einführung in das Studium der Quellen des mittelalterlichen gelehrten Rechts, Berlin 1992.
M. Bellomo, The Common Legal Past of Europe 1000-1800, Washington 19952, 18 en 78. Zie ook: S. Lepsius, Ius commune, in: HRG2, Berlin 2009, Sp. 1333-1336.
J. Döllinger, Beiträge zur politischen, kirchlichen und Cultur-Geschichte der sechs letzten Jahrhunderte, Regensburg 1863, II, 306.
R. Helmholz, Western canon law, in: J. Witte and F. Alexander, eds., Christianity and Law: an Introduction, Cambridge 2008, 80.
D.1.1.6 Ius civile est.
Arg. In princ. Inst. De obligat.: Inst. 3.13 Nunc transeamus.
F. Vázquez de Menchaca, Controversiae illustres aliaeque usu frequentes, Francofurti 1668, cap. 45, nr. 16-17, 180.
COGD, II, 2, 980, l. 7280-7290: De reservationibus.
Doorgaans laat men de gouden periode van het canonieke recht eindigen met het begin van het Grote Westers Schisma in 1378. Wij wijzen er op dat in de beste geschiedenis van dit ogenblik het indult in de Rota Romana ontbreekt: S. Killermann, Die Rota Romana. Wesen und Wirken des päpstlichen Gerichtshofes im Wandel der Zeit, Frankfurt am Main 2009, 647.
Er zijn nu al verschillende versies van deze Romeinse editie raadpleegbaar op internet. Zie o.m.: http://digital.library.ucla.edu/canonlaw. Zie nu: M. Sommar, The Correctores Romani. Gratian’s ‘Decretum’ and the Counter-Reformation Humanists, Münster 2009.
Men kan dit verschijnsel vergelijken met de ‘leges abrogatae’ van het Romeinse recht in de 16de en 17de eeuw.
Vergelijk de Index van het Liber Septimus, 83-84, in: P. en F. Pithoeus, Corpus juris canonici Gregorii XIII. Pont. Max. jussu editum, Parisiis 1705.
Extrav. Com. 3.2.14 Ad Romanum pontificem (1467). Sixtus IV is de laatste paus, die nog wordt geciteerd (1478).
Extrav. Com. 3.2.14. De praebendis et dignitatibus komt ook voor in VII.1.10.11. De reservationibus.
I.F. Picus Mirandula, De reformandis moribus oratio ad Leonem X, P.M., et Concilium Lateranum, Hagenoae 1520, 2 vo, 4 ro en 8 vo.
In die zin moeten we hier ook de uitdrukking ‘in corpore iuris clausa’ speciaal benadrukken, omdat ze op haar beurt verwijst naar het canoniek recht. De Extravaganten vielen buiten dat recht. Wij sluiten ons niet aan bij R. Naz, Droit commun, in: DDC, IV, kol. 1495: Le droit canonique a été appelé aussi droit commun au Moyen Age, comme s’appliquant à tous les chrétiens sans distinction de nationalité … régissant … les intérêts spirituels.
J. Baker, Monuments of Endlesse Labours. English Canonists and Their Work, 1300-1900, London 1998, 5127.
Deze tijdsgrenzen waren soms vaag, zoals men ook vaststelt bij de registratie en uitgave van de oudste ‘decisiones’ van de Rota Romana in de bestudeerde periode. Vaak betekende ouder ook strenger, zodat zich tussen de klassieke periode en de latere periode een verschil in normen en waarden aftekende.
S. Wunderlich, Herrschende Lehre, in: HRG2, II, 987-990.
Extrav. Io. XXII.3.1 Exsecrabilis. Zie ook: A. Polónia, D. Henrique o cardeal-rei, Lissabon 2009. Hendrik werd kardinaal in 1545, 95-96 met de pauselijke breve, foto 10 tussen 160-161. Hij werd regent, 163-210 en koning, 227-295.
G. Pfeilschifter, ARC, Regensburg 1959, III, 114, l. 28-30. Vergelijk met 556, l. 40-42, waar men bovendien aanstipt dat de Kanselarijregels te vaak veranderd en bijna onbekend zijn in het Heilige Roomse Rijk. Voor een verwijzing naar een Kanselarijregel in een archiefdocument uit de Nederlanden: RAG, RV 808, fo 160 ro – vo.
CT, III, 1, 727, l. 36-37.
E. Magnin, Resignatio in favorem, in: DDC, II, 434, 467, 473 en 484. Zie ook: X.1.9; VI.1.7; Clem.3.11 De renuntiatione.
Een sterk staaltje van deze afwijkingen vertonen de ‘reservationes mentales’ of ‘pectorales’, i.e. in scrinio pectoris, waarover verder sprake zal zijn. Deze laatste uitdrukking vindt men zowel in het Romeinse recht (C.6.23.19.1 en de spreuk ‘princeps omnia iura in scrinio pectoris habens’) als in het canonieke recht: VI. 1.2.1 Licet Romanus Pontifex.
D.40 c.6 Papa a nemine iudicatur. Zo kwam deze tekst ook voor in het Dictatus papae.
Favorabilis, videlicet ad restringendum fraudes quae contra Canones ipsos, & ius publicum fiunt: C. Molinaei, Omnia quae extant opera, Parisiis 1681, V, 32, nr. 128.
G. Barraclough, Papal provisions. Aspects of Church History Constitutional, Legal and Administrative in the later Middle Ages, Westport, Connecticut 1934.
In het burgerlijke recht was het gemene recht volgens Antonius Faber altijd gunstiger dan het speciale recht: K. Luig, Gemeines Recht, in HRG2, Berlin 2009, II, Sp. 69.
C. Molinaei, Omnia quae extant opera, Parisiis 1681, V, 32, nr. 128: C.12 q.1 c.28 Privatum juncto X.3.24.1 Prudentes.
P. Caron, La rinuncia all’ufficio ecclesiastico nella storia del diritto canonico dalla età apostolica alla riforma cattolica, Milano 1946, 227, 296, 326, 331 en 361.
Molinaeus neemt onder verwijzing naar Luis Gomez vooral Leo X op de korrel. Vóór Leo X schafte men deze regel uiterst zelden af, maar vanaf de tijd van Leo X begon men deze her en der af te schaffen in en buiten Italië.
VI.[5.13]15 Odia restringi.
Ook Innocentius IV was in tegenstelling tot een veel gehoorde mening niet de sterke leider, maar op het gebied van beneficies een paus, die te zwak leiding gaf. Zie G. Barraclough, The Constitution ‘Execrabilis’ of Alexander IV, in: English Historical Review 49 (1934) 193-218.
VI.1.3.15 Quia per ambitiosam importunitatem petentium.
Zie vooral: G. Bava, Le “Regulae Cancellariae Apostolicae” di Papa Adriano VI, Roma 2010. Zie ook VI.3.7.8 Quoniam, waar sprake is over de ‘revocatoria gratiarum’ van Bonifacius VIII.
‘Cum ab Apostolica Sede’ is niet opgenomen in het Corpus iuris canonici, maar men vindt het wel in de later uitgegeven Bullaria. Zie A. Tomassetti en F. Gaude, Bullarum, diplomatum et privilegiorum sanctorum Romanorum Pontificum Taurinensis editio, Torino 1860, V, 316-319.
M. Pellegrini, Innocenzo VIII, papa, in: DBI, 62 (2004) 450-460. Noteer ook dat Leo X de laatste paus was, die nog niet tot priester was gewijd, toen hij in 1513 tot paus werd verkozen.
‘Accepto per Sanctitatem tuam’, in: P. en F. Pithoeus, Corpus juris canonici, Parisiis 1705, Septimi decretalium liber secundus, 28: VII.2.4.1.
Th. Ameyden, De stylo datariae, Venetiis 1654, 155, 254 (regula revocatoria Adriani VI), 265 (9. Novembris 1522) en passim.
COGD, III, 167-168: Sessio XXV, De reformatione generali, caput IX.
Sanctio Pragmatica cum glossis D. Cosmae Guismier, Parisiis 1613, 39 Prooemium § Qualiter praeterea, waar i.p.v. avaritia de woorden ‘ambitio & cupiditas’ voorkomen; I.F. Picus Mirandula, De reformandis moribus oratio ad Leonem X, P.M., et Concilium Lateranum, Hagenoae 1520, 4 ro; B. Gebhardt, Die Gravamina der deutschen Nation gegen den römischen Hof. Ein Beitrag zur Vorgeschichte der Reformation, Breslau 1884, 82-85; C. Burmannus, Hadrianus VI, sive Analecta historica, Utrecht 1727, 313; S. Knight, The Life of Dr. John Colet, dean of St. Paul’s in the reigns of K. Henry VII. and K. Henry VIII. and Founder of St. ƖɩίιPaul’s School, Oxford 1823, 242; P. Harsin, Le règne d’Erard de la Marck, 1505-1538. Études critiques sur l’histoire de la principauté de Liège 1477-1795, Liège 1955, II, 451, waar ook ϕɩλαϱγυϱία voorkomt. Zie ook A. Wijffels, Een prince ende heere van justitie. Un avis de G. Mudaeus sur l’organisation d’une table de prêt, in: TVR 64 (1996) 120.
