Einde inhoudsopgave
Verzekering verzekerd? (R&P nr. FR13) 2015/3.5.3
3.5.3 Verzekerde gebeurtenis heeft zich (nog) niet voorgedaan
mr. N. Lavrijssen, datum 15-01-2015
- Datum
15-01-2015
- Auteur
mr. N. Lavrijssen
- JCDI
JCDI:ADS619873:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het gaat hierbij om een levensverzekering met uitkering bij leven in combinatie met een levensverzekering met uitkering bij overlijden. Zie Wansink, Van Tiggele-van der Velde & Salomons 2012, nr. 639.
Ook de Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat een vordering die pas ontstaat tijdens faillissement maar voortvloeit uit een ten tijde van de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding, in beginsel kan worden aangemerkt als faillissementsschuld voor zover het geen boedelschuld betreft. Dit blijkt uit r.o. 3.7.2 van het arrest Koot Beheer/Tideman q.q.: “Vorderingen die een boedelschuld opleveren, moeten worden onderscheiden van vorderingen op de schuldenaar, met het oog op de voldoening waarvan de vereffening van de boedel plaatsvindt. Vorderingen die voortvloeien uit een reeds ten tijde van de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding met de schuldenaar en die geen boedelschuld opleveren op een van de hiervoor in 3.7.1 vermelde gronden, behoren tot bedoelde vorderingen op de schuldenaar, ook als ze pas tijdens het faillissement ontstaan….”.
Van Sint Truiden & Verstijlen 2013, aant. 1 bij art. 131 Fw.
Op grond van art. 3:38 lid 2 BW heeft de vervulling van de voorwaarde geen terugwerkende kracht. De werking van de verbintenis onder opschortende voorwaarde vangt pas aan met het plaatsvinden van deze voorwaarde.
Wessels 2011, par. 5123.
Het spreekt voor zich dat de verzekerde een keuze moet maken tussen het indienen van de voorwaardelijke vordering met betrekking tot het doen van een uitkering en de onvoorwaardelijke vordering met betrekking tot het verlenen van dekking.
Van der Feltz 1973, p. 18. In de ogen van Van der Feltz is de hoofdverplichting van de verzekeraar het lopen van het hem overgedragen risico; het vergoeden van geleden schade is daarvan een uitvloeisel. Zie Van der Feltz 1981, p. 81. Van Nievelt heeft al vele jaren eerder treffend omschreven: “de verbintenis tot het betalen van de verzekeringspremie en de verbintenis tot het verlenen van dekking zijn op hetzelfde moment uit de overeenkomst geboren”. Zie Van Nievelt 1907, p. 14. Mijnssen deelt deze visie: “Het komt erop neer dat de verzekeraar, tegen betaling van de premie, een onvoorwaardelijke verbintenis op zich neemt tot het lopen van het risico. Als sequeel hiervan rust op de verzekeraar ook een verbintenis onder opschortende voorwaarde tot het doen van een uitkering wanneer het risico zich verwezenlijkt en hierdoor schade ontstaat.” Zie Mijnssen 2012, p. 3-4. Zie ook art. 7:934 BW waarin is bepaald dat het niet betalen van de vervolgpremie onder andere kan leiden tot schorsing van de dekking. Ook de Hoge Raad is van oordeel dat de essentie van de verzekeringsovereenkomst is dat de verzekeraar het overeengekomen risico loopt. Zie HR 11 april 1987, NJ 1998, 111 (m.nt. M.M. Mendel).
