Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/II.6
II.6 Het vorstelijk indult als parameter voor vooruitschrijdend inzicht
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS385358:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
L. Waelkens, Was er in de zestiende eeuw een Leuvense invloed op het Europese contractenrecht? in: B. Tilleman e.a., Liber Alumnorum KULAK als hulde aan Prof. Dr. Georges Macours. Actualia vermogensrecht, Brugge 2005, 9, voetnoten 26 en 27.
E. Boëthius, Heroicarum et ecclesiasticarum quaestionum libri VI, Duaci 1588, I, 163-182, nrs. 262-313: De iure quod hodie principes habent in beneficiis ecclesiasticis, ac nominatim vel imperator, vel rex Romanorum, vel rex etiam catholicus.
R. Feenstra, Bibliotheca Frisica Juridica. Bio-bibliografische notities over enkele weinig bekende Friese juristen, in: TVR 75 (2007) 129-135: 2. – Boëtius Epo.
W. Maziere Brady, The episcopal succession in England, Scotland and Ireland A.D. 1400- 1875, Rome 1876, II, 289, waar de Leuvense doctores Elbertus Leoninus, Johannes Wamesius en Johannes Ramus een advies schreven naar aanleiding van het testament van bisschop Richard Pate (1561).
G. van Dievoet, Lovanium docet: geschiedenis van de Leuvense rechtsfaculteit (1425-1914), Leuven 1988, nr. 29, 83-84 (M. Oosterbosch). Zie ook de nummers 17, 22, 25, 28 (het portret van J. Wamesius) en 35. Zie nu: L. Waelkens, F. Stevens en J. Snaet, Geschiedenis van de Leuvense rechtsfaculteit, Brugge 2014.
J. Wamesius, Responsorum sive consiliorum ad ius, forumque civile pertinentium centuria prima, Antverpiae 1639, consilium XII: Principis laici potestas in beneficialibus ecclesiasticis, 45-50, 16 articuli. Noteer ook dat een antidatering optreedt, wellicht om problemen met de Conciliedecreten te vermijden, want dit indult kwam in 1564 in de Nederlanden aan.
COGD, III, 174-175: Sessio XXV-De reformatione generali, caput XX.
L. van der Essen en A. Louant, Correspondance d’Ottavio Mirto Frangipani, Premier Nonce de Flandre (1596-1606), Rome 1924-1942, I-III.
KB Brussel, hs. 4715-4748, fo 365 ro – 407 vo. De folio’s van dit document zijn niet beschreven door J. van den Gheyn.
Voor Carlos II, die de laatste aanvrage stuurde naar Clemens IX, is de documentatie overvloedig.
A. Mercati, Raccolta di Concordati su materie ecclesiastiche tra la Santa Sede e le Autorità civili, Vaticaanstad 1954, I, nr. 30, 195-213.
A. Mercati, Raccolta o.c., nr. 26, 144-168.
État et Église dans la genèse de l’État Moderne. Premier bilan, in: J.-Ph. Genet et B. Vincent, éd., État et Église dans la genèse de l’État moderne. Actes du Colloque organisé par le Centre National de la Recherche Scientifique et la Casa de Velázquez Madrid, 30 novembre et 1er décembre 1984, Madrid 1986, 295-309, vooral 304-305. Voor voetnoot uit het besluit 19 = E. Kantorowicz, Mystères de l’État. Un concept absolutiste et ses origines médiévales (bas Moyen Age), in: Mourir pour la Patrie, Paris 1984, p. 79.
R. Schnur, Die Rolle der Juristen bei der Entstehung des modernen Staates, Berlin 1986.
W. Blockmans en J. van Herwaarden, De Nederlanden van 1493 tot 1555: binnenlandse en buitenlandse politiek, in: NAGN, Bussum 1980, V, 443-491, vooral 455. Zie ook 546.
