Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/2.5
2.5 Het vertrouwensbeginsel en mensenrechtenverdragen
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS455776:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J.M. Sjöcrona & A.M.M. Orie, Internationaal strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Kluwer 2002, p. 19. Zie ook J. Sjöcrona, De kleine rechtshulp, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 31 (zie m.n. voetnoot 1).
Zie uitgebreid A.L. Smeulers, In staat van uitlevering, Antwerpen: Intersentia 2003, p. 225-269; J. Koers, Nederland als verzoekende staat bij de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, Achtergronden, grenzen en mogelijkheden, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2001, p. 458-459; V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. VU). Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 153 e.v.; H. Sanders, Handboek Uitleverings- en Overleveringsrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 140 e.v. Zie bijv. ook G.J.M. Corstens, ‘Naar een geïnternationaliseerd strafrecht? Enkele inleidende opmerkingen’, in: Internationalisering van het strafrecht (Serie Strafrecht en criminologie, deel 6), Nijmegen: Ars Aequi Libri 1986, p. 5-14, 8-9.
Zie bijv. HR 11 september 1979, NJ 1979, 637.
HR 27 maart 1984, NJ 1984, 611.
HR 1 juli 1985, NJ 1986, 162.
EHRM 7 juli 1989, ECHR, Series A 161 (Soering/Verenigd Koninkrijk; NJ 1990, 158, m.nt. Alkema).
HR 30 maart 1990, NJ 1991, 249.
Zie bijv. J. Remmelink, Uitlevering, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 74. Zie bijv. ook B.P. Vermeulen, ‘Uitlevering, soms een kwestie van vertrouwen’, Delikt en Delinkwent 1990, p. 325-336, die, in reactie op W.F. van Hattum, ‘Uitlevering, een kwestie van vertrouwen?’, Delikt en Delinkwent 1989, p. 928- 940, enige kanttekeningen plaatst bij de lijn (op dat moment) van de Hoge Raad aangaande mensenrechtenverweren in uitleveringszaken, maar wel ruimte blijft zien voor toepassing van het vertrouwensbeginsel. Zie ook: Y. Buruma & P.A.M. Verrest, Introductie internationaal strafrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2004, p. 20.
Doorgaans verwijten criticasters de Hoge Raad een te sterke werking van het vertrouwensbeginsel. Zie bijv. A.M.M. Orie, ‘De verdachte tussen wal en schip òf de systeembreuk in de kleine rechtshulp’, in: E. André de la Porte e.a. (red.), Bij deze stand van zaken. Bundel opstellen aangeboden aan A.L. Melai (Melai-bundel), Arnhem: Gouda Quint 1983, p. 351-361; W.F. van Hattum, ‘Uitlevering, een kwestie van vertrouwen?’, Delikt en Delinkwent 1989, p. 928- 940; A.L. Smeulers, In staat van uitlevering, Antwerpen: Intersentia 2003, p. 225-269. De Hoge Raad is echter ook wel bekritiseerd omdat hij te veel toetsing toe zou laten. Zie bijv. G.A.M. Strijards, ‘Opvallende evoluties in het uitleveringsrecht’, Delikt en Delinkwent 1985, p. 103-119, 114-116.
Een bijzondere en bijzonder belangrijke uitwerking van het vertrouwensbeginsel betreft de verhouding tussen het verlenen van rechtshulp enerzijds en de naleving van mensenrechtenverdragen anderzijds. In die verhouding speelt het vertrouwensbeginsel de meest in het oog springende rol. De jurisprudentie op dit punt lijkt inmiddels grotendeels uitgekristalliseerd. Niettemin is het interessant enkele opvattingen uit de literatuur te bespreken. Daarbij speelt een belangrijke rol of de rechtshulp is gebaseerd op rechtshulpverdragen en daarin opgenomen verplichtingen of juist niet op grond van een verdrag plaatsvindt.
De invloed van mensenrechtenverdragen in de internationale strafrechtelijke samenwerking wordt in meer of mindere mate afgezwakt door de (normatief-beperkende) werking van het vertrouwensbeginsel.1 Het gaat te ver om die precieze werking hier nu al uiteen te zetten, aangezien zij vrij complex is en diepgravende bestudering van met name de jurisprudentie op mensenrechtelijk vlak vergt.2 Om de ontwikkeling in de literatuur te kunnen duiden is van belang te signaleren dat ook in de jurisprudentie van de Hoge Raad sprake is geweest van een zekere ontwikkeling, welke in de literatuur wordt weerspiegeld. De Hoge Raad zag eerst een uitzondering op het uitgangspunt3 dat geen toetsing aan mensenrechtenverdragen mogelijk is, ingeval de verzoekende staat het individuele klachtrecht niet had erkend.4 Van die lijn kwam de Hoge Raad terug door aan te nemen dat ook wanneer een vreemde staat niet is aangesloten bij bijvoorbeeld het EVRM, de verplichtingen van dat verdrag toch zeker een rol hebben gespeeld bij het aangaan of laten voortduren van de verdragsrelatie met die staat door Nederland en ook daarop de werking van het vertrouwensbeginsel kon worden gebaseerd.5 Na de baanbrekende uitspraak van het EHRM in de zaak-Soering6 heeft de Hoge Raad zijn opvatting weer moeten bijstellen (zie vooral de zaak-Short),7 zodat in bepaalde gevallen toetsing wel degelijk mogelijk en zelfs voorgeschreven is.