Art. 37 Fw is van toepassing op wederkerige overeenkomsten. Er zijn auteurs die de verzekeringsovereenkomst als onvolmaakt wederkerige overeenkomst beschouwen omdat de verbintenis van de verzekeraar een voorwaardelijke is op grond van art. 6:21 BW en de verzekeraar alleen een verbintenis tot uitkering heeft wanneer de verzekerde gebeurtenis zich daadwerkelijk heeft voorgedaan of omdat de verbintenis tot premiebetaling bij een levensverzekeringsovereenkomst niet afdwingbaar is (zie bijvoorbeeld Kalkman 2013, p. 26-27 en Wansink, Van Tiggele-van der Velde & Salomons 2012, nr. 634). Op grond van art. 6:261 lid 2 BW zijn de bepalingen met betrekking tot de wederkerige overeenkomst van overeenkomstige toepassing op andere rechtsbetrekkingen die strekken tot het wederzijds verrichten van prestaties, voor zover de aard van die betrekkingen zich daartegen niet verzet. Van Zanten heeft zich in zijn dissertatie – mijns inziens terecht – op het standpunt gesteld dat ook art. 37 Fw hieronder kan worden geschaard. Zie Van Zanten 2012, p. 82-83. In andere zin: Wessels 2012, par. 2476.
In het arrest Koot Beheer/Tideman q.q. heeft de Hoge Raad in r.o. 3.6.1 geoordeeld dat art. 37 Fw ook van toepassing is op duurovereenkomsten. In eerdere jurisprudentie (zoals bijvoorbeeld HR 16 oktober 1998, NJ 1998, 896) werd impliciet uitgegaan van de toepasselijkheid van art. 37 Fw op duurverbintenissen. Wessels 2012, p. 322.
Vriesendorp 2013, p. 273.
In dat kader moet de verzekeraar de verzekerde de reeds betaalde premie terugbetalen. In ruil voor de betaalde premie heeft de verzekeraar dekking verleend. De aard van deze prestatie sluit uit dat zij ongedaan wordt gemaakt, zodat de verzekerde op grond van art. 6:272 lid 1 BW een waardevergoeding verschuldigd is voor de door de verzekeraar verleende dekking. De waarde hiervan zal door de curator of rechter waarschijnlijk heel pragmatisch worden vastgesteld op de hoogte van de door de verzekerde betaalde premies. De ongedaanmakingsverbintenissen van de verzekeraar en verzekerde vallen in dat geval tegen elkaar weg.
Hierbij kan een parallel worden getrokken met de waarderingsmethode van Market Quotation die wordt gebruikt bij OTC-derivaten. Op grond van Section 6(a) van de veelgebruikte ISDA Master Agreements heeft een vervroegde beëindiging van de overeenkomst tot gevolg dat oorspronkelijke contractuele verplichtingen worden vervangen door de verplichting tot betaling van één afrekenbedrag, neerkomend op de totale nettowaarde van de beëindigde transacties (‘Close-Out Netting’). Bij Market Quotation wordt deze waarde bepaald door aan andere partijen te vragen hoeveel zij bereid zijn te betalen voor een identieke optie. Rank 2009, p. 117-118. Deze aanpak wordt in wezen ook gebruikt bij de begroting van de schade die een verzekerde heeft als gevolg van het voortijdig eindigen van de verzekeringsovereenkomst doordat wordt gekeken naar de kosten die de verzekerde moet maken om hetzelfde risico bij een andere verzekeraar te verzekeren.
In de uitwerking ga ik ervan uit dat het gedwongen overstappen naar een andere verzekeraar als gevolg van het faillissement van de oorspronkelijke verzekeraar altijd leidt tot schade, al was het maar vanwege de poliskosten die moeten worden betaald voor het afsluiten van een nieuwe verzekeringsovereenkomst. Dit is slechts anders wanneer de oorspronkelijke verzekeringsovereenkomst te duur was. Deze uitzonderlijke situatie laat ik in het vervolg buiten beschouwing.
In het arrest Kastelijn q.q./Nijenhuis (HR 16 maart 1917, NJ 1917, p. 455) laat de Hoge Raad het oordeel van het Hof Amsterdam d.d. 28 april 1916 (NJ 1916, p. 1063) in stand dat er geen reden is om de wederpartij van een failliete schuldenaar een voorrecht te ontnemen; het lijkt eerder de bedoeling van de wetgever geweest om met het woord ‘concurrent’ aan te geven dat de vordering tot schadevergoeding – waar het in dit geval om ging – niet het karakter heeft van een boedelschuld. Dit is nogmaals bevestigd door de Hoge Raad in het arrest Koot Beheer/Tideman q.q.. Hierin heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.6.1 overwogen dat de wederpartij met een vordering ex art. 37a Fw wegens het tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst een concurrent schuldeiser is, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang.