Twee tijdgenoten uit de Nederlanden gaven als canonisten bijzondere informatie: Epo Boëthius (1522-1592), primarius voor canoniek recht aan de universiteit van Douai, en Johannes Wamesius (1524-1590).1 Wamesius bekleedde de eerste leerstoel kerkelijk recht aan de Leuvense universiteit. Boëthius van zijn kant schetste met rechtshistorische en algemeen Europese belangstelling de rol van de vorst in beneficiezaken,2 maar als Fries wist hij ook veel over de praktijk in Friesland en in de Franstalige gewesten.3
Wamesius verwerkte als auteur van juridische adviezen (consiliator)4 de indulten tussen de andere materies van het canonieke recht en bij voorkeur in de kapittels over beneficies en prebenden. Dat zijn commentaar werd uitgegeven, hebben we te danken aan competente en invloedrijke familieleden uit de zeventiende eeuw, die gelukkig zijn geestelijke nalatenschap in druk uitgaven.5 Het geluk diende daarbij dat Wamesius ook commentaar gaf op de hernieuwing van het indult voor Filips II, maar nu in zijn hoedanigheid als civilist en volgens de ordening van de Digesten. Op 5 juli 1515 had aartshertog Karel het eerste indult verkregen van Leo X. De geldigheid van het indult zou ophouden bij het overlijden van Karel V. Vóór het einde van het Concilie van Trente werd het eerste indult vernieuwd onder Pius IV op 1 januari 1562. Het feit dat Filips II dan al enige tijd regeerde, wijst erop dat deze hernieuwing niet vanzelf gebeurde.6
Wamesius is een auteur, die zijn leven begon onder de regering van Karel V en die op hoog niveau commentaar leverde onder Filips II, zij het dat sommige casus ook betrekking hadden op de periode van Karel V. Hij moest later ook rekening houden met het Concilie van Trente, want bijna drie decennia leefde hij mee met de decreten van Trente. Ondertussen waren dispensaties en indulten aan leken zwaar onder druk gekomen. Naast het al genoemde Concilie van Lateranen V (1512-1517) beheerste het Concilie van Trente (1545-1563) het canonieke recht. Toen werden hervormingen doorgevoerd in de spirituele sfeer, die te ruime toegevingen aan de wereldlijke vorsten terugschroefden. Deze disciplinering betekende een herroeping en richtte zich tegen de uitwassen in het canonieke recht en tevens tegen de indulten. De vergaderde Concilievaders stelden wel geen paal en perk aan de machtigste vorsten. Drastisch werd er niet opgetreden tegenover een Filips II, tegen de Franse koningen en de keizers van het Heilige Roomse Rijk.7
Voor de Nederlanden moest na het indult van Karel V bij zijn overlijden een nieuwe aanvraag naar de paus gestuurd worden. Zo begon een nieuw tijdperk met het nieuwe indult voor Filips II. Na het overlijden van Filips II was er voor de Aartshertogen nog meer informatie beschikbaar, want ondertussen was in Brussel een nuntiatuur gevestigd en de briefwisseling van deze nuntius is niet alleen bewaard, maar ook uitgegeven.8 Voor de Nederlanden is nog een anoniem commentaar bewaard ter voorbereiding van de aanvrage voor de hernieuwing van het indult van 1640. Juridische adviezen werden niet altijd ondertekend, maar deze anonieme auteur verwees naar het indult voor de Aartshertogen als het laatste, waarover hij informatie verstrekte.9 Hieruit blijkt dat Filips IV aan de Geheime Raad eerst om advies vroeg, vooraleer hij zijn advocaat Theodoor van Ameyden de onderhandelingen liet voeren met Urbanus VIII.10
Voeg daar nog aan toe dat de Vaticaanse archieven voor het lekenpubliek, zoals meermalen gezegd, slechts opengingen onder paus Leo XIII (1878-1903). Het is begrijpelijk dat de middeleeuwse archieven toen het eerst en het best ontsloten werden. Zelfs met de digitalisering en de andere verfijningen van de huidige techniek trok de hier bestudeerde periode nog onvoldoende de aandacht. Toch blijven de Vaticaanse archieven het belangrijkste archiefdepot ter wereld. Het inzicht in staatsvormingsprocessen ervaart er een nieuwe impuls bij het onderzoek in de verhouding tussen Kerk en Staat. In die zin is het jammer dat Mgr. Angelo Mercati in zijn anastatische uitgave van de concordaten over geestelijke zaken tussen de Apostolische Stoel en de burgerlijke autoriteiten alleen aandacht heeft betoond voor het indult van Nicolaas V, toegestaan aan de hertog van Savoie. Vanaf de vijftiende eeuw tot en met Pius VII (1800-1823) in 1819 kan men bij Mercati de ontwikkeling van één indult volgen.11
Vanaf de verschillende grondwetten uit de negentiende eeuw zijn de indulten nog meer op de achtergrond geraakt. In het internationaal verkeer golden voortaan alleen de concordaten in de relatie tussen Kerk en Staat. Daarom is dit proefschrift ook een correctie op het rechtshistorisch werk uit het verleden. Hierna zal blijken dat de Nederlanden in de zestiende eeuw vanwege de paus het grootste aantal en de belangrijkste indulten gekregen hebben sinds het bestaan van het indult. Uit het verhaal vanaf de vijftiende eeuw tot de huidige tijd blijkt dat het indult van toen een parameter werd voor de opheffing van dit type van documenten.
