Achtergestelde vorderingen (O&R)
Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.5.2.2:6.5.2.2 Derdenwerking door realiteitsbeginsel
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.5.2.2
6.5.2.2 Derdenwerking door realiteitsbeginsel
Documentgegevens:
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186500:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 5.3.5.
Zie par. 4.2.2.2 en 5.3.5.3.
Vgl. HR 12 november 2004, JOR 2005/22 (Aerts q.q./Koops).
Anders: Hof ’s-Hertogenbosch 28 juli 2015, NJF 2015/123 (CBO Financieel Adviescentrum), r.o. 11.13.
Zie par. 5.3.3.2 over welke bedingen de juniorvordering nader bepalen.
Zie par. 5.3.5.3.
Zie ook par. 5.3.5, i.h.b. 5.3.5.4.
Zie nader par. 6.5.4.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
332. Naast verbintenisrechtelijke derdenwerking kunnen oneigenlijke achterstellingen derdenwerking hebben volgens dezelfde systematiek als eigenlijke achterstellingen.1 Dat treedt op bij oneigenlijke achterstellingen die het vorderingsrecht van de junior nader bepalen. Derden hebben de vordering van de juniorschuldeiser te accepteren zoals de junior en de schuldenaar die vordering hebben vormgegeven en derden kunnen zich beroepen op de eigenschappen die de schuldenaar en de juniorschuldeiser aan de juniorvordering hebben gegeven. Dit werd eerder aangeduid als het realiteitsbeginsel.2 Dat beginsel beheerst ook de derdenwerking van voorwaarden en tijdsbepalingen die de junior en de schuldenaar hebben verbonden aan de juniorvordering.3 Dit betekent dat derden, waaronder senioren, kunnen constateren dat aan de juniorvordering een opschortende tijdsbepaling of voorwaarde is verbonden en daarop een beroep kunnen doen.
Net als bij een eigenlijke achterstelling kan de senior aan dergelijke beperkingen van de juniorvordering geen afzonderlijke rechten ontlenen. Uit deze beperkingen ontstaan dus ook geen nevenrechten bij de seniorvordering.4 De senior heeft die rechten ook niet nodig. Hij kan zich tegenover de schuldenaar en de juniorschuldeiser beroepen op de beperkingen van de juniorvordering en de gevolgen daarvan. Dat is voldoende om de vruchten te plukken van de beperkingen die de juniorvordering nader bepalen.5
Deze wijze van derdenwerking leidt ertoe dat niet alleen de seniorschuldeisers een beroep kunnen doen op de opschortende voorwaarde of tijdsbepaling die aan de juniorvordering is verbonden.6 Ook anderen dan de senior kunnen constateren dat de juniorvordering een voorwaardelijke vordering is of een vordering onder opschortende tijdsbepaling.7 Dit heeft bijvoorbeeld gevolgen als de schuldenaar ondanks de opschortende voorwaarde of tijdsbepaling de juniorvordering probeert na te komen. Omdat dat niet kan verkrijgt de schuldenaar een vordering uit onverschuldigde betaling.8 Op die vordering kan niet alleen de senior beslag leggen, maar andere schuldeisers van de schuldenaar kunnen dat ook.9
De derdenwerking door het realiteitsbeginsel betekent ook dat derden die rechten willen ontlenen aan de juniorvordering de eigenschappen die de junior en de schuldenaar daaraan hebben gegeven tegen zich moeten laten gelden. Dat geldt bijvoorbeeld voor beslagleggers op de juniorvordering of latere verkrijgers daarvan.