De vordering uit hoofde van verzekering wordt in de richtlijn met betrekking tot de sanering en liquidatie van verzekeringsondernemingen en de Wft ruim gedefinieerd. Art. 2 sub k van de richtlijn begint met de woorden “ieder bedrag dat door een verzekeringsonderneming verschuldigd is aan verzekerden” en art. 1:1 Wft definieert deze vordering als “een vordering, rechtstreeks op de verzekeraar, van een verzekerde, verzekeringnemer, begunstigde of benadeelde”.
Zie hierover nader paragraaf 3.4.2.
Zie hierover nader paragraaf 3.4.2.
Gaat het om een schadeverzekering en doet de verzekerde gebeurtenis tijdens de looptijd van beide polissen voor, dan geldt het indemniteitsbeginsel van art. 7:960 BW: de verzekerde mag door de uitkering van de verzekeraar niet in een duidelijk voordeligere positie geraken. Dat betekent dat de verzekerde zijn schade niet bij beide verzekeraars mag claimen. In zo’n geval ligt het voor de hand dat de vordering wordt ingediend bij de niet-failliete verzekeraar. Dat de verzekerde met inachtneming van het indemniteitsbeginsel zelf mag kiezen welke verzekeraar hij aanspreekt, volgt uit art. 7:961 lid 1 BW.
Heeft de verzekerde gebeurtenis zich (nog) niet voorgedaan ten tijde van het uitspreken van het faillissement en gaat het om een verzekeringsovereenkomst waarbij het op voorhand vaststaat dat de verzekering tot uitkering moet komen maar waarbij het onzeker is wanneer hij dit moet doen (zoals een gemengde levensverzekering1), dan heeft de verzekerde een onvoorwaardelijke, niet opeisbare vordering onder tijdsbepaling op de verzekeraar. Dit soort overeenkomsten wordt vooral gesloten bij levensverzekeringen. Op het moment dat het faillissement wordt uitgesproken, wordt de vordering opeisbaar op grond van art. 6:40 sub a BW. Deze vordering kan als preferente faillissementsschuld op grond van art. 26 Fw ter verificatie bij de curator worden ingediend. De verzekerde heeft geen last van het bepaalde in art. 24 Fw, omdat de verbintenissen van de verzekeraar – namelijk de verbintenis tot het verlenen van dekking en tot het doen van een uitkering wanneer de verzekerde gebeurtenis zich voordoet – voor de faillietverklaring zijn ontstaan.2 Voor welk bedrag de vordering moet worden toegelaten in het faillissement, wordt bepaald door art. 131 lid 1 Fw:3 voor haar waarde op de dag van de faillietverklaring.4 Deze waarde wordt bepaald aan de hand van de factoren die zijn opgenomen in lid 3 van art. 131 Fw: het tijdstip en de wijze van aflossing, het kansgenot en – als de vordering rentedragend is – de bedongen rentevoet. Bij dit soort verzekeringsovereenkomsten doen de gevolgen voor verzekerden zich met name voor ten aanzien van de uitkeringen: omdat de boedel veelal ontoereikend zal zijn, zijn de uitkeringen niet veilig gesteld. Bovendien duurt het vaak lang voordat vorderingen worden voldaan. In dit scenario komen het Waarborgfonds Motorverkeer en het Zorginstituut Nederland niet in beeld, omdat zij alleen uitkeren wanneer de verzekerde gebeurtenis zich daadwerkelijk heeft voorgedaan.
