Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/4.4.1.1
4.4.1.1 Juridische achtergrond
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS412592:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
O.a. HR 12 april 1978, nr. 18 495, BNB 1978/137 (m.nt. Tuk).
Vgl. Popelier 1997, p. 310, Van der Vlies 1991, p. 176 en HvJ EG 18 mei 2000, nr. C-107/97 (Rombi en Arkopharma), ECR p. I-3367, ro. 66.
O.a. Kaplow 1986, p. 522, Graetz 1985, p. 1823 en Leisner 1998, p. 258. Groussot 2006 beschrijft op p. 194 e.v. dat het door het Hof van Justitie EG gehanteerde beginsel van de verkregen rechten om vergelijkbare redenen steeds vaker plaats moet maken voor het beginsel van gerechtvaardigde verwachtingen.
Verheij 1997, p. 52, Lubbers 2004, p. 21, Happé en Pauwels 2005, p. 65.
Zie bijv. HR 16 juli 1993, nr. 29 179, BNB 1993/282 (m.nt. Van Leijenhorst) en HR 7 mei 1997, nr. 31 920, BNB 1997/211 (m.nt. Van Leijenhorst).
Kappelle 2000, p. 65.
Langereis 1987, p. 130, Happé 1996, p. 91, Notitie SV, p. 3.
Popelier 1997, p. 176.
Popelier 1997, p. 581-582.
Van der Vlies 1991, p. 174.
Het vertrouwensbeginsel is in Nederland met name uitgewerkt als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Op grond van dit beginsel – toegepast op het belastingrecht – kan onder omstandigheden aan uitlatingen of gedragingen van de inspecteur of de staatssecretaris van Financiën in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend.1 Het vertrouwensbeginsel als onderdeel van het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke regelgeving beoogt het door de overheid gewekte vertrouwen dat een regel op een bepaald moment in de toekomst nog zal gelden, te beschermen. Zodoende wordt een belastingplichtige in staat gesteld de rechtsgevolgen van beslissingen in te schatten.2 Het vertrouwensbeginsel schept evenwel niet de verwachting dat een regel nooit zal veranderen. Gegeven het feit dat wetten moeten worden aangepast aan een veranderende maatschappij is een dergelijke verwachting immers niet reëel.3 Het vertrouwensbeginsel wordt door verschillende auteurs dan ook vertaald in de vraag of sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen.4 Ook de Hoge Raad bezigt de term ‘gerechtvaardigde verwachtingen’ als het gaat om verandering van regels van lagere overheden.5 Kappelle legt het vertrouwensbeginsel beperkter uit en vult het aldus in dat houders van langlopende contracten erop mogen rekenen dat toezeggingen die tijdens het wetgevingsproces zijn gedaan ook daadwerkelijk worden opgenomen in de uiteindelijke wetgeving.6
Diverse auteurs zijn evenwel van mening dat het vertrouwensbeginsel identiek is aan het rechtszekerheidsbeginsel.7 Dit is niet vreemd, aangezien het rechtszekerheidsbeginsel kan worden verdeeld in een objectieve en een subjectieve dimensie, waarbij de subjectieve dimensie het vertrouwensbeginsel vertegenwoordigt. Popelier omschrijft dit onderscheid als volgt:8
‘Essentieel aan de werking van het rechtszekerheidsbeginsel is het onderscheid tussen en de wederzijdse inwerking van, enerzijds, de rechtszekerheid die wordt geboden door het objectieve recht en, anderzijds, het vertrouwensbeginsel als een toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel in zijn meer subjectieve aspect.’
Popelier formuleert na analyse van de rechtspraak van met name het Bundesverfassungsgericht, het Hof van Justitie EG, het EHRM en het Belgische Hof van Cassatie en Arbitragehof acht factoren die in de praktijk doorslaggevend blijken bij het beoordelen van vertrouwen:9
het gegeven dat het bestaan van een rechtsregel het determinerend criterium was om een beslissing te nemen of dat deze regel zelfs bewust heeft aangespoord om een bepaalde beslissing te nemen;
de mate waarin men heeft geïnvesteerd in zijn vertrouwen en waarin men zijn plannen nog kan aanpassen aan de nieuwe regelgeving;
de mate waarin de tijdsbepalingen of het bestaan zelf van de rechtsregel het vertrouwen in zijn duurzaamheid bevestigen dan wel zijn werking in de tijd beperken;
de mate waarin de wijziging voorzienbaar was in het raam van de gehele juridische context, doordat ze past in een coherent geheel van regelgeving;
de mate waarin de begunstigde van een rechtsregel vanaf een bepaald ogenblik met de wijziging ervan moest rekening houden door externe omstandigheden;
het gegeven dat de gewijzigde regeling zelf weinig beschermenswaardig was, omdat ze onduidelijk, verward of ongeldig was;
de vaststelling dat de wijziging een declaratief karakter heeft;
de overweging dat het algemeen belang in de wetswijziging dermate groot is dat het zelfs tegen een zeer beschermenswaardig vertrouwen opweegt.
In met name de factoren d en e komt ook de voorzienbaarheid van een wetswijziging aan de orde. Indien het voor de burger voorzienbaar is dat een regel zal veranderen, wordt het vertrouwen op het voortbestaan van die regel minder beschermenswaardig. Ook Van der Vlies komt tot deze gevolgtrekking bij de behandeling van het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke regelgeving.10 Zij heeft evenwel niet in detail uitgewerkt aan de hand van welke factoren kan worden bepaald of bij de burger gerechtvaardigde verwachtingen op het voortbestaan van een regel aanwezig zijn.
In dit onderzoek speelt het vertrouwensbeginsel een belangrijke rol. In par. 4.4.1.2 zal ik uit dit beginsel dan ook een beginsel van behoorlijk overgangsbeleid afleiden.