Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/15.3:15.3 De positie van fundamentele rechten in de Europese Unie
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/15.3
15.3 De positie van fundamentele rechten in de Europese Unie
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS459450:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 513.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het systeem van de bescherming van fundamentele rechten in de EU bestaat uit drie onderdelen.1Artikel 6 VEU bepaalt ten eerste dat de Unie de rechten, vrijheden en beginselen van het Handvest van de grondrechten erkent en schakelt het in rechtskracht gelijk met de Verdragen (eerste lid). In het tweede lid is verder een verplichting voor de Unie opgenomen om toe te treden tot het EVRM. Ten slotte bepaalt artikel 6, derde lid, VEU dat de grondrechten, zoals gewaarborgd in het EVRM en voortvloeiend uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, als algemene beginselen deel uit maken van het unierecht. Deze drie bronnen van fundamentele rechten worden in het navolgende besproken en daarbij wordt een min of meer chronologische volgorde aangehouden (die afwijkt van de volgorde in artikel 6 VEU), nu die chronologische volgorde het ontstaan van de rechtencatalogi beter weerspiegelt.
15.3.1 De ongeschreven rechtencatalogus: fundamentele rechten als algemene beginselen van Unierecht15.3.2 De geschreven rechtencatalogus: het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie15.3.3 De externe rechtencatalogus: het EVRM en de voorgenomen toetreding van de EU tot het EVRM