I Timotheus 6.10: Radix omnium malorum avaritia. Om Rome beter te treffen wordt het Paulinische ‘cupiditas’ wel vervangen door ‘avaritia’. Bij Pico de la Mirandula werd de ‘ambitio’ de moeder en voedster van alle kwalen: I.F. Picus Mirandula, De reformandis, Bb vo of r vo.
A. de Groot, Pecunia olet. Enige beschouwingen over kerk en tijdelijke goederen, Druten 1980, 11 (voetnoot 54). Noteer dat Calvijn de paus de ‘Romeinse Pluto’ noemt en de ‘aartspiraat’ onder verwijzing naar de tekst van St. Paulus en met het acrostichon ROMA: C. Augustijn, Chr. Burgers en F. Stam, Calvin in the Light of the Early Letters, in: Calvinus Praeceptor Ecclesiae, Genève 2004, 154-155.
Francisci Duareni, Opera Omnia, Aureliae Allobrogum 1608, II, 347-348.
Wij bedanken Eric De Wilde, België, die ons zijn persoonlijk exemplaar liet inkijken. Er zijn in de Gentse Universiteitsbibliotheek nog twee exemplaren: G. Machiels, Catalogus van de boeken gedrukt voor 1600 aanwezig op de Centrale Bibliotheek van de Rijksuniversiteit Gent, Gent 1979, dl. I, I, 330: HI 10036 and 10036 a: S. Gualterus en J. Bathenius, Institutiones imperiales cum novis & brevibus annotationibus, Lovanii 1554.
P. Grendler, The Universities of the Italian Renaissance, Baltimore 2002, 472.
Joachimi Hopperi, Epistolae ad Viglium ab Aytta Zuichemum, Utrecht 1802, 147.
I. Wamesius, Responsorum sive consiliorum de iure pontificio, Lovanii 1643, I, 309, nr. 9.
E. Cortese, Ius commune, in: DGDC, IV, 823-829.
Hij was de aalmoezenier van Maria van Hongarije en tijdelijk ambassadeur bij Hendrik VIII, koning van Engeland. Omwille van deze uitzonderlijke opdracht in dienst van de vorst pleitte de landvoogdes bij het kapittel voor de volledige betaling van de vruchten, ook na Sint-Jan 1539, dag waarop de deken had beloofd terug te zijn. In de Franse literatuur is hij bekend als Philippe Lemaire †1555.
ARAB AUD 1574, fo 2ro -3vo: Kamerijk, 9 augustus 1539. Filips Nigri noteerde de datum van ontvangst (14 augustus 1539) en schreef zelf een brief in naam van Maria van Hongarije (fo 23ro: Utrecht, 26 juli 1539), waarop het kapittel reageerde. Filips Nigri was in de Geheime Raad de specialist van het canonieke recht. VI.1.4.1 Consuetudinem is het kapittel, dat hier bedoeld is. Vergelijk ook met Concilium Tridentinum, Sessio 24, de reformatione, canones 12 en 17, waar de regelgeving van Bonifacius VIII in ere werd hersteld.
M. Lunitz, Diplomatie und Diplomaten im 16. Jahrhundert. Studien zu den ständigen Gesandten Kaiser Karls V. in Frankreich, Konstanz 1987, 235-238.
P. van Peteghem, De Kapittels van Sint-Servaas en Onze-Lieve-Vrouw te Maastricht onder Karel V. Patronaatsrecht in theorie en praktijk: enkele steekproeven, in: A. Berkvens en Th. van Rensch, red., ‘In hoede van rechte gekeerd’: opstellen ter gelegenheid van dertig jaar Werkgroep Limburgse Rechtsgeschiedenis, Maastricht 2010, 85 en 90 (verplichting tot residentie als deken en tot controle op de residentie van kanunniken) en (ondanks zijn voorbeeldfunctie toch verschoond).
X.3.50 en VI.3.24. Ne clerici vel monachi saecularibus negotiis se inmisceant.
G. Brom en A. Hensen, Romeinsche bronnen voor den kerkelijk-staatkundigen toestand der Nederlanden in de 16de eeuw, ’s-Gravenhage 1922 (RGP, GS 52), nr. 39, 38-39.
X.3.30.18 Cum sint.
D.1.3.14 Quod vero en D.1.3.15 In his.
Authentica Cassa et irrita (ad C.1.2.12) en Statuimus (ad C.1.3.32).
B. Wauters, Recht als religie. Canonieke onderbouw van de vroegmoderne staatsvorming in de Zuidelijke Nederlanden, Leuven 2005, 191-213. Zie daar vooral het ‘exequatur’.
VI.3.4.5 Cum de beneficio.
COGD, III, 80.
COGD, III, 159-160: De regularibus, c. XXI.
Let erop dat Luther en vele hervormers precies de tegenovergestelde mening verkondigden: terug naar het evangelie en naar de tijd van de eerste christenen. Let er ook op dat het Decretum van Gratianus (DBGI, I, 1058-1061) of het ‘ius antiquum’ bijna uit de boot viel samen met de Clementinen (hoewel stammend uit de periode van Avignon) en de Extravagantes van Johannes XXII en de Extravagantes Communes.
CT, III, 1, 622, l. 10-17. Vergelijk met: C. Mozzarelli, G. Commendone, Discorso sopra la Corte di Roma, Roma 1996, 76-77: non basta un nuovo decreto universale. Wij danken Prof. Dr. W. Geerts, die het raadplegen van dit werk faciliteerde.
X.3.13; VI.3.9; Clem. 3. 4.; Extrav. Com. 3. 4.
X. 3.13.6 Si quis.
F. Gaude, Bullarum, diplomatum et privilegiorum sanctorum Romanorum pontificum Taurinensis editio, Augustae Taurinorum 1860, VI, nr. III, 496-498 en VII, 58-60, vooral 59.
Zo spreekt men vaak over de ‘veteres canones’ als over het canonieke recht vóór het Concilie van Trente en van het ‘ius novum’ als het canonieke recht na het Concilie van Trente. De kern van deze bijdrage over de indulten bevindt zich tussen 1450 en 1563, zodat het canonieke recht uit die periode ter discussie stond tussen 1545 en 1563.
COGD, III, 174-175: sessio XXV De reformatione generali, c. XX.
Op 1 juli 1580 liet Gregorius XIII het Corpus Iuris Canonici drukken, zodat we nu doorgaans verwijzen naar de editie van Rome, 1582: www.digital.library.ucla.edu/canonlaw/. Even belangrijk is het pauselijk initiatief om het geldende recht in druk te laten uitgeven in de ‘Oceanus iuris’, ook ‘Tractatus iuris universi’ genoemd. Zie: A. Borromeo, Gregorius XIII, in: DBI 59 (2002) 204-219, vooral 215.
E. Dickerhof-Borello, Ein Liber Septimus für das corpus iuris canonici; der Versuch einer nachtridentinischen Kompilation, Köln 2002, 75-76.
Ibidem, 341, titel 5 en 345, titel 21.
G. Durandi, Speculum iuris, Basileae 1574 (Aalen 19752), 2 dln.
Innocentius IV, In V. Libros decretalium commentaria, Venetiis 1570.
DBGI, I, 1008-1012.
DBGI, I, 149-152.
Het gedrukte commentaar op de Decretalen geeft voorlopig een onvolledig beeld van zijn werk: K. Pennington, Nicolaus de Tudeschis (Panormitanus), in: O. Condorelli, Niccolò Tedeschi (Abbas Panormitanus) e i suoi Commentaria in Decretales, Roma 2000, 17 en 36.
Eén van de best bekende incunabelen handelde over de ‘modus vacandi et acceptandi beneficiorum’. Zie daarover ISTC met dertig vermeldingen.
Gaspare de Rossi, Tractatus valde utilis et necessarius de reservationibus apostolicis, Rome 1539 en Aeneas de Falconibus, Tractatus utilissimus reservationum papalium, ac legatorum, Rome 1539.
Girolamo Giganti, Tractatus de pensionibus ecclesiasticis, Rome 1539. Zie: DBGI, I, 999- 1000.
Tractatus de jure patronatus, Francofurti 1609, dl. I: (R. de Curte, P. de Cittadinis en Iohannes Nicolaus) en dl. II: (A. de Butrio, I. de Anania, H. Boich en C. Lambertini).
