Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/3.7.2
3.7.2 De aanwijzing van Natura 2000-gebieden
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2013
- Datum
31-01-2013
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS442457:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2.1, lid 1 wetsvoorstel Wet natuurbescherming. In het wetsvoorstel wordt nog consequent gesproken over de Minister of de Staatssecretaris van EL&I
Art. 2.1, lid 5 wetsvoorstel Wet natuurbescherming.
Vergelijk art. 2.1, lid 4 wetsvoorstel Wet natuurbescherming met art. 10a, lid 3 Nbw 1998.
Kamerstukken II 2011-2012, 33348, nr. 3, p. 112-113 en Kaajan 2011, p. 647.
Kamerstukken II 2011-2012, 33348, nr. 3, p. 113-114.
Art. 2.1, lid 7 wetsvoorstel Wet natuurbescherming.
Kamerstukken II 2011-2012, 33348, nr. 3, p. 111-112.
Kamerstukken II 2011-2012, 33348, nr. 3, p. 112.
De aanwijzing van Natura 2000-gebieden blijft een bevoegdheid van de Minister van EZ.1 Op de voorbereiding van een dergelijk besluit is afdeling 3.4 Awb van toepassing.2 Een aanwijzingsbesluit moet instandhoudingsdoelstellingen voor de habitats en soorten van een Natura 2000-gebied bevatten. In tegenstelling tot in het verleden is het nadrukkelijk niet de bedoeling om in een aanwijzingsbesluit ‘nationale’ instandhoudingsdoelstellingen, zoals het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuurschoon, op te nemen.3 De wetgever wil de instandhoudingsdoelstellingen in beginsel beperken tot verplichtingen die voortvloeien uit de Vrl en de Hrl.4 Overigens laat de redactie van artikel 2.1, vierde lid Wet natuurbescherming wel ruimte om zogenaamde complementaire doelen te stellen. Naar de mening van de wetgever kan hiervan gebruik worden gemaakt als de beschermingsmaatregelen niet toereikend zijn.5 In het aanwijzingsbesluit moet een kaart met daarop de nauwkeurige begrenzing worden opgenomen. In tegenstelling tot de Nbw 1998 voorziet het wetsvoorstel in een regeling voor het geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen van een aanwijzingsbesluit. Op de voorbereiding van een dergelijk besluit is, behalve in het geval van wijzigingen van ondergeschikte aard, afdeling 3.4. Awb van toepassing.6 Derhalve kan de Minister van EZ in bepaalde gevallen afzien van de toepassing afdeling 3.4 Awb. Het wetsvoorstel bevat echter geen uitleg over het essentiële begrippenpaar ‘wijzigingen van ondergeschikte aard’. In de memorie van toelichting is dat (indirect) wel het geval: ‘In verband met de snelheid en beperking van de bestuurslasten kan door de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van de toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure worden afgezien. Bij meer ingrijpende wijzigingen – wijzigingen die ook ecologische gevolgen kunnen hebben of wijzigingen van de aan een gebied gealloceerde instandhoudingsdoelstellingen die sociaaleconomische repercussies kunnen hebben – is de uitgebreide procedure wel van toepassing’.7 Dit neemt niet weg dat in de praktijk onduidelijkheid kan bestaan over de vraag wanneer sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard. Uitgaande van het wetsvoorstel is dit geen probleem omdat ‘ingeval de minister afziet van de toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, belanghebbenden alle mogelijkheden behouden om na vaststelling en bekendmaking van het wijzigingsbesluit in een bezwaar- en beroepsprocedure eventuele bedenkingen tegen dat besluit naar voren te brengen en het besluit door de bestuursrechter te laten toetsen’.8