Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/3.1
3.1 Inleiding
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685474:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Snijders 2011, p. 82-84, die opmerkt dat het vertrouwensbeginsel in het bestuursrecht allerlei situaties beslaat waarvoor in het civiele recht specifieke regels gelden. Vgl. Schlössels & Zijlstra 2017a, p. 389, waarin zij beschrijven hoe de werking van het vertrouwensbeginsel in beide rechtsgebieden van elkaar verschilt. Zie ook A-G Wissink onder 3.10.1 voor HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:719, AB 2020/288 (Heruitgifte erfpacht Staat): “In de civielrechtelijke rechtspraak wordt aan een minder vastomlijnd toetsingskader [dan in het bestuursrecht, NvT] getoetst.”
Par. 1.7.
Vranken 1997, p. 12-21 behandelt de rol van vertrouwen in het overeenkomstenrecht in bredere zin. Hij wijst onder andere tevens op het leerstuk van afgebroken onderhandelingen en de problematiek van de doorwerking van exoneratiebedingen.
Een procedure over vertrouwensschending bij de bestuursrechter hangt altijd samen met besluitvorming die eerder gewekt vertrouwen beschaamt. Een teleurgestelde belanghebbende beroept zich dan op een schending van het vertrouwensbeginsel. In het civiele recht heeft een teleurgestelde burger meer opties, die echter ook gecompliceerder zijn.
In de voor dit onderzoek relevante gevallen vindt in het civiele recht het wekken van vertrouwen weliswaar op dezelfde wijze (namelijk door overheidsuitlatingen) plaats, maar kan de vertrouwensschending via verschillende wegen aan de orde worden gesteld.1 In dit hoofdstuk zet ik die wegen op een rij. Op deze manier worden via de functionele rechtsmethode de voor de interne rechtsvergelijking relevante toetsingskaders vastgesteld.2
In het civiele recht kan een vertrouwensschending ontstaan bij het wekken van vertrouwen dat een overheid zal handelen op een bepaalde wijze of dat de door haar verstrekte informatie juist en volledig is en de ontvanger van de informatie zijn gedrag op die informatie mag afstemmen. Een daarop volgende rechtsgang moet worden gekanaliseerd in een vordering tot nakoming3 dan wel schadevergoeding uit wanprestatie ofwel een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen. Voor een schending van een verbintenis is een rechtshandeling nodig, terwijl voor onrechtmatig overheidshandelen voor onjuiste informatieverstrekking een door de overheid geschonden maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm in de vorm van een waarheidsplicht moet worden aangetoond.
Deze juridische kaders zet ik in dit hoofdstuk uiteen. Ten eerste beschrijf ik – ter illustratie van de achtergrond van de juridisch kaders en ten behoeve van de interne rechtsvergelijking – de bijzondere positie van de overheid in het privaatrecht en de op haar toepasselijke regels (paragraaf 3.2), waarna ik toekom aan de verschillende beoordelingskaders voor een schending van gerechtvaardigd vertrouwen in het civiele recht aan de hand van vertrouwen op de aanwezigheid van een rechtshandeling (paragraaf 3.3), de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit een rechtshandeling (paragraaf 3.4) en de juistheid en volledigheid van informatie (paragraaf 3.5).