Hier denken we aan L. Gomes, Commentaria R.P.D. Ludovici Gomes, episcopi Sarnensis, in: Regulas Cancellariae iudiciales, Venetiis 1540, H. Gonzalez, Dilucidum et perutile glossema seu commentatio ad regulam octavam Cancellariae, de reservatione mensium et alternativa episcoporum, Keulen 1609 en aan J.B. Riganti, Commentaria in regulas, constitutiones et ordinationes Cancellariae Apostolicae, Rome 1744.
G.A. Marta, Tractatus de clausulis de quibus in omnibus tribunalibus hucusque disputatum est, cum omnibus resolutionibus, decisionibus atque declarationibus, Keulen 1618; zie ook: DBI 71 (2008) 24-29 en A. Barbosa, Tractatus varii, IV. De clausulis usufrequentioribus, Lugduni 1644.
O. Frangipani, Rapport sur la situation de l’Eglise dans les Pays-Bas, in: A. Louant, Correspondance d’Ottavio Mirto Frangipani, premier nonce de Flandre (1596-1606), Brussel 1942, III, 15. Noteer verder dat ‘utroque iure’ ook kan verwijzen naar ‘in temporalibus et spiritualibus’.
In het kader van het internationaal recht en van de diplomatie van de opkomende staten moet dit hoofdstuk grondiger uitgewerkt worden. Zo belangrijk als de scheiding in de godsdienst zich voordoet bij de Reformatie, zo essentieel is het keerpunt in de gehoorzaamheidsbetuiging bij de paus voor de geschiedenis van de Europese staten. De gelukwens voor de nieuwe paus en de betuiging van de gehoorzaamheid vervielen voor de gereformeerde godsdienst.
In Frankrijk, dat gallicaans was, waren de Provence en Bretagne gebieden, die gehoorzaam bleven aan de paus.
M. Cable, Cuius Regio, eius … Papa? The decree on ‘real obedience’ at the council of Constance (1414-1418). Konrad von Soest and the contest for a parish church in the diocese of Regensburg brought before the rotae auditor Gimignano Inghirami, in: ZSSR, KA 94 (2008) 66-102 en idem, Resolving benefice disputes after the Great Schism: The survival of the Council of Constance’s 4 July 1415 decrees ‘Omnia et singula’ and ‘Pro majori pace’ in two disputes from Auch and Rieti brought before the rotae auditor Gimignano Inghirami at the time of the Council of Basle, in: Annuarium Historiae Conciliorum 38 (2006) 321-424.
C. Finzi, Il Principe e l’obbedienza. I primi scritti politici di Giovanni Pontano, in: Théologie et droit dans la science politique de l’Etat moderne. Publications de l’école française de Rome, 147 (1991) 263-279. Ook gedigitaliseerd in http://www.persee.fr.
J. Bodin, Les six livres de la République, Paris 1986, I, kap. 3, 51 en kap. 6, 114.
P. Janelle, Obedience in Church and State. Three political Tracts, Cambridge 1930, XXV (editie Londen 1535), XXVIII (editie Straatsburg 1536) en 67 en volgende.
De bullen voor de kruistocht werden ook de drie gratiën genoemd: cruzada, subsidio en excusado.
K. Lanz, Staatspapiere zur Geschichte des Kaisers Karl V. aus dem königlichen Archiv und der Bibliothèque de Bourgogne zu Brüssel, Stuttgart 1845, 3.
Johannes 19, 23. Zie ook: Extrav. Com. 1.8.1 Unam sanctam.
M. Fernández Álvarez, Carlos V, el César y el Hombre, Madrid 1999, 413-417 en vooral 463.
ROPB, II, 1, 307: Innsbruck, 23 december 1514.
M. Cavina, Imperator Romanorum triplici corona coronatur. Studi sull’incoronazione imperiali nella scienza giuridica fra Tre e Cinquecento, Milano 1991.
J. Fuchs e.a., Lexicon Latinitatis Nederlandicae Medii Aevi, Leiden 1990, IV, I 468, s.v. infula, 3.
R. Staats, Die Reichskrone. Geschichte und Bedeutung eines europäischen Symbols, Kiel 20082. Wij danken Prof. Dr. M. Chappin, die ons zijn persoonlijk exemplaar leende. Na de lectuur ervan beseft men dat een nieuwe studie nodig is om dat werk te verbinden met de gewijzigde omstandigheden in: én het Heilige Roomse Rijk én de stad Rome na het Sacco di Roma.
De Franse koning werd zelfs ‘le roi thaumaturge’ genoemd, omdat hij wonderlijke genezingen kon verrichten: M. Bloch, Les rois thaumaturges: étude sur le caractère surnaturel attribué à la puissance royale, particulièrement en France et en Angleterre, Paris 19612.
D. Rezza en M. Stocchi, Il capitolo di San Pietro in Vaticano dalle origini al XX secolo, Vaticaanstad 2008, 72. Zie ook: BAV, Vat. Lat. 12276, 378: capitulariter receperunt Cesarem in canonicum et confratrem. Cesar recepit singulos canonicos ad osculum oris.
X.3.7.2 In ecclesia vestra had onder de titel ‘De institutionibus’ nochtans verboden dat leken als kanunnik werden aangesteld. Hetzelfde verbod gold voor de Franse koning.
H. Kantorowicz, The King’s Two Bodies. A Study in Medieval Political Theology, Princeton 19977, 95-96 en 135-136.
Clem. 2.9 Romani principes. Zie ook: R. Tapper, Opera, Keulen 1582, II, 386: officium principis. Zie ook: B. Schimmelpfennig en G. Morello, Das Krönungszeremoniale Kaiser Karls V. Codex Borgianus Latinus 420. Faksimile und Kommentarband, Zürich 1989, 2 dln.
R. Tapper, Opera, II, 379.
In 1530 werd na het verdrag van Barcelona (1529) een munt geslagen met de beeldenaar van de keizer, waarop te lezen stond ‘Italia pacata’. Nooit voorheen stond Italië zo sterk onder de invloed van de Habsburgers.
Naar Hostiensis bij X.1.7.3 Quanto personam; zie: K. Pennington, The Prince and the Law, 1200-1600, Berkeley 1993, 51. Op het vlak van het geloof werd later de onfeilbaarheid tot dogma verheven.
X.1.2.3 Translato sacerdotio.
‘Papa non est dominus civilis aut temporalis totius orbis, loquendo proprie de dominio et potestate civili’: J. Cordero Pando, Francisco de Vitoria. Relectio de Potestate Civili. Estudios sobre su Filosofía Política, Madrid 2008, 120. Zie ook: J. Verzijl, International Law in Historical Perspective, Leiden 1971, IV, 19.
Met het verdrag van Barcelona (1529) kreeg Karel V het recht om in 24 kathedrale kerken van het koninkrijk Napels de bisschop aan te stellen.
Joachimi Hopperi, Epistolae ad Viglium ab Aytta Zuichemum, Utrecht 1802, 67-68.
