Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/4.3.3.1
4.3.3.1 ‘besluiten die hij in voorbereiding heeft’
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS483767:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken I 1997-1998, 24 615, nr. 81, p. 13.
Kamerstukken I 1997-1998, 24 615, nr. 81a, p. 19.
Deze gedachtegang zien we bijna woordelijk terug in overweging 3.3 van de OK-beschikking inzake Philips Lighting Vitrite (OK 8 februari 2007, JAR 2007/67 en ROR 2007, nr. 16).
Met betrekking tot de vraag of, is de ondernemer hooguit nog op zoek naar de bevestiging van wat hij al meende te weten.
OK 16 maart 2000, JAR 2000/80 (Philips Lighting Terneuzen), OK 6 oktober 2006, JAR 2006/303 (Philips Lighting Weert) en OK 8 februari 2007, JAR 2007/67 en ROR 2007, nr. 16 (Philips Lighting Vitrite).
OK 16 maart 2000, JAR 2000/80 (Philips Lighting Terneuzen).
OK 6 oktober 2006, JAR 2006/303 (Philips Lighting Weert).
Daarmee de indruk wekkende dat de activiteiten van de onderneming minstens tot 2009 in stand zouden blijven.
Overigens verliest de Ondernemingskamer een zeker evenwicht in de verhouding ondernemerondernemingsraad niet uit het oog, waar hij opmerkt dat het heel wel denkbaar was geweest dat de raad, tegen de achtergrond van wat hem bekend was, om nadere uitleg omtrent de verschillende documenten had gevraagd.
Sterker nog, het knelpunt dat de regeling van art. 24 lid 1 WOR beoogt te ondervangen bestaat er nu juist in dat dat nog niet duidelijk is.
In het proces dat aan de wetswijziging in 1998 vooraf ging, werd in de Eerste Kamer de vraag gesteld in welk stadium van ‘denken over’ nog van een besluit in voorbereiding kan worden gesproken.1 De betrokken ministers antwoordden dat sprake is van een besluit in voorbereiding indien daaraan een meer of minder concreet beleidsvoornemen ten gronde ligt.2 Dat zaken reeds op papier staan om te kunnen spreken van een besluit in voorbereiding was volgens de ministers niet noodzakelijk, maar was in de praktijk, al dan niet in conceptvorm, naar hun zeggen wel gebruikelijk. Het ontbreken van een duidelijke definitie van ‘in voorbereiding’ zagen de ministers niet als een probleem; daartoe zou immers in de wet een verplichting worden opgenomen om afspraken te maken.3 Veel helderheid biedt het antwoord van de ministers niet. Beleidsvoornemens maken doorgaans deel uit van de beweegredenen in de zin van art. 25 lid 3 WOR. Ze zullen dus zowel aan besluiten in voorbereiding als aan voorgenomen besluiten ten gronde liggen. Het bestaan van beweegredenen acht ik onvoldoende om al te spreken van een besluit in voorbereiding; in tijd ligt dat te vroeg, bovendien is het te vaag. Het ware beter geweest te spreken van een besluit in voorbereiding indien sprake is van een concreet voornemen. Concreet in de zin dat daadwerkelijk het voornemen bestaat een besluit te gaan nemen, maar dat de vraag hoe, op welke wijze en wanneer nog beantwoord moet worden.4 Dáárin zit nu het element ‘in voorbereiding’. Hoe pakt dit in de praktijk uit? In maar liefst 3 OK-procedures waar Philips Lighting bij betrokken is geweest, treffen we bespiegelingen met betrekking tot besluiten die de ondernemer in voorbereiding heeft.5
