Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht
Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/4.3.5:4.3.5 Het maken van afspraken (artikel 24 lid 1 WOR derde volzin)
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/4.3.5
4.3.5 Het maken van afspraken (artikel 24 lid 1 WOR derde volzin)
Documentgegevens:
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS487383:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het grootste belang van de aanvulling van art. 24 lid 1WOR is niet zozeer gelegen in de verplichting informatie te verstrekken; de ondernemer die verwachtte binnen afzienbare termijn een besluit als bedoeld in art. 25 WOR te zullen nemen, was op grond van art. 36a lid 6 WOR namelijk al verplicht de ondernemingsraad daarvan, ten behoeve van de bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming, in kennis te stellen. Blijkens de toelichting beoogden de Kamerleden Middel en Schimmel met hun amendement met name een procedureel knelpunt in art. 25 WOR op te lossen.1 De verplichting afspraken te maken (de derde volzin) beschouwden zij dan ook als het zwaartepunt van de aanvulling van art. 24 lid 1 WOR. Over het karakter van de verplichting afspraken te maken verschillen de meningen. Kort na de wetswijziging kwalificeert Verburg de derde volzin als een stevige oproep,2 Sprengers ziet daarin een gebod om afspraken te maken.3
In de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel, derhalve nog vóór indiening van het amendement Middel/Schimmel, hebben de betrokken ministers het over een knelpunt dat bij volledige benutting van de mogelijkheden die de wet biedt (lees: art. 31a lid 6 WOR) niet hoeft te bestaan.4 Volgens de ministers ligt het namelijk in de rede dat ondernemer en ondernemingsraad afspraken maken over het verloop van de besluitvorming en over de betrokkenheid van de ondernemingsraad. Met de woorden als ‘in de rede liggen’ spreken zij een bepaalde verwachting uit met betrekking tot het oplossen van dit knelpunt. De Kamerleden Middel en Schimmel zijn er minder van overtuigd dat ondernemer en ondernemingsraad er in de praktijk in zullen slagen het knelpunt op te lossen, en dat zij de wetgever daar niet voor nodig hebben. Blijkens de toelichting op hun amendement beogen zij met de zinsnede inzake het maken van afspraken een ‘duidelijke aanwijzing’ te geven. Zij drukken zich daarmee sterker uit dan de minister, ook en met name in de richting van de betrokkenen. In de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer gaan de ministers op hun beurt weer een stap verder dan Middel en Schimmel.5 Zij spreken thans van een verplichting en van afspraken die moeten worden gemaakt. Nu is het wat lastig partijen te verplichten afspraken te maken. Aangenomen mag dan ook worden dat de ministers (slechts) bedoeld hebben dat de ondernemer en de ondernemingsraad gehouden zijn zich in te spannen om afspraken te maken. Een juiste kwalificatie lijkt mij dan ook dat art. 24 lid 1 WOR derde volzin een inspanningsverbintenis oplegt die het midden houdt tussen een stevige oproep en een gebod.