Tot onze verbazing merkten we dat een vacuüm in de studie van het positieve recht van de rooms-katholieke kerk samenvalt met de opkomst van de vroegmoderne Staat. De spanning van de houding der verschillende pausen tegenover de ontwikkeling van moderne staatsvorming valt ook samen met de splitsing van de christenheid. Tussen de opkomende staten zien we een onderscheid tussen de grootste staten, zoals Spanje, Frankrijk, het Heilige Roomse Rijk en Engeland die in 1418 te Konstanz een concordaat afsloten met de H. Stoel en de kleinere staten of grote landsheerlijkheden, die in een later stadium een indult verkregen van de H. Stoel.12
Met deze overweging sluiten we naadloos aan bij één van de conclusies van een groots opgezet Europees project om dieper door te dringen in de vroegmoderne staatsvorming. We laten Jacques Chiffoleau en Bernard Vincent zelf aan het woord: ‘Ce dernier mot (= procédures) nous renvoie évidemment au Droit, présent dans presque toutes les communications mais auquel nous n’avons sans doute pas assez consacré de temps ni d’attention. Kantorowicz pourtant nous y invitait: “comment, par quelles voies et par quelles techniques les arcana ecclesie spirituels furent-ils transférés à l’Etat, de manière à produire les nouveaux arcana imperii séculiers de l’absolutisme? La réponse à cette question est donnée par les sources sur lesquelles nous devons nous fonder, car sans négliger les sources narratives ou artistiques, le cérémonial ou la liturgie, on peut dire que la source principale est d’ordre juridique. C’est essentiellement par le recours à nos sources juridiques que l’on peut mettre en évidence les nouveaux procédés d’échange entre le spirituel et le séculier”19.’13
Op grond van deze bedenkingen komen we bij de grootste geschiedenissen van de Nederlanden: de AGN en de nieuwe AGN. We stellen vast dat er voor de periode van de Moderne Tijden aan deze standaardwerken een geringe bijdrage was geleverd door juristen, terwijl de juristenstand de krachtige begeleider was geweest van de staatsvorming.14 Bij vergelijking tussen beide historische producties schommelden de verschillende accenten. Het recht werd er niet gerubriceerd en over het canonieke recht werd zelfs niet gesproken.15
Michel Dierickx werkte in 1952 wel mee aan de AGN. Hij kende toen het best de internationale gevolgen van het indult, maar kon in zijn opstel over Filips II moeilijk het onderwerp aansnijden, want met betrekking tot Karel V had niemand erover geschreven. Zo werd het woord ‘indult’ niet opgenomen in de index.16 Pieter Gorissen zou een jaar later de aandacht vestigen op het indult ‘Fervor pure devotionis’. In de nieuwe AGN van 1980 werd de bul ‘Fervor pure devotionis’ van 1515 wel aangehaald om erop te wijzen dat de vorst meer greep wilde krijgen op de geestelijkheid en dat daarmee de oude Bourgondische politiek ten overstaan van de geestelijke waardigheden werd voortgezet. In 1521 werd de bul verheven tot nominatie-indult en Karel V had de grote macht over de benoemingen ook in de nieuw veroverde landen aan zich getrokken.17