Philips Lighting B.V. is een internationale divisie van de Koninklijke Philips Electronics N.V. In Nederland houdt de divisie begin 2000 elf ondernemingen in stand waar een - in de GOR vertegenwoordigde - ondernemingsraad is ingesteld. Een van die ondernemingen is gevestigd in Terneuzen. Eind december 1999 besluit de ondernemer tot gedeeltelijke verplaatsing van de productie van Terneuzen naar Pila (Polen). Een van de geschilpunten in de OK-procedure betreft het zogenaamde ‘Decision Document’. Dit vormt, zo overweegt de Ondernemingskamer, de neerslag ‘van meer algemene, strategische plannen t.a.v. de activiteiten van de onderneming in het algemeen, welke plannen – hoezeer nog niet uitgekristalliseerd – van invloed kunnen en zullen zijn op de onderneming’.6 Dat de ondernemingsraad dit document bij zijn advisering wil kunnen betrekken, is volgens de Ondernemingskamer ‘in overeenstemming met het aan artikel 24 WOR ten grondslag liggende beginsel dat de OR op een zodanig tijdstip van de voornemens van de ondernemer op de hoogte dient te worden gebracht dat wanneer eenmaal besluitvorming wordt overwogen de OR daarover kan adviseren op een wijze dat het advies nog van wezenlijke invloed op het te nemen besluit kan zijn’. De verwijzing naar art. 24 WOR is opvallend. Het heeft er de schijn van dat de Ondernemingskamer, om te kunnen spreken van besluiten in voorbereiding, voldoende acht dat sprake is van voornemens op basis van strategische plannen die nog niet uitgekristalliseerd zijn. Of men in dat geval al kan spreken van de min of meer concrete beleidsvoornemens waarvan de regering in de Eerste Kamer sprak, waag ik te betwijfelen. Hoe dan ook kan men in dat stadium nog niet spreken van een concreet voornemen een besluit te gaan nemen.
In de zaak Philips Lighting Weert BV lag dat anders.7 De ondernemer deelt het personeel in juni 2005 mee dat in 2006 substantiële business verloren zal gaan en dat hij uiterlijk in september met een plan voor verdere aanpassing van de organisatie zal komen. De bestuurder laat de ondernemingsraad in september echter weten dat de aangekondigde adviesaanvrage tot begin 2006 op zich zal laten wachten. Tijdens een overlegvergadering in november meldt de bestuurder dat een levensvatbaarheidsstudie is gestart die, in samenhang met het zoeken van alternatieven, moet uitmonden in een adviesaanvrage. Begin december geeft de bestuurder te kennen dat van de alternatieven voor sluiting nog slechts de management buy out overgebleven is. Vervolgens geeft hij in januari 2006 een presentatie over het strategisch plan 2006-2009.8 Tenslotte vraagt hij de ondernemingsraad op 5 april advies uit te brengen over beëindiging van de activiteiten per eind eerste kwartaal 2007. De Ondernemingskamer volgt Philips Lighting in haar betoog dat het voornemen de activiteiten te beëindigen pas eind maart tot stand is gekomen. Daaraan voegt de Ondernemingskamer echter onmiddellijk toe dat het nodige heeft geschort aan de wijze waarop de ondernemer eind 2005, begin 2006 met zijn verplichtingen uit hoofde van art. 24 lid 1 WOR is omgegaan.9 De Ondernemingskamer spreekt zich met dit oordeel uit over het begrip ‘besluiten in voorbereiding’. In december 2005 stond voor de ondernemer vast dat óf de zeggenschap over de onderneming zou worden overgedragen in de vorm van een management buy out, óf dat de werkzaamheden van de onderneming beëindigd dan wel sterk ingekrompen zouden worden. Vanaf dat moment kan men spreken van ‘een besluit in voorbereiding’. Wélk besluit dat precies is, hoeft, als er meerdere opties zijn, nog niet vast te staan. Evenmin hoeft reeds vast te staan wat de te verwachten gevolgen zijn voor de in de onderneming werkzame personen.10 Voldoende, en ook in overeenstemming met de kwalificatie ‘een besluit in voorbereiding’ is dat het concrete voornemen bestaat uit een van de in art. 25 lid 1 WOR opgesomde besluiten te gaan nemen.