Bij zijn bespreking van de staatsvorming in de Pauselijke Staten merkte Paolo Prodi op dat het ‘Handbuch’ van Helmut Coing (1912-2000) op het juridische vlak alleen maar lacunes in de bestudering ervan kon vaststellen.1 Prodi verwees daarbij ook naar zijn Italiaanse voorgangers Carlo Calisse (1859- 1945) en Giuseppe Ermini (1900-1981), die hadden gesproken over een pauselijk ‘ius commune’. Er zou in de Pauselijke Staten niet eenvoudig een ‘ius commune’ hebben bestaan, maar eerder was er een breed panorama van ‘ius commune’, dat ‘ratione materiae’ zijn laatste regelgeving ontving van de paus en dat werd toegepast in de pauselijke rechtbanken. Er was een onderscheid tussen een pauselijke wetgeving in de Pauselijke Staten en een pauselijk canoniek recht, dat van toepassing was in de universele kerk.2 Van zijn kant steunde Prodi op het gezag van kardinaal Giovanni Battista De Luca (1614-1680), die in de zeventiende eeuw een zelden geraadpleegde bibliotheek had vol geschreven, waaruit Prodi zijn ideeën over de pauselijke vorst verder ontwikkelde, lacunes in het onderzoek aanstipte en tips gaf voor nieuwe onderzoeksprojecten.3
Het indult was echter een product van de renaissancepausen. Volgens Hubert Jedin had de Kerk de pijnlijke plicht om op de donkere en onheilspellende schaduwen te wijzen, die aan de kunstgeschiedenis en de politieke geschiedenis gemakkelijk voorbijgaan. Tussen Nicolaas V en Leo X stond de Kerk in de zonneglans, waarmee de beginnende Renaissance de wereld in vervoering bracht. De paus en de vroegmoderne Staat waren als overwinnaars uit de strijd om het conciliarisme gekomen, maar ten koste van te vele toegevingen aan kerkelijke zijde.4
Bij het zoeken naar een grondige reden voor het ontstaan van het indult in de vijftiende eeuw sneden de argumenten van De Luca slechts gedeeltelijk hout. Op vele terreinen was het Concilie van Trente écht een trendbreuk. Voor de periode 1450-1550 moest een andere argumentatie worden gevonden. Daarbij gingen we raad vragen bij de eigentijdse auteurs met gezag. Tussen Panormitanus en het Concilie van Trente werd daarbij iedereen, die een mening ventileerde over het indult en de context, waarin het indult ontstond, gehoord.5
In welke zin was het canonieke recht in deze periode geëvolueerd? Indien we op verschillende terreinen vaststellen dat de kerk in hoofd en leden moest hervormd worden, was het canonieke recht dan als een paal boven water blijven staan? Of is het mogelijk vast te stellen dat sommige aspecten van het recht beter stand hadden gehouden dan andere? Of moest men ook nog rekening houden met de standpunten van de theologen?6 Op het Concilie van Konstanz ijverde de Genuese aartsbisschop Pileus al voor de naleving van het ‘ius commune’ op het vlak van beneficies en ook om de pauselijke reservaties te laten varen. Dat betekende niet, dat voortaan het ‘ius utrumque’ de behandeling van de beneficies zou bepalen.7 Ook het tijdens de Middeleeuwen bewerkte Romeinse recht had Pileus niet op het oog.8 Met ‘ius commune’ werd in zijn gedachten alleen naar het canonieke recht verwezen, maar naar welk canoniek recht?9
In de huidige perceptie van het ‘ius commune’ staat vaak de gedachte voorop dat we van doen hebben met een mengvorm van Romeins recht en canoniek recht, waarbij zich een adaptatie aan nieuwe en lokale regelgeving voordeed. Er bestond een harmonieus samengaan en op sommige terreinen, zoals bij proces en procesrecht, was de harmonie groter dan bij andere.10 Juristen uit de zestiende eeuw waren het zeker niet eens over de betekenis van het ‘ius commune’. Soms dachten ze aan het Romeinse recht. In zijn hoofdstuk over de gelding van de vorstelijke wet maakte Fernando Vázquez de Menchaca het onderscheid tussen de betekenis gegeven door de ‘jurisconsulti’ en de ‘doctores’. Volgens hem betekende het ‘ius commune’ van de rechtsgeleerden het natuurrecht of het volkerenrecht, zoals het werd omschreven in de Digesten.11 De doctores van hun kant dachten aan het ‘ius civile’ van de Romeinen. Het was niet waar dat het contract, afgesloten tussen de vorst en zijn onderdanen, alleen betrekking had op het natuurrecht en het volkerenrecht, omdat ook het ‘ius civile’ van een stad van die vorst belangrijk was.12 Het was ook niet waar dat het contract alleen naar het ‘ius civile’ van de Romeinen moest geregeld worden, maar naar het ‘ius civile’ van het gebied, waarover die vorst heerste.13
Voor een goed begrip van het canonieke recht in het herfsttij van de Middeleeuwen en in de Renaissance moet men zich realiseren dat de klassieke periode van het canonieke recht voorbij was. In het beneficiesysteem hadden de pausen zich vrijwel opgeworpen als monopoliehouders. Tegen de vele reservaties, Kanselarijregels en apostolische constituties rees verzet in het Concilie van Bazel. Alleen reservaties, die in het ‘ius commune’ van het canonieke recht waren opgenomen, konden door de beugel.14 De Extravagantes van Johannes XXII en de Extravagantes Communes waren uitgesloten, want zij waren letterlijk gevormd buiten (extra) het canonieke recht.
Onder het ‘ius commune’ verstond men de Decretalen, het Liber Sextus en de Clementinen.15 Het ‘Corpus iuris canonici’ werd door Gregorius XIII, de voorganger van Sixtus V, in 1582 vastgelegd. Met de bullen ‘Cum pro munere’ (1 juli 1580) en ‘Emendationem’ (2 juni 1582) hoorden het Decretum en de Extravagantes er ook bij. Zoeken we naar de laatst uitgevaardigde kapittels vóór Gregorius XIII, dan merken we dat die toen ruim honderd jaar oud waren.16
Ondertussen waren heel wat canonisten op zoek naar een andere vorm van canoniek recht, zeker na het Concilie van Trente, toen bleek dat vele kapittels verouderd waren en geschrapt moesten worden.17 Er werd gewerkt aan het vervolg op het Liber Sextus van Bonifacius VIII (1294-1303), maar het Liber Septimus kreeg geen kracht van wet. Toch werden de meeste kapittels, die in strijd waren met het Concilie van Trente, buitenspel gelaten; ook in het Liber Septimus ontbraken indulten. Ook al bestonden toen nog in de praktijk de indulten in verschillende gebieden van Europa, toch werden ze naar gelang van hun verschijningsvorm in grote delen van Europa al taboe of uit het geheugen gewist. Uit de daarnet omschreven periode van ruim honderd jaar werden in het Liber Septimus wel kapittels opgenomen uit het Concilie van Lateranen (1512-1517). Zowel de periode van Julius II (1503-1512) als die van Leo X (1513-1521) kreeg toen aandacht. Beide pausen kwamen op voor de reformatie in hoofd en leden, zoals velen daarvoor al een lans hadden gebroken voor een soortgelijke hervorming, maar in de aantallen citaten overtrof Leo X (18) zijn voorganger Julius II (2).18
Wil men een recent kapittel over prebenden uit de vijftiende eeuw, dan kan men verwijzen naar de tijd van Paulus II.19 In dit kapittel uit 1467 werd geproclameerd dat de collatie van beneficies, die gereserveerd waren voor de paus, niet geldig was, indien de paus ze niet uitvoerde.20 Ondertussen draaide de Rota Romana op volle toeren. Door elke paus werden de Kanselarijregels aangepast of aangescherpt. De Kanselarij en de Penitentiarie bleven bullen en breven produceren, maar gedurende ruim een eeuw volgde er na de ‘Extravagantes Communes’ geen nieuw positief recht. Op zich was dat geen probleem. Er waren wel genoeg kerkelijke en wereldlijke wetten, maar ze werden niet nagekomen. Voor Leo X en voor het Concilie van Lateranen had Pico de la Mirandula daarom nog een bijzondere aanbeveling, toen hij merkte dat er te veel priesters rondliepen, die het niet waard waren om priester te zijn, en dat priesterschappen verkocht werden (‘coempta & divendita sacerdotia’): ‘legum cautio’ en nog ‘custodia legis’: onderhoud de wetten, die er zijn en geef geen dispensaties.21
Tussen 1450 en Trente werd in de toenmalige literatuur soms gesproken over het ‘ius commune’ als over het corpus van het canonieke recht.22 Men zou het ‘ius commune canonicum’ kunnen noemen.23 Waarom was dit zo belangrijk? Chronologisch was het onderscheid tussen oud en nieuw recht gemakkelijker te maken.24 Veel belangrijker was het feit dat er een verschuiving plaats had naar de Kanselarijregels, waarin elke nieuw verkozen paus eigen regelgeving opstelde. Het ‘ius commune’ van het canonieke recht stond onder druk. Komt daar nog bij dat de Rota Romana een ‘communis opinio’ vormde.25 De verscheidenheid van meningen groeide.
In beneficiezaken was met het oog op de zielzorg alleen de pauselijke wetgeving geldig. Alleen de paus kon dispensaties verlenen, zeker wanneer iemand twee of meer beneficies wilde ontvangen en die tegelijkertijd op een toegelaten wijze behouden. Op een andere manier was dat onmogelijk ‘de iure communi’. In deze laatste uitdrukking was het onmogelijk om aan een verbinding van Romeins en canoniek recht te denken. Aangezien deze gedachte niet vanzelfsprekend is, worden hieronder nog voorbeelden aangehaald, die beklemtonen dat de term ‘ius commune canonicum’ volledig normaal is.
Met het oog op het indult ‘Fervor pure devotionis’ wijzen we op een belangrijke verschuiving in het canonieke recht. In de Decretalen uit de periode van het Vierde Concilie van Lateranen bestond een bepaling, waardoor ‘sublimes’, uitzonderlijk getalenteerde krachten, de gelegenheid kregen om uit te zien naar de beste beneficies. Een eeuw later nam Johannes XXII het op voor kardinalen en zonen van koningen.26 Zij verdienden het wegens hun uitzonderlijke en beroemde personaliteit met meer gunsten verheven te worden. In dezelfde zin zou de aartshertog van Oostenrijk op 5 juli 1515 met de gunst van vier indulten vereerd worden. Ook hij was de zoon van een koning, toen hij de gunsten vroeg, en koning van Spanje, toen hij ze kreeg. Het pastoraal werk tussen armen en kanslozen was ver weg.
