Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/84
84 Negatieve verklaring voor recht
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS511363:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
HvJEG 6 december 1994, zaak C-406/92 (Tatry), r.o. 39.
HvJEG 6 december 1994, zaak C-406/92, Jur. 1994, p. I-5439, NJ 1995/659 m.nt. ThMdB (Tatry), r.o. 41.
Zie de noot van ThMdB onder het arrest Tatry NJ 1995, 659, sub 3.
HvJEG 6 december 1994, zaak C-406/92, Jur. 1994, p. I-5439, NJ 1995/659 m.nt. ThMdB (Tatry), r.o. 44.
In HvJEU 25 oktober 2012, C-133/11, NJ 2013/80 m.nt. L. Strikwerda (Folien Fischer) heeft het HvJ beslist dat een negatieve verklaring voor recht die ertoe strekt het bestaan van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad te ontkennen, binnen de werkingssfeer van art. 7 sub 2 EEX-Vo II valt.
Dan de vraag of twee vorderingen hetzelfde onderwerp hebben indien de een ertoe strekt een verklaring voor recht te verkrijgen dat eiser niet aansprakelijk is voor de door gedaagden gestelde schade, en de andere door gedaagde ingestelde vordering ertoe strekt eiser in de eerste procedure tot betaling van schadevergoeding voor diezelfde aansprakelijkheid te veroordelen.
Het HvJ heeft overwogen dat het begrip ‘oorzaak’ de feiten omvat en de rechtsregel die tot staving van de vordering wordt aangevoerd.1 Beide vorderingen hebben in die zin dezelfde oorzaak: beide vorderingen stellen dat de goederen beschadigd zijn, alleen in het ene geval is de rederij niet aansprakelijk en in het andere geval wel. Wat het onderwerp betreft wijst het HvJ erop dat gekeken moet worden naar het doel van de procedure.2 De beide vorderingen hebben als doel de vaststelling dat de eigenaar (rederij) wel of niet aansprakelijk gesteld kan worden voor de ladingschade. Terecht is er op gewezen dat deze overweging niet helemaal zuiver is. Het doel van een procedure tot schadevergoeding is niet zozeer het vaststellen van aansprakelijkheid als wel het verkrijgen van schadevergoeding.3 In die zin stemmen beide vorderingen qua doel juist niet overeen. Beter is de overweging die het HvJ erop laat volgen: een latere vordering tot schadevergoeding vormt het natuurlijke uitvloeisel van een (eerdere) vordering betreffende vaststelling van aansprakelijkheid.4 Het hoofdonderwerp van de ene vordering is aldus gelijk aan de andere. Daarmee staat vast dat een later ingestelde vordering tot schadevergoeding wegens ladingschade op dezelfde oorzaak berust en hetzelfde onderwerp betreft als de eerder ingestelde vordering tot verkrijging van een verklaring voor recht dat de eigenaar van het schip voor die schade niet aansprakelijk is.5