Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/5.3.2.5
5.3.2.5 De wijze van medewerking
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS377638:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 januari 1986, LJN:AW8125, BNB 1986/128.
Kamerstukken II 1991/92, 21 287, nr. 9, p. 7-8. Die wijze van medewerking sluit volgens de staatssecretaris van Financiën veelal aan bij de mogelijkheden die de moderne informatietechnologie biedt, en zo niet, dan leidt dat met aanvaardbare uitvoeringslast (…) tot een enorme winst aan doelmatigheid bij de fiscus.
Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3. p 144-145.
Dit is anders in de uitvoerende sfeer van subsidies e.d. zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3; zie ook Vergunningenbesluit inrichtingen luchtverontreiniging, 6 september 1972, Stb.1972, 472 en Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen, 4 september 1969, Stb.1969, 403.
Handelingen II, 1995/96, 31 januari 1996, p. 3655; zie ook Handelingen II, 1993/ 1994, 14 september 1994 en Handelingen II 1994/95, 27 september 1994.
De AWR bepaalt in art. 49 de wijze waarop de medewerkingsverplichting plaats moet vinden. De keuze is aan de inspecteur. In die keuze is hij niet geheel vrij. De staats secretaris van Financiën beperkt de keuze als volgt ‘De inspecteur is er evenwel toe gehouden, ingevolge de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in redelijkheid rekening te houden met de belangen van de justitiabelen.’1 Of zoals de Hoge Raad het formuleert: de Belastingdienst moet zijn bevoegdheden op een redelijke wijze hanteren.2 De inspecteur kan naast de mondelinge en schriftelijke wijze van medewerking, ook op ‘andere wijze’ nakoming vragen. De wetgever doelt op elektronische gegevensdragers.3 Ook de keuze daarin is een kwestie van belangenafweging.
De wijze waarop het verstrekken van de inlichtingen aan de toezichthouder plaats moet vinden is niet expliciet in de Awb opgenomen. De parlementaire behandeling volstaat slechts met de toelichting ‘de medewerking bestaat in dat geval [MS: het vorderen van inlichtingen] uit het naar waarheid antwoorden ten aanzien van de verplichtingen’.4 Het opnemen van verdere verplichtingen werd niet noodzakelijk geacht.5 De wetgever is blijkbaar van mening dat het doel van het toezicht de inhoud van de medewerkingsplicht bepaalt.6
De inspecteur kan ook een termijn stellen voor het nakomen van de verplichting. De termijn moet objectief redelijk zijn, dat wil, met de woorden van de staatssecretaris van Financiën zeggen: ‘dusdanig lang dat belastingplichtige in staat wordt gesteld de informatie te verstrekken.’7 De Awb kent voor het vorderen van nakoming eveneens een ‘redelijke termijn’. In art. 5:20 lid 1 van de Awb is bepaald dat een ieder verplicht is aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die hij redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. De zinsnede ‘binnen de door hem gestelde redelijke termijn’ is ingevoegd door een amendement-Rehwinkel: dat ‘maakt duidelijk dat de toezichthouder omwille van de handhaafbaarheid (art. 5.1.10 Awb, art. 184 Sr. en eventueel een bestuurlijke boete) de persoon tot wie hij zijn vordering richt een duidelijke termijn stelt binnen welke hij aan de toezichtvordering moet voldoen.’8 Bij de behandeling van het amendement geeft de minister van Justitie aan het stellen van een termijn als vanzelfsprekend te beschouwen en overeenkomstig de gangbare praktijk: dat kan, volgens de bewindsvrouw, ‘variëren van «geef mij nu waar ik om vraag» tot «ik wil graag over een week uw papieren zien».’9 Hoewel zij het overbodig oordeelt, is redelijke termijn wettelijk verankerd.