Een parallelle beweging was er waar te nemen, wanneer Johannes Eck Adriaan VI moest adviseren om de fouten van de Romeinse Curie uit de wereld te helpen. Hij stelde zich daarom de volgende vraag: ‘Waarom verstoren zovele Kanselarijregels het ‘ius commune’? Er is een geschreven ‘ius commune’. Dat wordt naar de universiteiten gestuurd, waar hoogleraren er zich voortdurend mee bezig houden’. Deze kritiek op de Kanselarijregels werd trouwens gedeeld in de keizerlijke constitutie van 19 november 1530 in Augsburg, waarin gezamenlijk besproken besluiten op basis van de Gravamina Nationis Germanicae voorkwamen.27
In de periode van het Concilie van Trente werd hierover vaak van gedachten gewisseld. Sommigen waren van mening dat het ‘ius commune’ moest bewaard worden. Moge het dus door iedereen en in alles bewaard worden. In de eerste plaats moest de vrije collatie van alle beneficies aan de bisschoppen gelaten worden, zoals het rechtens was. In het recht waren die Kanselarijregels onbekend.28 Een ander voorbeeld brengt duidelijkheid in deze moeilijke periode uit het canonieke recht. Om een beneficie aan te vragen moest er een vacature bestaan. Een veel voorkomende vorm van vacature ontstond door resignatie*. Gewone resignaties waren volgens het canonieke recht (iure communi) toegestaan. De gunst van deze vorm werd met niemand anders dan de bisschop geregeld.
Er bestonden ook ‘resignationes in favorem’. Deze waren verboden, vertoefden in een geur van simonie en bevorderden het misbruik, dat inging tegen de oude heilige ‘canones’ over het verbod op erfopvolging in beneficies. Het was ook niet toegelaten om over beneficies een testament te maken. Toch kwam de paus regelmatig in deze vorm van resignatie tussen en deed hij toegevingen, waardoor het ‘ius commune’ werd opgerekt.29 Dit ‘ius commune’ was nog meer onderhevig aan tijdelijke wisselvalligheden. Het lag het meest onder vuur van de paus, want als hij afweek van het ‘ius commune’ en voor zichzelf binnen het kader van de beneficies iets reserveerde wat indruiste tegen het ‘ius commune’, dan gedroeg hij zich ‘odiose’, d.i. op een ongunstige manier tegenover het op schrift gestelde canonieke recht. Ging hij nog verder, dan sprak men over ‘detestabiliter’.30 Een andere mogelijkheid bestond erin dat het optreden van de paus leidde tot de receptie van zijn maatregel in het ‘ius commune’. Vooral de pauselijke reservaties werden vanuit dit standpunt bekeken. Wanneer puntje bij paaltje kwam, kon de paus in geloofszaken door niemand geoordeeld worden.31
In tegenstelling tot deze zienswijze kon men ook een vriendelijke houding aannemen. Carolus Molinaeus gaf in zijn commentaar op de Kanselarijregels onder de titel ‘De infirmis resignantibus’ als het ware een definitie van deze houding. Vriendelijk: dat betekent dat men een dam opwerpt tegen het bedrog dat gepleegd wordt tegen de juiste interpretatie van de canons en tegen het publiekrecht.32 Wanneer de paus zich dus op een gunstige wijze (favorabiliter) manifesteerde tegenover het ‘ius commune’, dan betekende dit dat hij zich door een ‘dispositio’, een ‘provisio’33 of een andere maatregel gunstig opstelde tegenover of zelfs terugkeerde tot het ‘ius commune’ en hij afzag van een eigengereid optreden.34 Dit eigengereid optreden was vaak ingegeven door het feit dat de paus zich als ‘dominus beneficiorum’ gedroeg. Sommige canonisten praatten daarbij de paus naar de mond en hadden geen bezwaar, maar anderen waren van mening dat hij alleen ‘dispensator beneficiorum’ was. Carolus Molinaeus gebruikte liever de uitdrukking ‘administrator’.35
Carolus Molinaeus voegde in het kader van zijn commentaar op de achttiende Kanselarijregel (regula de viginti diebus sive de infirmis resignantibus)36 bij de uitdrukking ‘favorabilis’ nog enkele pittige opmerkingen toe. De paus kon, noch mocht her en der en zonder nadenken voorbijgaan aan deze regel (derogatio). Hij had de macht niet om slecht te besturen, zelfs wanneer vleiers uitgelaten vloekten dat hij groter was dan de Apostel.37 Molinaeus was van mening dat de Kanselarijregel, waarbij een termijn van twintig dagen moest in acht genomen worden bij resignaties, met de juiste redenen was uitgewerkt. Om het gevaar te ontlopen dat er bij het levenseinde van bezitters van beneficies dubieuze contracten werden gesloten was dit een terechte regel: stierf iemand binnen twintig dagen na de resignatie, dan was de resignatie ongeldig. Voor het overige ging men voorbij aan de vrije verlening van het beneficie door de gewone collator.
‘Favorabilis’ betekende hier dat de regel gemaakt was om frauduleus handelen uit te sluiten of te beperken. Simonie en alles, wat tegen de ‘canones’ indruiste en wat tegen het publiekrecht was, moest gebannen worden en zo werd het ‘ius commune’ gerespecteerd. Molinaeus concludeerde dan ook dat dispensaties en het geheel of gedeeltelijk afschaffen van deze regel zoveel mogelijk moesten ingeperkt worden.38 Uit dezelfde periode van ruim honderd jaar halen we twee pausen naar voren, die van oordeel waren dat hun voorgangers te vrijblijvend waren omgesprongen met uitzonderingen op het ‘ius commune canonicum’: Innocentius VIII en Adriaan VI.39 Zij staan nu bekend als de pausen van de ‘revocationes’ en hun actie was een zuivere ‘reductio* ad ius canonicum’. Bonifacius VIII had daarbij eeuwen vóór hen al een voorbeeld gesteld, toen hij fulmineerde tegen de bandeloze eerzucht van sollicitanten, die om beneficies smeekten.40 Innocentius VIII en Adriaan VI herriepen al te gunstige maatregelen van hun voorgangers in de door hen opgestelde Kanselarijregels.41 Innocentius VIII greep al in tijdens het eerste jaar van zijn pontificaat en keerde terug tot vijfentwintig jaar vóór zijn aantreden. Zijn bul ‘Cum ab Apostolica Sede’ dateerde van 23 augustus 1485 en zo belandde hij midden in het pontificaat van Pius II en in het begin van de reeks pausen, die met Nicolaas V beginnen en die men vaak renaissancepausen noemt. Zo keren we terug in de tijd naar het moment waarop indulten zijn ontstaan, zoals we ze hier bestuderen.42 Maar in tegenstelling tot de sobere Adriaan VI was Innocentius VIII een renaissancepaus, die de tweede zoon van Lorenzo de’ Medici, Giovanni, op dertien jaar tot kardinaal (9 maart 1489) verkoos. Later zorgde deze er als Leo X voor, dat het kleinkind van Innocentius VIII, Innocentius Cibo, bij een eerste creatie op 23 september 1513 de rode hoed kreeg, want Leo X was ondertussen de zwager van Innocentius VIII.43
Een soortgelijke herroeping door Adriaan VI bleef beklijven tot in het Liber Septimus.44 Adriaan VI was één van de pausen, die tegen de stroom durfde op te roeien en die zich verzette tegen de te ruime productie van reservaties, dispensaties en privileges. Tot in de zeventiende eeuw sprak men zelfs van de ‘regula Adriani’.45 Maar wat het belangrijkste was: de ingreep van Adriaan leidde rechtstreeks naar het lang verwachte herstel in het Concilie van Trente.46