Gaat het om een verzekeringsovereenkomst waarbij onzeker is of de verzekeraar uiteindelijk tot uitkering moet komen, dan heeft de verzekerde een vordering onder opschortende voorwaarde in de zin van art. 6:21 BW op de verzekeraar.5 Ook deze voorwaardelijke vordering kan op grond van art. 26 Fw ter verificatie worden ingediend bij de curator. Op grond van art. 130 lid 1 Fw wordt zij geverifieerd voor haar waarde op het moment van de faillietverklaring. Deze waarde wordt bepaald door de waardering van de kans op vervulling van de voorwaarde in combinatie met de resterende termijn van de verbintenis onder opschortende voorwaarde. Hoe groter de kans op vervulling, hoe hoger de waarde van de vordering ten tijde van de faillietverklaring.6 Heeft de verzekerde gebeurtenis zich inmiddels voorgedaan, dan ligt het voor de hand dat de voorwaardelijke vordering om praktische redenen wordt geverifieerd voor het bedrag van de daadwerkelijke vordering, ook al is deze vordering pas na het uitspreken van het faillissement ontstaan.
Naast de voorwaardelijke verbintenis tot het doen van een uitkering omvat de verzekeringsovereenkomst ook een onvoorwaardelijke verbintenis van de verzekeraar tot het verlenen van dekking.7 De verzekeraar neemt daarmee – in ruil voor premiebetaling – het risico over van de verzekerde.8 Is de verzekerde nog premie verschuldigd,9 dan kan de verzekerde in theorie op grond van art. 37 lid 1 Fw10 aan de curator een termijn stellen waarbinnen deze kan verklaren of hij de overeenkomst wel of niet gestand doet.11 Indien ja, dan moet hij op grond van art. 37 lid 2 Fw zekerheid stellen voor de nakoming ervan. In geval van niet-nakoming levert de vordering van de verzekerde een boedelschuld op.12 Met het oog op het grote beslag dat dit legt op het kapitaal van de failliete boedel, zal het praktisch bezien altijd zo zijn dat de curator de verzekeringsovereenkomst niet gestand doet. In dat geval kan de verzekerde de verzekeringsovereenkomst ontbinden – hetgeen leidt tot ongedaanmakingsverbintenissen13 op grond van art. 6:271 BW – en daarbij aanspraak maken op een aanvullende schadevergoeding. De verzekerde kan er ook voor kiezen om in plaats daarvan aanspraak te maken op een vervangende schadevergoeding. In beide gevallen gaat het om de vergoeding van de schade die de verzekerde lijdt omdat hij een nieuwe verzekeringsovereenkomst moet sluiten met een andere verzekeraar.14
Voor de meeste schadeverzekeringen waarbij leeftijd en/of gezondheid niet relevant zijn, zal het mogelijk zijn om voor (nagenoeg) hetzelfde premiebedrag een verzekeringsovereenkomst te sluiten met een andere verzekeraar. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan een aansprakelijkheidsverzekering of een rechtsbijstandsverzekering. Voor schadeverzekeringen waarbij leeftijd en/of gezondheid wel een rol spelen (bijvoorbeeld de arbeidsongeschiktheidsverzekering) en voor levensverzekeringen zal het een stuk lastiger – misschien wel onmogelijk – zijn om een verzekeringsovereenkomst onder (nagenoeg) gelijke voorwaarden te sluiten; de verzekerde zal in die gevallen vaak slechter af zijn, bijvoorbaanvullend pensioen-vermogen zelfstandigeeeld omdat de verzekerde een hogere premie verschuldigd is omdat hij ouder is dan bij het aangaan van de oorspronkelijke overeenkomst.15 De voorwaarden van de oorspronkelijke verzekeringsovereenkomst moeten in dat geval vergeleken worden met de voorwaarden van de nieuwe verzekeringsovereenkomst en de optelsom van alle verschillen vormt het schadebedrag dat de verzekerde als aanvullende of vervangende schadevergoeding te vorderen heeft van de failliete verzekeraar. Samengevat komt de schadevordering daarmee neer op de kosten van een nieuwe, vergelijkbare verzekering. Gaat het om een situatie waarin het afsluiten van een nieuwe verzekeringsovereenkomst onmogelijk is, dan bestaat de schade van de verzekerden uit het niet kunnen verzekeren van de gebeurtenis. In dat geval zal een afweging worden gemaakt van de goede (gebeurtenis doet zich niet voor) en kwade (gebeurtenis doet zich wel voor) kansen en wordt de schade op die manier vastgesteld.