In de literatuur ontmoet deze rechtspraak van de Hoge Raad instemming,8 maar ook kritiek,9 zij het dat bedacht dient te worden dat de precieze strekking van die instemming en kritiek moet worden bezien in het licht van de lijn van de Hoge Raad op dat moment. Over het algemeen is instemming te zien met het uitgangspunt dat niet elke mogelijke mensenrechtenschending in de weg staat aan uitlevering. Er zijn mensenrechtenschendingen denkbaar die weliswaar geredresseerd moeten worden, maar waarvoor het een te zwaar middel is om de uitlevering te weigeren. Men denke aan beperkte schendingen van het recht op privacy. De kritiek ziet met name op de later nader te bespreken taakverdeling die de Hoge Raad volgt: de rechter toetst slechts bepaalde specifieke (aangevoerde) mensenrechtenschendingen, te weten een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces en een voltooide schending van het verbod op foltering, indien de vermeende foltering de opgeëiste persoon zelf is aangedaan in verband met het feit waarvoor uitlevering is verzocht. Alle overige vermeende schendingen dienen door de minister te worden beoordeeld. Ten eerste zou de Hoge Raad volgens deze kritiek de toetsingsruimte van de rechter op voorhand te zeer beperken. Ook andere dan deze schendingen, zoals het geval dat de opgeëiste persoon in het verleden is gefolterd, maar dan in verband met heel andere feiten, zouden door de rechter moeten worden getoetst en eventueel tot weigering van uitlevering moeten leiden. Daarnaast wordt inhoudelijk bekritiseerd de stringente toets die de Hoge Raad aanlegt indien het om vermeende schending uit één van de twee categorieën gaat. Niet alleen ziet dat om de hoge drempel die wordt opgeworpen om van een flagrante schending te spreken, ook wordt de aanvullende eis bekritiseerd, te weten dat uitlevering enkel wordt geweigerd indien de opgeëiste persoon geen gebruik zal kunnen maken van een ‘effective remedy’ als bedoeld in artikel 13 EVRM.
Deze opvattingen bieden aanknopingspunten voor de analyse van de werking van het vertrouwensbeginsel ten opzichte van mensenrechten, welke in hoofdstuk 11 zal worden gepresenteerd. Ten eerste is bij die analyse van belang het inzicht dat het vertrouwensbeginsel kan worden gehanteerd door de rechter en door het bestuur, en dat het van belang is te bezien in welke gevallen rechter dan wel bestuur een bepaalde vorm van rechtshulp toetst en hoe die toetsingen zich tot elkaar verhouden. In hoofdstuk 11 zal duidelijk worden dat ook de toetsing door de minister uiteindelijk aan rechterlijk toezicht kan worden onderworpen, en wel via een procedure in kort geding. Een juiste beoordeling van die toetsing en de rol van het vertrouwensbeginsel is mijns inziens slechts mogelijk als het geheel van toetsingsmogelijkheden onder ogen wordt gezien. Ten tweede is van belang na te gaan welke (dreigende of voltooide) mensenrechtenschendingen, indien aannemelijk gemaakt of vastgesteld, zo ernstig zijn dat zij in de weg moeten staan aan uitlevering. Aangenomen moet worden dat een weigering van de uitlevering tot gevolg heeft of kan hebben dat de berechting definitief van de baan is. Dat betekent dat de vraag kan worden gesteld in termen van een beletsel van de vervolging: in welke gevallen is het ondenkbaar dat het nog tot een rechtvaardige vervolging of berechting komt? Ten derde, en in zekere zin in het verlengde van het eerste en tweede punt: in welke gevallen is vervolging nog wel denkbaar, maar is dat afhankelijk van het mensenrechtenbeschermend optreden van de autoriteiten van de verzoekende staat (veelal de rechter), en wanneer kan dergelijk optreden die autoriteiten wel en niet worden toevertrouwd. Dit laatste hangt bijvoorbeeld ook weer samen met de vraag of garanties worden gevraagd en verleend, wie die garanties bedingt (de minister?) en of die garanties als toereikend worden beoordeeld (door de minister, maar eventueel ook door de rechter). In hoofdstuk 11 zal de werking van het vertrouwensbeginsel ten opzichte van de rechten van de mens langs deze lijnen nader worden belicht.