Er groeide bijna systematisch een te grote spagaat tussen het aanbod van en de vraag naar beneficies. Die structurele tekorten konden op termijn niet meer opgevangen worden. Dan moest een paus naar de noodrem grijpen. In de periode van ruim een eeuw hebben de meeste pausen de vorsten van Europa naar de ogen gekeken tot het Concilie van Trente. Wanneer de pausen, die tussen Innocentius VIII en Adriaan VI hebben geleefd, de revue passeren, dan gedroegen deze pausen zich als renaissancepausen. In deze periode groeide de kerk verder weg van de basis en van het Woord Gods. Wereldlijke heersers dwongen van pausen privileges af. Pausen dachten te veel aan hun temporele belangen. Het einde van een periode, waarin de geestelijkheid onwettige kinderen en concubines had, stond voor de deur. Het godsdienstige nationalisme steeg in Europa. In elk land werd beleden dat de schraapzucht de basis was van vele kwalen in het spirituele leven,47 zoals de apostel Paulus het de christene gemeenten al eeuwen voordien had voorgehouden,48 maar in de tijd van de Renaissance herinnerde M. Luther eraan dat de beginletters van deze Paulinische spreuk het acrostichon R.O.M.A. vormden.49
Geen wonder dat het canonieke recht bij sommige auteurs een slechte naam kreeg. Uiteraard ontstond er een belangrijk verschil in waardering. Franciscus Duarenus vond dat het canonieke recht meer op winst was berekend dan op het welzijn van het christendom. De essentie ervan moest teruggebracht worden tot een klein boek (‘breve aliquod volumen’).50 Aan de universiteit van Leuven werd het aandeel van het canonieke recht ten overstaan van het Romeinse recht tot een fractie herleid. De Leuvense drukkers Stephanus Gualterus (Wouters) en Johannes Bathenius behoorden tot de eerste drukkers, die in 1554 hun ‘Institutiones imperiales’ en hun ‘Enchiridium titulorum iuris’ drukten op basis van de editio princeps van de Florentijnse editie.51 Het werk met de Justiniaanse teksten was zeer succesvol, maar wat er overbleef van het canonieke recht in het Enchiridion bewees dat dit laatste recht onder druk stond. Ook in Italië ging de studie van het canonieke recht snel achteruit.52
Toch past hier een nuance, want in het canonieke recht waren er vele afdelingen. De verbranding van het ‘ius pontificium’ door Luther had vooral de Decretalen onder druk geplaatst. In die zin poogde Filips II het katholieke geloof te versterken, toen hij zich inspande om het Decretum van Gratianus meer invloed te schenken aan de universiteit van Leuven.53 Zorgvuldigheid past ook bij de volgende uitdrukkingen. Wanneer in een tekst stond ‘secundum iuris communis dispositionem’, was de context erg belangrijk. Volgde er een citaat, beginnend met l., dan ging het om een verwijzing naar het Romeinse recht (lex). Volgde er een citaat, beginnend met c., dan ging het om het canonieke recht (capitulum). Wamesius van zijn kant vond de uitdrukking ‘ius commune’ niet duidelijk genoeg, toen hij eraan toevoegde ‘niet alleen het canonieke, maar ook het civiele’.54 Dit mag een duidelijke verwijzing zijn naar de fundamentle verschillen, die er bleven tussen beide rechten.55
Wanneer het kathedrale kapittel van Kamerijk in een zaak tegen Philippe Majoris, deken van dat kapittel,56 schreef dat het wel bekend was dat naar het gemene recht (‘de droit commun’) alle beneficies met zielzorg en zeker de decanaten altijd residentie veronderstelden, dan handelde het kapittel naar het canonieke recht.57 Het kapittel was in deze zaak vooral van mening dat de deken niet mocht delen in de vruchten van zijn beneficie. De centrale regering had de deken afgevaardigd voor een diplomatieke zending naar Londen: dus maanden afwezigheid, maar Maria van Hongarije pleitte voor de integrale uitbetaling van de vruchten.58 De synode van het aartsbisdom Keulen had toen net afgekondigd dat dekens niet alleen zelf moesten aanwezig zijn, maar ze moesten ook letten op de aanwezigheid binnen het kapittel. In de meeste kapittels was dat volgens de statuten ook de normale gang van zaken. In het aartsbisdom Reims, waartoe Kamerijk behoorde, was dat niet anders.
Philippe Majoris zou in 1553 als aalmoezenier van Maria van Hongarije voorkomen op de lijst van het indult ‘Digna consideratione fidelitatis’. De centrale regering was er deels ook voor verantwoordelijk dat de deken van Sint- Servaas in Maastricht, Gillis van der Blockerien, zich voor vele politiek geladen opdrachten inzette. Daar werd zijn afwezigheid met de mantel der liefde bedekt.59
Twee tussenconclusies: 1) het ‘ius commune’ verwees hier in eerste instantie naar de kapittelstatuten van Kamerijk, naar de besluiten van provinciale concilies en naar het canonieke recht. 2) de centrale regering gebruikte clerici meer dan eens in zendingen, die de vorstelijke belangen moesten dienen. Zo ondergroef ze zelf niet alleen de plicht tot residentie van deze clerici, maar ook de regel dat geestelijken zich niet met wereldlijke zaken moesten inlaten.60
Op gelijke wijze kan men niet zonder meer beweren dat het ‘ius scriptum’ verwees naar het Romeinse recht. Enkele dagen voor hij hoofd-voorzitter van de Raad van State en van de Geheime Raad werd, kreeg Lodewijk van Schore van Karel V de opdracht om de domproosdij te helpen inlijven bij de tafelgoederen van de bisschop van Utrecht.61 Het Utrechts domkapittel kwam in verzet tegen deze inlijving en betoogde dat het ‘de iure scripto’ zonneklaar was, dat goederen, die ingelijfd waren bij de mensa van het kapittel, niet meer moesten noch konden ingelijfd worden. Door aan te dringen op inlijving zouden de inkomsten, die aan de ene partij behoorden, naar de andere overgaan. Daarom waren ‘uniones*’ in het canonieke recht vaak moeilijk en ‘odiosae’.62 Wanneer de gewoonte het probleem niet kon oplossen, moest de paus vaak tussenkomen.
Met het oog op het goede begrip moeten we ook aan jurisdictieconflicten denken in de verhouding tussen Kerk en Staat. Wanneer Maximiliaan I en zijn zoon Filips de Schone in 1485, 1493 en 1497 ordonnanties uitvaardigden, waarmee voortaan pauselijke documenten een vorstelijke placetbrief nodig hadden om in de Nederlanden te worden aanvaard, was de H. Stoel daarmee niet ingenomen. Het conflict over het placetrecht lag mede aan de basis voor het toekennen van één der eerste indulten voor aartshertog Karel. Wereldlijke ordonnanties, die van het ‘ius commune’ afweken en er zelfs tegen indruisten, konden zich keren tegen de ‘ratio iuris’63 en konden bovendien de kerkelijke vrijheid dwarsbomen.64 Toch zetten de vorsten hun wil in gans Europa door en eisten onder verschillende vormen en andere benamingen het placetrecht op.65
In de organisatie van de kerk was er verder een essentieel onderscheid tussen de seculiere en de reguliere clerus. Volgens het canonieke recht moesten wereldlijke beneficies aan wereldlijke bedienaars van de eredienst en reguliere beneficies aan reguliere bedienaars worden toevertrouwd. Dit kapittel van Bonifacius VIII gold als een ‘iuris communis dispositio’.66 Wat gebeurde ermee na het Concilie van Trente? Deze regelgeving werd hernieuwd en bekrachtigd. In de veertiende sessie van 25 november 1551 werd in canon 10 over de reguliere beneficies beslist.67 In de vijfentwintigste en laatste sessie van 3 en 4 december 1563 kwam het herstel van de tucht in de kloosters aan de beurt,68 en meer speciaal in canon 21, terwijl de wereldlijke beneficies voor de wereldlijke bedienaars bleven.