Op grond van art. 37a Fw kan de verzekerde voor de schadevergoedingsvorderingen als ‘concurrent schuldeiser’ in het faillissement opkomen ondanks het feit dat deze vorderingen strikt genomen pas na het uitspreken van het faillissement zijn ontstaan. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat deze formulering niet te letterlijk moet worden genomen: er kan ook sprake zijn van een preferente faillissementsvordering16 zoals het geval is bij verzekerden.17,18
De verzekerde is niet verplicht om een beroep te doen op art. 37 Fw. De uitkomst verschilt in die situatie niet veel met hetgeen hiervoor werd besproken. In dat geval heeft de verzekerde een vordering tot dekking op de verzekeraar gedurende de looptijd van de verzekering. Die vordering is voor faillissement ontstaan: de verplichting tot het verlenen van dekking voor de verzekerde gebeurtenis ontstaat immers wanneer de verzekering wordt afgesloten. Opnieuw ligt het voor de hand om de hoogte van de vordering gelijk te stellen aan de kosten van het afsluiten van een nieuwe, vergelijkbare verzekering bij een andere verzekeraar. Die vordering kan ter verificatie worden ingediend. Aan deze vordering is voorrang verbonden op grond van art. 213m Fw.19
Heeft de verzekerde de verschuldigde premie volledig voldaan, dan is de verzekerde zijn verbintenis die voortvloeit uit de verzekeringsovereenkomst al nagekomen en kan de verzekerde geen beroep doen op art. 37 Fw. Hij kan dan een vordering tot schadevergoeding – ook een preferente faillissementsvordering – ter verificatie bij de curator indienen in verband met de niet-nakoming van de onvoorwaardelijke verbintenis tot het verlenen van dekking door de verzekeraar op grond van art. 26 Fw.
Ook voor de verzekeringsovereenkomst waarbij onzeker is of de verzekeraar uiteindelijk tot uitkering zal moeten overgaan, geldt dat het faillissement gevolgen heeft voor verzekerden omdat het vaak lang duurt voordat vorderingen worden voldaan, als de failliete boedel al toereikend is om alle vorderingen geheel te voldoen, hetgeen niet waarschijnlijk is. Dit is slechts anders wanneer het gaat om een WAM-verzekering of zorgverzekering en de verzekerde gebeurtenis zich inmiddels heeft voorgedaan. Voor een WAM-verzekering geldt daarbij nog de belangrijke beperking dat het moet gaan om schade die wordt geleden door een derde. Omdat het lang duurt voordat de vorderingen van verzekerden wordt voldaan en het onzeker is of er uiteindelijk voldoende vermogen in de boedel beschikbaar is om deze vorderingen te voldoen, is het van belang dat verzekerden zo snel mogelijk een nieuwe verzekeringsovereenkomst aangaan met een andere, financieel gezonde verzekeraar.20
Schema 4: Gebeurtenis heeft zich (nog) niet voorgedaan
1. Uitkeringen veilig gesteld? NEE, tenzij Waarborgfonds Motorverkeer of Zorginstituut Nederland tot uitkering komt
Vorderingen van verzekerden te gelde te maken via:
Oorspronkelijke verzekeraar: nee
Opvolgend verzekeraar: nee
Alternatieve route: nee, tenzij
het een WAM-verzekering en schade aan derde of zorgverzekering betreftén
verzekerde gebeurtenis zich daadwerkelijk heeft voorgedaan > Waarborgfonds Motorverkeer/Zorginstituut Nederland
2. Verzekeringsovereenkomst veilig gesteld? NEE
Voortzetting verzekeringsovereenkomst onder gelijke voorwaarden: nee
Nieuwe verzekeringsovereenkomst onder gelijke voorwaarden: nee