Subliem was het inzicht in de positie van het canonieke recht, vertolkt door Louis, kardinaal van Lotharingen-Guise, de aartsbisschop-administrator van Sens tijdens de vergaderingen van de derde periode van het Concilie van Trente. Tijdens deze periode werd er heftig gedebatteerd en gaf hij als volgt zijn mening weer over het canonieke recht bij de bespreking van het priesterschap (ordo). Volgens hem waren de openbare lessen in het canonieke recht noodzakelijk. Vandaag (18 mei 1562) moest men vooral denken aan de Decretalen en aan het Liber Sextus.69 Vele bepalingen waren echter door tegengestelde gewoonten afgeschaft; andere waren nog onvoldoende geredigeerd; nog andere onvoldoende krachtig en te weinig op de praktijk gericht. Daarom wilde hij dat de meest bruikbare werden geselecteerd en dat er een echt pauselijk recht zou samengesteld en onderhouden worden. Zo zouden we het stigma wegbranden, waardoor het canonieke recht nu een slechte naam heeft, aangezien er zovele geschillen en ongemakken uit ontstaan. Zijn profetische woorden werden pas in de praktijk gebracht door de publicatie van de Codex Iuris Canonici in 1917.70
Het verbod om kerkelijke goederen te vervreemden raakte aan de financiële basis van de kerk.71 Dit verbod gold al sinds paus Symmachus (498- 514).72 Ondertussen hadden vele pausen deze regelgeving bekrachtigd of gewijzigd. Met betrekking tot de wetgeving van zijn voorganger, Paulus IV, meende Pius IV vervreemdingen en verhuur van kerkelijke goederen te moeten herroepen of beter gezegd ‘om ze tot het ‘ius commune’ en de termen en de weg van het ‘ius commune’ terug te leiden’.73
Vele canonisten stonden na het Concilie van Trente met het probleem in welke zin het ‘ius commune’ uit de periode vóór het Concilie ook na het Concilie nog gold.74 Vaak boden de jurisprudentie en de geleerde adviezen van juristen hier het juiste richtsnoer. Uiteindelijk waren de kerk en de vorst spelbepalend geweest met het oog op de geldende regelgeving. Katholieke vorsten moesten zich meer terugtrekken, de kerk nog wel beschermen, maar zich minder mengen in kerkelijke aangelegenheden.75 Na het Concilie van Trente werd het vroegere ‘ius commune’ aangevuld met de decreten van Trente.76
Wanneer we de houding tegenover het ‘ius commune’, zoals hiervoor beschreven, vergelijken met de houding van de commissie, die het Liber Septimus voorbereidde, tegenover het ‘ius commune’, dan stelt de specialist vast dat die commissie dat begrip ‘nicht einheitlich verwendet; vielmehr änderte sich seine Bedeutung nach der Art des Einwands. In den meisten Fällen ging es dabei entweder um das für alle geltende Recht im Unterschied zu Sondervorschriften oder um das bisher geltende und vor allem im Corpus Iuris Canonici zusammengeschriebene Recht, von dem sich das neue Recht abhob.’77
Deze stellingname van de commissie kon na het Concilie van Trente en na Gregorius XIII wel niets anders veroorzaken dan een principiële opstelling. Deze houding resulteerde in drastische ingrepen voor ons onderwerp. Onderzoeken we twee titels: ‘De praebendis et dignitatibus’ en ‘De iure patronatus’. Nog één kapittel wordt overgehouden uit het Concilie van Lateranen V; vervolgens nog één uit het pontificaat van Pius IV en de rest verwijst naar het Concilie van Trente. Deze houding is bijna even drastisch als de actie van Luther, die het Liber Extra verbrandde.78
Aangezien de kerk al in de Middeleeuwen leefde volgens het Romeinse recht, was de interpretatie van het canonieke recht van kapitaal belang. Was Willem Durantis79 de gespecialiseerde commentator van het procesrecht en Innocentius IV80 de geprivilegieerde commentator van de Decretalen, dan waren Johannes Andreae81 en Baldus de Ubaldis82 nog te citeren als topfiguren uit de gouden periode. In de vijftiende eeuw bleef de abt en later aartsbisschop van Palermo, Nicolaas de Tudeschis, als één van de weinige auteurs over om commentaar te leveren op het canonieke recht als ‘ius commune’. Hij overleed in 1445 en sloot daarmee het tijdperk van de strijd over het belang van de Concilies af. Op dat ogenblik waren er nog geen indulten in de zin van deze studie.83
Na Panormitanus, zoals De Tudeschis meestal genoemd werd, verschenen er vele consilia, werken van auditores uit de Rota, gespecialiseerde studies over bijzondere onderwerpen in de sfeer van de beneficies, zoals de manier, waarop een beneficium vacant werd en waarop men het moest aannemen,84 de reservaties,85 de pensioenen,86 het patronaatsrecht,87 de alternativa* en de commentaren op de Kanselarijregels.88 Anderen richtten zich meer op de clausules, die voorkwamen in pauselijke documenten.89 Maar vóór het Concilie van Trente waagde zich niemand aan een monografie over indulten.
Terecht zal men zich afvragen wat naast de uitdrukking ‘ius commune’ dan in het volgende geval de betekenis was van de uitdrukking ‘contra apertissimam utriusque iuris dispositionem’. Wanneer iemand naar de rechtbank moest komen en hij zich met een privilege aan deze verplichting wilde onttrekken, dan was hij toch gehouden om te verschijnen, zijn privilege naar voren te brengen en de rechtbank te overtuigen. Deze regel ging zowel op voor het Romeinse als voor het canonieke recht.90
Uit het voorafgaande kunnen we opmaken dat de diepere oorzaken voor het ontstaan van het indult verband hielden met een ideologische context en een mentaliteit. Voor de paus als ‘dominus beneficiorum’ was er een visie mogelijk met een ruime interpretatie van zijn bevoegdheden. Voor het ‘ius commune’ stonden twee wegen open: één weg, die zich strikt hield aan de bestaande regelgeving en een andere, die laks omsprong met het bestaande canonieke recht en er zelfs van afweek. Dat de vorst zelf het niet zo nauw nam met de regelgeving van het canonieke recht, kwam hierboven naar voren, wanneer hij clerici inzette voor eigen belangen. Verder stelde de keizer zich in christelijke zin dubbelzinnig op, nu eens gehoorzaam, dan weer dwars.
Karel V als keizer van het Heilige Roomse Rijk, tevens koning van de Spaanse rijken en meervoudig landsheer in Europa, vertegenwoordigde zowel de wereldgeschiedenis als de locale, regionale en nationale geschiedenis. Daarbij kon hij de leden van zijn dynastie gelukkig inzetten. Hij kon echter in deze afzonderlijke gebieden niet op identieke wijze optreden. Daarom moet zijn optreden afgeleid worden uit de nog beschikbare bronnen, die tot dusver hoofdzakelijk onuitgegeven bleven en die binnen een globale of oecumenische context moeten benaderd worden.
Vanuit het standpunt van de staatsvorming blijft hier nog een moeilijk kapittel over. De christelijke vorst placht zich bij elke wisseling van de wacht in het Vaticaan gehoorzaam voor te stellen bij de nieuwe paus. Voor een vorst op weg naar soevereiniteit werd deze ceremonie een traditionele plechtigheid, die meer en meer indruiste tegen de autonome positie van de absolute vorst.91 Staatsvorming was in het Westers Schisma in die zin bevorderd, dat elke natie verplicht werd om tussen twee of drie pausen te kiezen aan wie men zou gehoorzamen. Er bleef ook de mogelijkheid over dat men zich neutraal opstelde of op een eigen kerk afstevende, zoals in het geval van de gallicaanse kerk.
‘Oboedientia’ was een reëel begrip geworden. De conciliedecreten ‘Omnia et singula’ en ‘Pro majori pace’ van 4 juli 1415 leidden een territoriaal begrip in bij de bepaling van gehoorzaamheid. Voortaan werd er gesproken over ‘pays d’obéissance’.92 Omgekeerd, indien de vorst en zijn onderdanen hun absolute gehoorzaamheid aan de paus onttrokken (subtractio oboedientiae), dan was het land ongehoorzaam en bestond er geen universele kerk meer in de traditionele zin. Aan welke paus moest men absoluut gehoorzamen om een rechtszaak te voeren over een verkregen beneficie?93
Voor de traditionele vorst van de Middeleeuwen en van de ‘specula principum’ was het volgens Egidius Romanus voldoende dat de vorst goed was. Voor Giovanni Pontano moest hij goed zijn om goed te schijnen, terwijl hij voor Macchiavelli alleen aan de schijn moest denken. Voor Erasmus moest de vorst een christelijke prins zijn.
Voor Giovanni Pontano was het onderzoek niet afgesloten met zijn studie over ‘Il principe’ (1468). Tussen 1470 en 1472 schreef hij ook ‘De obedientia’, waarin hij de gehoorzaamheid als een kernpunt van de maatschappij en van het politiek bedrijf behandelde: gehoorzaamheid binnen de familie, aan de wetten, gehoorzaamheid tussen burgers en de overheid en van onderdanen tegenover de soeverein.94
Aan de gehoorzaamheid en het gezag in de maatschappij konden de auteurs van de politieke tractaten niet voorbijgaan.95 Over de gehoorzaamheid van de vorst ten overstaan van de paus waren ze niet goed ingelicht. Met de ondermijning van kerk en staat ging het gezag in de maatschappij verloren, want wie de overheid weerstand bood, bood God weerstand. Daarom zal deze verhouding tot de essentie van het indult behoren. Deze verhouding was onderhevig aan een belangrijke verschuiving, die in essentie alleen binnen een zeer beperkte kring omstandig kon benaderd en besproken worden, want er was geen openbaarheid van bestuur.
Hoe belangrijk deze ‘oboedientia’ was, bleek ook uit de propaganda van de hervormers. Het geschrift van Stephan Gardiner, de bisschop van Winchester, mag hier model staan. Onmiddellijk na de vestiging van het anglicanisme schreef hij zijn boek ‘De vera obedientia’. Daarin miskende hij het gezag van de paus en noteerde dat elke vorst hoofd was van zijn kerk.96
Vóór de hervorming had Mercurino di Gattinara, de kanselier van Karel, nog een pragmatische overweging meegegeven. Hij suggereerde dat paus en keizer tot elkaar veroordeeld waren. ‘Veronderstel dat er een scheiding komt tussen jullie. Dan zal Uwe Majesteit alle voordelen missen, die zij van de paus moet krijgen. Denk aan het Heilige Roomse Rijk, aan Napels, maar ook aan de titel van Navarra. Vergeet de tienden niet, de indulgentiae, de bullen voor de kruistochten.97 Die graties laat je niet zomaar vallen. Samen met de vorige zijn er nog de benoemingen en de presentaties van beneficies. Dat alles komt veel meer voort uit de gratie van de H. Apostolische Stoel dan uit andere rechten en oude titels.’98
Het feit dat Karel V tot keizer wilde gekroond worden, waardoor de tweezwaardenleer werd voortgezet, druiste in tegen de trend van de tijd en tegen de vroegmoderne staatsvorming. Door de scheuring in de christenheid was de keizer het aan zich en zijn taak als keizer verplicht om de eenheid te herstellen. Zo niet was zijn keizerlijke titel ook voor de paus een vergissing. Nu is zijn keizerkroning in 1530 een kroning op krediet geworden, die met de Pyrrhusoverwinning van Mühlberg (1547) op een mislukking uitliep en niet voor herhaling vatbaar werd. Zijn broer Ferdinand werd in 1556 te Frankfurt-am-Main als keizer gekroond.
De gedachte aan het keizerschap van de Middeleeuwen werd ingehaald door de versplintering van Europa in vele vorstendommen. Eerst kon het onheil nog gekeerd worden bij het Westers Schisma, maar met de Reformatie werd het kleed van Christus, de ‘tunica inconsutilis’,99 gigantisch gescheurd. In het topoverleg van Bologna (1530) hebben paus en keizer dit dilemma gedeeltelijk opgelost. Met het geheim verdrag van 24 februari 1532 werd dat nog eens bevestigd.100 Voor de paus en voor zijn onderlinge verhouding met de keizer was het probleem niet minder groot. Eerst kwam hij op voor alle gelovigen in de bewoonde wereld en meer speciaal voor de gelovigen van zijn bisdom Rome. Bovendien was hij wereldlijk vorst in de Pauselijke Staten. In hun gezamenlijk optreden beschouwden paus en keizer zich nog steeds als de zon en de maan, de ‘luminaria’ of lichtbundels van de wereld, die het christendom moesten behoeden voor aanvallen van binnen en van buiten.
Toen Maximiliaan I zijn dochter Margareta van Oostenrijk samen met andere personen aanstelde om aartshertog Karel van Oostenrijk te emanciperen, verwees hij naar de goddelijke oorsprong van zijn wereldlijk bestuur. God had hem zozeer verheven in waardigheid ‘que sommes la seconde lumière de la chrestienneté’. Dankzij Hem kon hij genieten van ontelbare goederen en had hij zovele overwinningen behaald, maar de paus was de eerste lichtbundel.101
De Rooms-Koning ontving zijn eerste kroon in Aken, dan de ijzeren kroon van Lombardije en zijn derde, gouden kroon in Rome.102 Aan de derde kroon waren banden (infulae) bevestigd, zodat het woord ‘infulae’ zelf ook keizerskroon betekende.103 Bovendien was de kroon zelf een symbool vol mystiek en sacrale betekenis.104 Als wereldlijk vorst ontving hij een sacraal aura,105 want hij was de belangrijkste verdediger van de Kerk op aarde. Als Rooms-Koning werd hij in Aken kanunnik van de dom en als keizer werd hij stante pede kanunnik van Sint-Pieter te Rome106 en van Sint-Jan van Lateranen, ook al had de keizerkroning in 1530 plaats te Bologna.107 In wereldlijke aangelegenheden stond hij boven de wet (‘legibus solutus’, D.1.3.31; zie ook ‘digna vox’, C.1.14.4).108
In Bologna moest Karel V op 24 februari 1530 de eed zweren, die aan elke keizer was opgelegd sinds Clemens V. Hij moest de Kerk en het rijk van Christus dienen. Hij moest niet alleen besturen, maar ook het geloof, de Kerk en haar leiders, wetten, gebruiken en ceremonies verdedigen. Hij moest een ware voorvechter van de Kerk van Christus zijn en van hen, die tot de Kerk behoorden.109 Clemens VII heeft daarbij gehoopt dat de eenheid van de Kerk kon hersteld worden.
Voor de Nederlanden betekende de vertaling van deze boodschap dat Karel V verplicht was om de hervorming van de Kerk, die afhankelijk was van de wereldlijke en de geestelijke macht, te leiden. Zijn taak bestond erin om de bisschoppen enerzijds en de Collaterale Raden met de wereldlijke ambtenaren van de justitieraden en stedelijke besturen anderzijds op één lijn te krijgen om de ketterij uit te roeien in deze provincies en om de religie en het ware katholieke geloof der vaderen te herstellen.110
De plaatsvervanger van Christus droeg zijn tiara, waaraan ook banden (infulae) waren bevestigd. Van zijn kant spande de paus zich in en zette alles in het werk om de integriteit van zijn pauselijk territorium met man en macht te verdedigen, ook al gebeurde dat meestal met de hoop op hulp van de wereldlijke arm.111 In spirituele aangelegenheden stond hij boven iedereen in de wereld en was hij gelijk aan God, wanneer hij rechtens handelde, met uitzondering van een foutje of bij zonde: ‘clave tamen non errante’ en ‘excepto peccato’.112 De macht om wetten te geven en te veranderen behoorde aan de plaatsvervanger van Christus.113 In temporele zin werd de paus door Francisco de Vitoria niet meer als de heer van de wereld beschouwd.114 Francisco de Vitoria was wel niet op de hoogte van alle wederzijdse besprekingen van de paus met de wereldlijke vorsten. In werkelijkheid konden de keizer en de paus in hun gezamenlijke overeenkomsten nog steeds een ‘verdeel en heerspolitiek’ opvoeren binnen het kader van de door hen beheerste territoria en de door hen geleide geestelijke zorg voor de onderdanen.
In principe waren de christelijke vorsten vóór de Reformatie in het mystiek lichaam nog gehoorzaamheid verschuldigd aan de paus. De keizer vormde daarbij geen uitzondering: ook hij was een gehoorzame dienaar van de H. Stoel. Wel betekende de Reformatieperiode dat de naar soevereiniteit strevende vorst geen afhankelijkheid meer wenste ten overstaan van buitenlandse instanties, dus ook niet meer van de paus. Voor de burgers, onderdanen en vazallen van de keizerlijke majesteit werd de zorg om het materiële welzijn een alternatief voor het zieleheil, dat binnen de traditionele kerkelijke politiek aan geloofwaardigheid had ingeboet. Wie zorgde ervoor dat het zieleheil niet in gevaar kwam? Hoe konden de renaissancepausen het zieleheil als een doelstelling op lange termijn garanderen, wanneer zij door het voorbeeld, door het woord en door de leer hun schapen spiritueel moesten weiden?
Aangezien het indult van 5 juli 1515 kon vernieuwd worden, heeft ook Filips II als koning van Spanje en meervoudig landsheer in de Nederlanden na enige weerstand binnen de pauselijke kringen toch het indult verkregen, zoals zijn vader het enkele decennia daarvoor had verkregen. Het feit dat er zich moeilijkheden voordeden had onder meer van doen met het eerste staatsbankroet van Spanje, maar ook met Paulus IV, die het als Napolitaan niet zo begrepen had op Spanjaarden als heersers in Italië.115 Bovendien naderde toen de laatste periode van het Concilie van Trente, waar de verhouding tussen de Kerk en de vorsten een prominent gespreksthema bleef. Met het oog op het zieleheil van de gelovigen nam de Kerk op het Concilie van Trente afstand van de inmenging van de vorstelijke macht. Het indult bleef een vorm van expectatieve gratie, die indruiste tegen de recente Conciliedecreten.
In de Nederlanden sloot hierbij een juridische tekst aan, die steunde op de gezamenlijke kennis van de raadsheren uit de Raad van State en van de Geheime Raad. Zij ontwierpen deze tekst als een toevoeging bij het begin van een onbekend advies. Daarin stond: ‘Wat hier gebeurt, steunt deels op het ‘ius commune’, deels op oude privileges en concordaten of op de oude gewoonte en deels tenslotte op de ‘sententia iuris communis’. Dit maakte dat de vorsten zich opwierpen als beschermers van de godsdienst en van de Kerk. Indien de vorst hier geen steun zou geven, zouden godsdienst en Kerk in elk geval óf fundamenteel getroffen zijn óf zeker rake klappen krijgen’.116 Deze tekst dateert uit het begin van de jaren zestig en verwijst naar Filips II. Eén zaak is zeker: ‘ius commune’ verwees niet naar het canonieke recht. De verhouding van Kerk, Staat en recht werd vanuit het vorstelijk standpunt verbonden met het wel en wee van de godsdienstige problematiek.